Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4101

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-11-2017
Datum publicatie
29-11-2017
Zaaknummer
16/7979 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:8703, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag. Plichtsverzuim. Voor de Raad staat vast dat sprake is geweest van het stelselmatig schrijven van een groot aantal overwerkuren waarvan appellant wist of behoorde te weten dat hij daar geen aanspraak op had.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/7979 AW

Datum uitspraak: 16 november 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

15 november 2016, 16/1130 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T.G.J Horlings bij brief van 23 december 2016 hoger beroep ingesteld.

Namens het bestuur heeft mr. J.H.M. Huizinga, advocaat, op 12 januari 2017 een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 29 augustus 2017 heeft mr. Horlings een aanvullend hoger beroepschrift ingezonden.

Mr. Huizinga heeft op 8 september 2017 een aanvullend verweerschrift ingezonden.

Mr. Horlings heeft nog een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Horlings. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Huizinga, mr. J.L. van de Watering en M.C. van IJzendoorn.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 1982 werkzaam bij de (rechtsvoorganger van) de [regio] , laatstelijk in de functie van [functie] . Daarnaast was hij werkzaam op de afdeling [afdeling] op het gebied van [onderdeel] .

1.2.

In 2014 zijn bij de leidinggevende van appellant vragen gerezen over de verantwoording van de door appellant geregistreerde uren. In een daaropvolgend onderzoek zijn de door appellant geregistreerde uren vergeleken met het formeel planningssysteem (Plan plus) en de uren uit het roosteradministratiesysteem waaruit de betaling van de uren voortkomt (Harmony). Uit dat onderzoek is gebleken dat appellant uren heeft gedeclareerd die hij niet heeft gewerkt.

1.3.

Na een voornemen daartoe, waarop appellant zijn zienswijze heeft gegeven, is hem bij besluit van 31 januari 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 januari 2016 (bestreden besluit), met onmiddellijk ingang de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Het bestuur heeft appellant verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim bestaande uit het op zeer doordachte wijze registreren van meer uren dan feitelijk is gewerkt in de periode van 1 januari 2014 tot en met november 2014.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat appellant een groot aantal uren niet juist heeft geregistreerd. Om hoeveel uren het precies gaat, heeft de rechtbank in het midden gelaten. Dat gedrag heeft de rechtbank aangemerkt als ernstig plichtsverzuim. Dat het plichtsverzuim appellant kan worden toegerekend is niet in geschil. Voorts overweegt de rechtbank dat het bestuur de verklaring van appellant voor de onjuiste registratie, namelijk dat hij slordig is geweest in zijn urenverantwoording, omdat hij de prognoselijst (een soort agenda met een inschatting van zijn (extra) werkzaamheden) in plaats van de definitieve (over)werklijst ter verwerking heeft aangeboden, heeft kunnen verwerpen. De rechtbank acht het met het bestuur ongeloofwaardig dat appellant tot negen keer toe de onjuiste (prognose)lijst zou hebben aangeboden. Bovendien komen de ingeboekte uren volgens de rechtbank niet altijd overeen met de gegevens van de prognoselijsten. Hieruit heeft het bestuur mogen afleiden dat appellant op doordachte wijze onjuiste uren heeft gedeclareerd. De rechtbank acht de opgelegde disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig; het bestuur heeft zwaar mogen laten meewegen dat appellant een voorbeeldfunctie als leidinggevende had.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank onjuiste feiten aan haar uitspraak ten grondslag heeft gelegd. Appellant heeft niet negenmaal dan wel stelselmatig onjuiste gegevens ingevoerd. In zijn aanvullend hoger beroepschrift heeft hij uitvoerig betoogd dat hij slechts twee foute registraties heeft gemaakt, waarbij in totaal 52 uren onjuist zijn geregistreerd. Verder heeft hij een aantal andere factoren aangevoerd die onjuistheden in de registratie kunnen hebben veroorzaakt. Appellant stelt samenvattend dat hij niet doordacht en stelselmatig heeft gehandeld om zich te bevoordelen. Zijn handelen levert niet een zodanig ernstig plichtsverzuim op dat strafontslag daaraan evenredig is.

3.2.

