Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4095

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-11-2017
Datum publicatie
29-11-2017
Zaaknummer
15/2547 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het oordeel van de rechtbank dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat er bij haar ten tijde in geding sprake was van een ziekte of gebrek, ten gevolge waarvan zij in de verzekerde periode niet in staat is geweest haar werk te verrichten, is juist. De rechtbank heeft dit oordeel deugdelijk gemotiveerd. De in hoger beroep door appellante ingebrachte medische informatie geeft geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

5 maart 2015, 13/1034 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 31 augustus 2015 heeft L.C.M. Walsteijn namens appellante de gronden van het hoger beroep ingediend en daarbij een aantal stukken overgelegd, waaronder een rapport van verzekeringsarts R.A. Hollander.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door Walsteijn. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.I. Damsma.

Het onderzoek is heropend na de zitting. Partijen hebben nadere stukken ingediend en toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk voor gemiddeld 80 uur per maand werkzaam geweest als dierenartsassistente. Op 1 oktober 2005 heeft zij ontslag genomen en nadien geen betaalde arbeid meer verricht.

1.2.

Appellante heeft op 24 juni 2012 een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingediend. Daarbij heeft appellante te kennen gegeven dat zij sinds 1 juni 1999 (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt is. Ter onderbouwing van haar aanvraag heeft zij, onder meer, medische informatie overgelegd van haar behandelend huisarts en brieven van haar behandelend internist-hematoloog van 2 april 2007 en 11 juni 2007. Uit de brief van de internist van 2 april 2007 komt naar voren dat voor appellante als meest waarschijnlijke diagnose polycythaemia vera (PV) kan worden gesteld. Op dat moment was de haematocrietwaarde echter niet verhoogd.

1.3.

Naar aanleiding van deze aanvraag heeft een verzekeringsarts van het Uwv op 15 januari 2013 gerapporteerd dat de door appellante ingediende stukken geen medisch objectieve gegevens bevatten die erop wijzen dat zij op 1 juni 1999 beperkt was in haar mogelijkheden als rechtstreeks en objectiveerbaar gevolg van ziekte. Bij appellante is medio maart 2007 een beginstadium PV, een chronische ziekte van het beenmerg, vastgesteld. Afgaande op de brief van de hematoloog van 11 juni 2007 was er in mei 2007 nog sprake van een normaal inspanningsvermogen bij onderzoek naar mogelijke hartklachten en deden zich geen complicaties voor. Volgens de verzekeringsarts kan op grond van de gegevens worden gesteld dat appellante in mei 2007, en misschien ook toen zij nog verzekerd was (inclusief nawerking tot eind oktober 2005), mogelijk beperkt was voor evident zware inspanning, maar wel tot normaal functioneren in staat was conform de vrij lage normwaarden van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS), zoals deze gelden voor gezonde mensen tussen 16 en 65 jaar.

1.4.

Mede gelet op een rapport van 1 maart 2013 van een arbeidsdeskundige van het Uwv over de werkbelasting van appellante in haar voormalige functie, heeft de verzekeringsarts op 25 maart 2013 geconcludeerd dat appellante in de periode waarin zij verzekerd was (tot

1 oktober 2005) medisch geschikt was voor haar eigen werk als dierenartsassistente. Daarop heeft het Uwv appellante bij besluit van 19 april 2013 te kennen gegeven dat zij niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

1.5.

Bij besluit van 22 augustus 2013 heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 19 april 2013 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit berust op een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv van 21 augustus 2013, die het rapport van de primaire verzekeringsarts heeft onderschreven. Een door appellante overgelegde brief van haar behandelend internist van 16 juli 2013, waarin deze te kennen heeft gegeven dat bij appellante sinds 2001 sprake is van essentiële trombocytose is geen aanleiding voor een ander oordeel geweest. Hiertoe heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep te kennen gegeven dat de primaire verzekeringsarts de mogelijkheid heeft opengelaten dat appellante in de verzekerde periode beperkt zou kunnen zijn voor evident zware inspanning. Voorts is uit een in mei 2007 bij appellante afgenomen inspanningstest gebleken dat zij toentertijd nog steeds normaal belastbaar was.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vooropgesteld dat tussen partijen in geding is of appellante op of na 1 juni 1999, maar voor 1 oktober 2005, arbeidsongeschikt is geworden en of die arbeidsongeschiktheid sindsdien 52 weken heeft geduurd. Voorts heeft de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 9 april 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BM0839) overwogen dat gelet op de lange tijd die is verstreken tussen de datum waarop appellante stelt arbeidsongeschikt te zijn geworden en het moment waarop zij haar aanvraag heeft ingediend, eventuele twijfel over het moment van intreden van de arbeidsongeschiktheid en andere relevante data voor risico van appellante komt.

2.2.

De rechtbank heeft bij haar oordeel in het bijzonder betekenis gehecht aan het door appellante ingediende rapport van 18 juni 2014 van internist-hematoloog

dr. P.A.W. Te Boekhorst. Deze heeft op basis van de door appellante eerder ingebrachte medische informatie vooropgesteld dat

- ‘‘[ bij appellante] de diagnose polycythemia vera (PV) is vastgesteld. Dit is een aandoening die valt in de categorie myeloproliferatieve neoplasieën (MPN). Alhoewel deze aandoening in 2006 gediagnosticeerd werd, is deze aandoening in retrospectie in ieder geval vanaf 2001 aanwezig geweest.

