Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4105

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-11-2017
Datum publicatie
30-11-2017
Zaaknummer
13/149 WWAJ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag. De door appellante gestelde toegenomen beperkingen komen niet voort uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan appellante bij de voltooiing van de wachttijd op 31 december 2004 arbeidsongeschikt werd geacht. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/149 WWAJ

Datum uitspraak: 17 november 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van

29 november 2012, 12/3475 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Staat der Nederlanden, de Minister van Justitie en Veiligheid

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.A. Jansen hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2014. Namens appellante zijn mr. Jansen en haar partner [naam partner] verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door

mr. P.J. Reith.

De Raad heeft het onderzoek geschorst en het advies van een medisch deskundige ingewonnen.

De deskundige heeft op 31 maart 2017 gerapporteerd, waarna partijen een reactie hebben ingediend.

Appellante heeft verzocht om vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Naar aanleiding van het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter heeft de Raad de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) als partij aangemerkt.

Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden op 25 augustus 2017. Appellante was vertegenwoordigd door mr. Jansen en [naam partner] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J. Belder.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is geboren op [geboortedatum] 1982. Zij heeft op 30 november 2005 een aanvraag gedaan op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten

(Wajong 1998), waarbij zij gesteld heeft met ingang van 16 januari 2004 arbeidsongeschikt te zijn. Bij besluit van 21 juli 2006 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen, omdat appellante met ingang van 31 december 2004 minder dan 25% arbeidsongeschikt werd geacht. Dit besluit is onder meer gebaseerd op rapporten van een verzekeringsarts van het Uwv van

29 december 2005 en 11 april 2006, waarin mede op grond van informatie van de behandelend reumatoloog van appellante van 17 maart 2006 is vastgesteld dat appellante beperkingen heeft ten gevolge van de ziekte van Bechterew (Bechterew). Het door appellante tegen het besluit van 21 juli 2006 gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van

26 september 2006 ongegrond verklaard. In het aan het besluit van 26 september 2006 ten grondslag liggende rapport van 18 september 2006 heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv onderschreven dat de klachten van appellante zijn terug te voeren op Bechterew.

1.2.

Op 30 november 2010 heeft appellante bij het Uwv een melding verslechterde gezondheid gedaan, nadat het VermoeidheidCentrum Lelystad bij haar de diagnose chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS) had gesteld. Het Uwv heeft deze aanvraag opgevat als een verzoek om het besluit van 21 juli 2006 te herzien en heeft de aanvraag bij besluit van

15 maart 2011 afgewezen, omdat niet was gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden die ertoe leiden dat het besluit van 21 juli 2006 onjuist zou zijn. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 14 juli 2011 ongegrond verklaard.

1.3.

Op 21 november 2011 heeft appellante opnieuw een aanvraag ingediend, waarbij zij te kennen heeft gegeven dat haar klachten met ingang van mei 2009 zijn toegenomen. Appellante heeft benadrukt dat de strekking van haar aanvraag niet is dat het Uwv terugkomt van het besluit van 21 juli 2006, maar dat het een besluit neemt wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar (amber). Bij besluit van 10 januari 2012 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen, omdat, met inachtneming van de verkorte wachttijd van vier weken, op en na 25 mei 2009 niet gebleken is van gewijzigde/toegenomen arbeidsbeperkingen. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 7 juni 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

1.4.

Het bestreden besluit berust op een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv van 24 mei 2012. Deze heeft vastgesteld dat er sinds, arbitrair, mei 2009 sprake is van forse, toenemende, onverklaarbare, vermoeidheidsklachten op grond van CVS, die los gezien moeten worden van de al langer bestaande Bechterew (met de daaraan gerelateerde verklaarbare vermoeidheidsklachten). De vermoeidheidsklachten in de periode voor

mei 2009, waarbij sprake was van een actief inflammatoir ziekteproces, mogen per definitie niet worden toegeschreven aan CVS, omdat CVS een diagnose per exclusionem is, wat meebrengt dat de klachten niet kunnen worden verklaard vanuit een verifieerbare anatomische of psychiatrische aandoening, zoals Bechterew. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hierbij in aanmerking genomen dat de reumatoloog van appellante op 6 november 2009 heeft gerapporteerd dat het algemene klachtenpatroon van appellante, met name haar vermoeidheid, niet in relatie staat tot Bechterew. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat bij appellante pas op zijn vroegst vanaf medio 2009 sprake is van een nieuw klachtencomplex, zonder anatomisch substraat, naast het klachtenpatroon gerelateerd aan Bechterew. Het nieuwe klachtenpatroon berust daarmee op twee, van elkaar te onderscheiden, medische oorzaken, namelijk Bechterew en CVS.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het Uwv gevolgd in zijn standpunt dat uit de door appellante overgelegde medische stukken, waaronder in het bijzonder die van de haar behandelend reumatoloog, niet is af te leiden dat de beperkingen die appellante per einde wachttijd had mede het gevolg waren van CVS. Het in 2009 toegenomen klachtenpatroon kan niet worden gerelateerd aan Bechterew.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat het Uwv heeft miskend dat bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid niet de (bekende) diagnose bepalend is, maar alleen de medisch objectief vast te stellen gevolgen van ziekte en gebreken waardoor men niet in staat is aan het arbeidsproces deel te nemen. Zowel de in 2005 geclaimde arbeidsongeschiktheid als de gestelde toename daarvan in 2009 hingen samen met diffuse spierklachten, hoofdpijn, vermoeidheid, buikklachten en concentratieproblemen. Niet de medische benaming, maar het samenstel van objectiveerbare klachten is bepalend voor de mate van arbeidsongeschiktheid. Door het moment van de diagnosestelling bepalend voor de beoordeling te laten zijn, hebben het Uwv en de rechtbank een onjuiste maatstaf gehanteerd.