Het bestuur heeft gemotiveerd verweer gevoerd en bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Daarbij heeft het bestuur erop gewezen dat appellant pas kort voor de zitting in hoger beroep op vele punten met een andere voorstelling van zaken is gekomen dan hij in eerdere fasen van de procedure heeft geschetst. Samenvattend blijft het bestuur bij zijn conclusie dat zeer doordacht is gehandeld, mede gelet op de wisselende verklaringen van appellant en het feit dat zo vaak is gemuteerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft betoogd dat hij door onzorgvuldigheden die het bestuur in de procedure heeft begaan niet eerder in staat is geweest om na te gaan hoe het met zijn urenregistratie is gegaan, en dat hij daar pas in de laatste fase van het geding in hoger beroep, in zijn aanvullend hoger beroepschrift van 29 augustus 2017, uitleg over heeft kunnen geven. Met het bestuur ziet de Raad geen grond om te concluderen dat de procedure onzorgvuldig is geweest; appellant heeft, nadat hij op 17 november 2014 door zijn leidinggevende werd aangesproken op zijn forse aantal overuren en het meer declareren dan collega’s, van meet af aan de gelegenheid gekregen de gedeclareerde uren te onderbouwen. De Raad ziet voorts niet in dat appellant unfair zou zijn behandeld doordat collega’s blijkens een e-mail van

24 november 2014 in de gelegenheid zijn gesteld nog eens een kritische blik te werpen op hun declaraties en die van hun mensen en die zo nodig te herstellen; deze e-mail was immers ook aan appellant gericht en hij had dus ook van deze gelegenheid gebruik kunnen maken.

4.2.

Appellant heeft voorts betoogd dat het systeem Harmony niet goed werkte en onbetrouwbaar was. Zo zou het voorkomen dat gegevens wegraakten uit het systeem. Dat zou een verklaring voor bepaalde verschillen in registratie kunnen zijn. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat het systeem mede debet is aan de registratiefouten. De rechtbank heeft er terecht op gewezen dat het systeem voor alle medewerkers gelijk is en niet gebleken is dat bij collega’s dergelijke grote verschillen in registratie zijn geconstateerd. Aan de twee verklaringen van oud-collega’s die appellant in hoger beroep heeft ingebracht, waarin onder meer wordt gesteld dat het hen bekend is dat medewerkers een verschillende manier van uren declareren gebruikten, kan de Raad geen betekenis hechten, nu het gaat om vrijwel gelijkluidende verklaringen van een medewerker die vanwege declaratiefraude is ontslagen en een medewerker die vanwege arbeidsongeschiktheid al niet meer werkzaam was op het moment dat het systeem in gebruik is genomen.

4.3.

Dat de collega’s die op verzoek van appellant zijn gegevens invoerden fouten zouden hebben gemaakt heeft appellant niet aannemelijk gemaakt. Het bestuur heeft dit genoegzaam weerlegd met concrete verklaringen dat de desbetreffende medewerkers secuur werkten en dat nooit een fout bij hun verwerking van uren is geconstateerd.

4.4.

Voor de Raad heeft appellant in het geheel niet aannemelijk gemaakt dat, zoals hij in zijn aanvullend hoger beroepschrift heeft gesteld, veel mutaties ook zonder medeweten van appellant plaatsvonden doordat verdwenen gegevens opnieuw moesten worden ingevoerd of foutief ingevoerde gegevens moesten worden gecorrigeerd. Dat dit zo ging op alle kazernes voor al het personeel heeft hij evenmin aannemelijk gemaakt.

4.5.

Ook de stelling van appellant dat een deel van de onjuiste registraties wordt veroorzaakt door functiewijzigingen is niet aannemelijk gemaakt. De Raad volgt de weerlegging door het bestuur, inhoudend dat een functiewijziging geen mutatie in Harmony oplevert, omdat in het systeem geen functies op persoonsniveau worden geregistreerd, en dat alleen een wijziging in de tijdregistratie een mutatie in Harmony achterlaat.

4.6.

