Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:41

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-01-2017
Datum publicatie
16-01-2017
Zaaknummer
15/1482 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Besluit waarin hoofdelijke aansprakelijkheid voor appellant wordt vastgesteld. Is geen besluit tot terugvordering. Bezwaar had niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2017/85
USZ 2017/76 met annotatie van H.W.M. Nacinovic
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/1482 WWB

Datum uitspraak: 10 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

23 januari 2015, 14/2957 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Heerenveen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A. Jansen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak 15/1481 WWB plaatsgehad op

29 november 2016. Namens appellant is verschenen mr. Jansen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.J. van der Veen. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

[Naam A] (A) ontving sinds 1 januari 2012 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande ouder. Bij besluit van 17 februari 2014 heeft het college de bijstand van A ingetrokken per 1 februari 2013 en de kosten van bijstand over de periode van 1 februari 2013 tot en met 31 januari 2014 tot een bedrag van € 16.915,25 van A teruggevorderd. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat A en appellant ten tijde in geding een gezamenlijke huishouding voerden op het adres van A zonder daarvan melding te maken bij het college. Het college heeft bij brief van 17 februari 2014, gericht aan appellant, kenbaar gemaakt dat appellant hoofdelijk aansprakelijk is voor de vordering.

1.2.

Bij besluit van 4 juni 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen de brief van 17 februari 2014 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 4 juni 2014 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 59, tweede lid, van de WWB, voor zover hier van belang, kunnen, indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de verplichtingen, bedoeld in artikel 17 van de WWB niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van bijstand mede worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden. Artikel 59, derde lid, van de WWB bepaalt dat de in het eerste en tweede lid bedoelde personen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de terugbetaling van kosten van bijstand die worden teruggevorderd.

4.2.

De Raad stelt - ambtshalve - vast dat de brief van 17 februari 2014 geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht bevat om de ten behoeve van A gemaakte kosten van bijstand mede van appellant terug te vorderen. Deze brief vermeldt uitsluitend dat appellant hoofdelijk aansprakelijk is voor de vordering van het college op A tot een bedrag van € 16.915,25. Dit heeft het college desgevraagd ter zitting ook bevestigd. De uit artikel 59, derde lid, van de WWB voortvloeiende hoofdelijke aansprakelijkheid kan echter eerst aan de orde zijn als een besluit tot medeterugvordering van de in het tweede lid van dit artikel bedoelde persoon is genomen. Aangezien de brief van 17 februari 2014 geen aan appellant gericht besluit tot terugvordering bevat, had om die reden het bezwaar tegen die brief niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

4.3.

Uit 4.2 volgt dat het hoger beroep van appellant slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren, het besluit van 4 juni 2014 vernietigen en het bezwaar

niet-ontvankelijk verklaren.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze worden begroot op € 990,- in bezwaar, € 990 in beroep en € 990,- in hoger beroep, in totaal dus

€ 2.970,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 4 juni 2014;

- verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.970,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut als voorzitter en A.M. Overbeeke en

M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2017.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) C. Moustaïne

HD