3.2.

Bij brief van 20 oktober 2014 heeft appellante een rapport van

prof. dr. em. K. de Meirleir van 12 september 2014 overlegd, waaruit volgens appellante blijkt dat haar in 1999 begonnen, en sindsdien alleen maar toegenomen klachten, zijn veroorzaakt door de ziekte van Lyme (late stage Lyme disease).

3.3.

Het Uwv heeft daarop bij brief van 6 november 2014 te kennen gegeven dat bij de eerste beoordeling in 2006 geen beperkingen zijn opgenomen die verband houden met de ziekte van Lyme, zodat eventuele uit die aandoening voortvloeiende beperkingen ten tijde van de amber-claim per mei 2009 ook buiten beschouwing zouden moeten blijven. In het bij die brief gevoegde rapport heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep het standpunt ingenomen dat uit het rapport van De Meirleir niet kan worden afgeleid dat appellante al op 22 juni 2009 objectiveerbare klachten en belemmeringen had ten gevolge van de ziekte van Lyme.

3.4.

Op 31 maart 2017 heeft de door de Raad geraadpleegde deskundige, dr. H. ter Hofstede, internist, geconcludeerd dat de ziekte van Lyme op basis van de klachten van appellante en haar forse vermoeidheid mogelijk is, maar dat deze diagnose niet is te bewijzen. De klachten in 2004 en 2009 lijken niet gerelateerd aan een reumatische aandoening en kunnen gezien worden bij de ziekte van Lyme. Het door de deskundige uitgevoerd bloedonderzoek toonde geen aanwijzingen voor een andere somatische oorzaak. De ziekte van Lyme is echter moeilijk te diagnosticeren en negatieve testen sluiten een persisterende infectie niet uit. De klinische waarden van elders uitgevoerde testen is nog niet duidelijk en nader wetenschappelijk onderzoek zal volgens de deskundige nu geen duidelijker beeld geven.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In de Wajong 1998 is onder meer bepaald dat, indien de jonggehandicapte die aan het einde van de wachttijd, ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling, maar geen recht had op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat hij niet arbeidsongeschikt was, binnen vijf jaar na het bereiken van die wachttijd arbeidsongeschikt wordt en deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling, toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaatsvindt, zodra die arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.

4.2.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het Uwv, gelet op de in 1.4 vermelde motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de door appellante gestelde toegenomen beperkingen niet voortkomen uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan appellante bij de voltooiing van de wachttijd op

31 december 2004 arbeidsongeschikt werd geacht.

4.3.

Het in hoger beroep door appellante overgelegde rapport van De Meirleir geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Voor zover hierin te kennen zou zijn gegeven dat de arbeidsbeperkingen van appellante per einde wachttijd op 31 december 2004 en de toename daarvan tijdens de daaropvolgende vijf jaren zouden zijn terug te voeren op de ziekte van Lyme, biedt het rapport van De Meirleir, gelet op de conclusies van de door de Raad geraadpleegde deskundige Ter Hofstede, hiervoor onvoldoende concrete aanknopingspunten. Gelet op de door Ter Hofstede toegelichte grote onzekerheid bij de diagnostisering van de ziekte van Lyme is er, bij gebreke van een positieve test in zijn onderzoek, onvoldoende reden om aan te nemen dat de arbeidsbeperkingen van appellante op 31 december 2004 en in de daaropvolgende periode van vijf jaren terug te voeren zouden zijn op de ziekte van Lyme.

4.4.

Wat in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen leidt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4.5.

Met betrekking tot het verzoek van appellante om vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt het volgende overwogen.

4.5.1.

De vraag of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de complexiteit van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van verzoeker gedurende de procesgang en de aard van het besluit en het daardoor getroffen belang van verzoeker van belang, zoals dat ook uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.

4.5.2.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH:1009) is de redelijke termijn voor een procedure in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. In die uitspraak heeft de Raad verder overwogen dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding gepast is van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. De in overweging 4.5.1 vermelde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingstermijn gerechtvaardigd te achten.

4.5.3.

Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vaststaat dat vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift op 3 februari 2012 tot de datum van de uitspraak van de Raad op 17 november 2017 vijf jaar en ruim negen maanden zijn verstreken. De behandeling van het bezwaar heeft ruim drie maanden geduurd, de behandeling van het beroep bij de rechtbank vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 18 juli 2012 tot de uitspraak op

29 november 2012 ruim vier maanden en de behandeling van het hoger beroep door de Raad vanaf de ontvangst van het hoger beroepschrift op 9 januari 2013 tot de datum van de uitspraak op 17 november 2017 vier jaar en ruim tien maanden. Hieruit volgt dat de redelijke termijn is geschonden in de rechterlijke fase. De Raad heeft noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van appellante aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaren zou mogen bedragen. Dit betekent dat de redelijke termijn met één jaar en acht maanden is overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 2.000,-. De Raad zal de Staat veroordelen tot betaling van dit bedrag aan appellante.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    veroordeelt de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie en Veiligheid) tot het betalen aan appellante van een schadevergoeding tot een bedrag van € 2.000,-;

  • -

    bepaalt dat de griffier van de Raad het betaalde griffierecht van € 115,- aan appellante vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter en R.E. Bakker en

F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van W.A.M. Ebbinge als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 november 2017.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

KS