In zijn aanvullend hoger beroepschrift is appellant teruggekomen van zijn - herhaaldelijk gegeven - verklaring dat hij in de loop van het jaar meerdere keren per abuis zijn prognoselijst heeft gegeven aan een van de planners ter verwerking in Harmony; daardoor zouden er verkeerde mutaties zijn uitgevoerd, omdat de prognoselijst geen getrouwe weergave geeft van de definitief gewerkte uren, die appellant in zijn overwerklijst zou hebben bijgehouden. Zijn meest recente verklaring luidt, dat hij aanvankelijk heeft gesproken over één prognoselijst en dat zijn latere verklaringen waarin van meerdere prognoselijsten sprake is, uit verwarring voortkwamen. Feit is, volgens appellant, dat hij maar één keer, op 9 oktober 2014, per ongeluk een prognoselijst heeft afgegeven die op 21 oktober 2014 is verwerkt. De mutaties die op grond van deze prognoselijst zijn uitgevoerd, zouden een sluitende verklaring vormen voor de onjuiste urenregistraties die zien op 13 januari, 10 februari, 14 april, 17 april, 19 mei en 4 september 2014. Dit betreft 49,5 van de 52 uren die volgens appellant onjuist zijn geregistreerd; nominaal gaat het om 31 uren; het overwerkpercentage vertekent het aantal fors, aldus appellant. De overige 2,5 uren zijn toe te schrijven aan een ter mutatie doorgegeven foutief overwerkpercentage op 3 maart 2014. Bij de overige omstreden registraties van in totaal 55,25 uren gaat het om verschillen van mening; appellant meent dat hij deze uren terecht heeft geschreven, terwijl het bestuur met verwijzing naar collega’s die minder uren hebben geschreven voor dezelfde activiteiten de registraties onjuist acht.

4.6.1.

Met het bestuur acht de Raad ongeloofwaardig dat de zes verkeerde mutaties zouden zijn toe te schrijven aan slechts één per ongeluk ingediende prognoselijst. Het bestuur heeft er terecht op gewezen dat dit niet alleen niet strookt met voorafgaande verklaringen van appellant, maar dat bovendien de lijst van 9 oktober 2014 op onderdelen afwijkt van de mutaties in Harmony; daardoor is geen verklaring gegeven voor het feit dat in de lijst geen activiteit op 18 maart 2014 is opgenomen, terwijl die wel in Harmony is opgenomen; evenmin is verklaard dat de lijst twaalf uur op 25 juni 2014 vermeldt, terwijl in Harmony vijftien uur is geregistreerd. De Raad acht veeleer aannemelijk dat, zoals uit de gedingstukken is op te maken, appellant op een aantal momenten, verspreid over het jaar, onjuiste mutaties heeft laten aanbrengen in Harmony. Daarbij kan in het midden blijven of dit is geschied door middel van het meermalen inleveren van een prognoselijst of door middel van korte briefjes of mondelinge mededelingen. Het bestuur heeft voorts terecht gesteld dat appellant zelf verantwoordelijk is en blijft voor deze mutaties, ook al liet hij deze in de praktijk door anderen uitvoeren.

4.7.

Wat betreft de overige omstreden urenregistraties - die zien op 8 januari, 28 februari,

5 maart, 18 maart, 3 en 4 juni, 13 juni, 25 juni, 31 juli en 18 augustus 2014 en die in totaal 55,25 uren betreffen - stelt de Raad vast dat het hierbij meermalen ging om opgave van meer uren dan collega’s voor dezelfde activiteit hadden opgegeven. Dat appellant meer uren nodig had omdat hij voorzitter was en de vergadering moest voorbereiden, heeft hij niet aannemelijk gemaakt; zeker nu het ook ging om extra uren na afloop van de activiteit. De Raad kent voorts betekenis toe aan de verklaring van het bestuur, dat appellant in 2014 164 vrijgemaakte uren tot zijn beschikking had, dat wil zeggen uren die vrijgemaakt waren van repressieve dienst en die juist bedoeld waren voor voorbereidende, administratieve taken. Daarmee strookt niet dat ook nog eens extra uren voor deze voorbereiding worden geschreven. Daarnaast ging het om het hanteren van een hoger overwerkpercentage dan volgens de overwerkregeling was toegestaan; waarbij de korpschef nog een systeemfout met betrekking tot de vergoeding van 125% dan wel 150% buiten beschouwing heeft gelaten.

4.8.

Appellant heeft zich beroepen op een e-mailbericht van 30 juli 2015, waarin wordt aangekondigd dat de directie een werkgroep heeft ingesteld “die heldere en transparante kaders moet formuleren om het declareren binnen de [regio] voor alle medewerkers op een juiste manier te laten plaatsvinden”. Uit die e-mail is volgens hem af te leiden dat de regels voor het declareren onduidelijk waren. Het bestuur heeft ter zitting van de Raad de betekenis van deze e-mail gerelativeerd door te stellen dat deze e-mail met name voor de vrijwillige brandweer bedoeld was en dat het vooral ging om onduidelijke verschillen tussen categorieën van personeel, zoals vrijwilligers en beroepspersoneel. Volgens het bestuur zouden de meeste mensen heel goed weten welke regels op hen van toepassing zijn; dat zou ook voor appellant moeten gelden, gelet op zijn verantwoordelijke positie.

4.8.1.

De Raad is van oordeel dat de e-mail een ruimere strekking had dan het bestuur heeft gesteld en dat uit de bewoordingen niet anders kan worden afgeleid dan dat deze ook op het beroepspersoneel betrekking had. De Raad kan appellant echter niet volgen in zijn stelling dat alle in 4.7 genoemde gevallen waarin appellant meer uren heeft opgegeven dan zijn collega’s zijn te herleiden tot een verschil in uitleg van onduidelijke regels. Appellant heeft niet per geval concreet gemaakt welke regel redelijkerwijs verschillend kon worden uitgelegd. De Raad stelt vast dat het ten aanzien van 8 januari, 28 februari en 18 maart 2014 ging om het schrijven van extra uren voor voorbereidingen, terwijl appellant daarvoor 164 vrijgemaakte uren per jaar tot zijn beschikking had. Een verschil in uitleg van regels is daarbij niet aan de orde. Evenmin is zo’n verschil in uitleg aan de orde bij gevallen, met name 31 juli en

18 augustus 2014, waar de korpschef gerede twijfel had of appellant wel bij een vergadering aanwezig was geweest.

4.8.2.

Met de korpschef acht de Raad niet aannemelijk dat appellant niet op de hoogte was van de geldende regels voor het declareren van overwerk, nu hij als wachtcommandant verantwoordelijk was voor de juiste toepassing van die regels bij zijn collega’s. Voor zover appellant reden tot twijfel had over hoe een regel moest worden uitgelegd had het - gelet op zijn verantwoordelijke positie - op zijn weg gelegen om dit bij zijn collega’s of leidinggevende aan te kaarten.

4.9.

Samenvattend is de Raad van oordeel dat - ook indien rekening wordt gehouden met de mogelijkheid dat bepaalde onjuiste declaraties van appellant zijn toe te schrijven aan onduidelijkheden in de regelgeving en dat in enkele gevallen niet vast staat dat appellant niet aanwezig is geweest bij activiteiten waarvoor hij overwerk heeft gedeclareerd - niettemin de conclusie van de rechtbank overeind blijft dat appellant een groot aantal uren niet juist heeft geregistreerd. Voor de Raad staat vast dat het hier gaat om mutaties die verspreid over het jaar hebben plaatsgevonden door of op aangeven van appellant, die daarvoor volledig verantwoordelijk kan worden gehouden. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het gaat om een niet-integere handelwijze die toerekenbaar ernstig plichtsverzuim oplevert, waarvoor het bestuur bevoegd was appellant disciplinair te straffen.

4.10.

Met de rechtbank acht de Raad de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig aan de aard en ernst van het vaststaande plichtsverzuim. De Raad laat in het midden of de handelwijze van appellant als “zeer doordacht” is aan te merken, zoals het bestuur heeft betoogd. Gelet op de schaal en de spreiding over de gehele onderzochte periode staat voor de Raad vast dat sprake is geweest van het stelselmatig schrijven van een groot aantal overwerkuren waarvan appellant wist of behoorde te weten dat hij daar geen aanspraak op had. Het bestuur heeft zwaar mogen laten wegen dat appellant een voorbeeldfunctie had als leidinggevende die mede verantwoordelijk was voor de juiste toepassing van de regels door anderen. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat het bestuur aan het belang van de dienst meer belang heeft mogen toekennen dan aan het lange dienstverband van appellant en aan de omstandigheid dat hij over enkele maanden de dienst zou verlaten met functioneel leeftijdsontslag.

4.11.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en H. Benek en J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 november 2017.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) L.V. van Donk

HD