- De behandeling heeft bestaan uit het geven van medicatie (aspirine, hydroxycarbamide) en aderlatingen, zoals gebruikelijk is bij deze aandoening.

- [ Appellante] heeft diverse somatische klachten ondervonden en gemeld bij haar behandelaren. De relatie tussen haar klachten en aandoening werd hierbij ten onrechte niet bevestigd.’’

Dit heeft Te Boekhorst geleid tot de volgende beschouwing:

‘‘Appellante is geruime tijd (vele jaren) bekend met gewrichtsklachten waarbij beoordeling door een reumatoloog plaats heeft gevonden. Volgens de beoordeling van de reumatoloog is er geen sprake van een reumatologische aandoening in engere zin. Hieruit concludeer ik dat de klachten van [appellante] direct gerelateerd zijn aan haar onderliggende myeloproliferatieve aandoening (MPN). In de medische literatuur is beschreven dat dit soort klachten, alhoewel niet duidelijk te verklaren, bij MPN-patiënten kunnen voorkomen. Deze klachten zijn individueel sterk variabel en niet gerelateerd aan medicatiegebruik [....]

[Appellante] is bekend met de ziekte van Raynaud, welke diagnose door de reumatoloog is gesteld. Voor zover mij bekend staat deze aandoening los van de onderliggende MPN. Derhalve is het dan ook niet duidelijk in hoeverre de klachten veroorzaakt door beide aandoeningen elkaar kunnen versterken.

De klachten welke ervaren worden door [appellante] en interfereren met haar kwaliteit van leven en dagelijks functioneren, kunnen heel goed in het kader van de onderliggende MPN gezien worden. Ook hiernaar is wetenschappelijk onderzoek verricht. In de publicatie worden de door [appellante] gemelde klachten ook beschreven, waarbij de ernst van de ziekte niet altijd bepalend is voor de ernst van de klachten of het stadium van de ziekte. In diverse onderzoeken komen vooral ook hevige moeheidsklachten naar voren welke soms ook invaliderend kunnen zijn. Daar [appellante] deze klachten al langere tijd ervaart, zou het heel goed mogelijk kunnen zijn dat de MPN al geruime tijd voor het stellen van de diagnose aanwezig was. Dit blijkt ook al uit het feit dat in 2001 het aantal bloedplaatjes in het bloed al pathologisch verhoogd was en de diagnose pas definitief in 2007 werd gesteld. Een verhoogd aantal bloedplaatjes vormt een kenmerkend onderdeel van de aandoening waaraan [appellante] lijdt. Daar de klachten in 1999 in hevige vorm zijn opgetreden doet dan ook vermoeden dat deze aandoening destijds dan ook al aanwezig geweest zal zijn’’.

2.3.

In zijn rapport van 25 augustus 2014 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep te kennen gegeven in het rapport van Te Boekhorst geen aanleiding te hebben gezien voor het innemen van een ander standpunt. Het feit dat Te Boekhorst heeft geconcludeerd dat de aandoening van appellante in ieder geval vanaf 2001 aanwezig is geweest, betekent volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep nog niet dat er bij appellante op dat moment al sprake was van beperkingen in termen van het CBBS. Dit klemt volgens hem te meer omdat in de brief van 18 mei 2001 van de neuroloog Kuipers is vermeld dat het bloedbeeld (inmiddels weer) normaal was.

2.4.

Volgens de rechtbank is uit de door Te Boekhorst vermelde medische gegevens en de interpretatie die hij hieraan geeft op te maken dat appellante ten tijde in geding klachten had die kunnen zijn veroorzaakt door PV. Duidelijk is dat appellante ziek is. Het dossier bevat echter geen aanknopingspunten voor een daadwerkelijke ziekmelding van appellante in de in geding zijnde periode. Dat appellante zich genoodzaakt zag minder te gaan werken kan passen in het beeld dat zij beperkingen ervoer ten gevolge van PV. Aan de hand van dossiergegevens is dat echter niet aannemelijk geworden. De rechtbank is dan ook tot de slotsom gekomen dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat er bij haar ten tijde in geding sprake was van een ziekte of gebrek, ten gevolge waarvan zij in de verzekerde periode niet in staat is geweest haar werk te verrichten.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante rapporten van verzekeringsarts Hollander van, onderscheidenlijk, 24 augustus 2015 en 30 augustus 2016 overgelegd. Hollander heeft zich op basis van eigen onderzoek en de in het dossier aanwezige gegevens op het standpunt gesteld dat de eerste ziektedag gesteld kan worden op 18 januari 2005, het moment waarop appellante in verband met een problematische zwangerschap in het ziekenhuis werd opgenomen, of op 4 april 2005, de eerste ziektedag na afloop van de aan appellante toegekende uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg. Uit de vermelde onderzoeksgegevens blijkt dat er in deze periode sprake was van een (sterk) verhoogd aantal trombocyten.

3.2.

In zijn verweerschrift heeft het Uwv vooropgesteld dat uit de verzekeringsgeneeskundige rapporten die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen blijkt dat – afgezien van een ziekenhuisopname wegens een problematische zwangerschap eind 2004 – vanaf 1 juni 1999 tot het moment waarop appellante per 1 september 2005 (opnieuw) ontslag heeft genomen, geen moment is aan te wijzen waarop appellante ten gevolge van ziekte of gebrek arbeidsongeschikt is geworden voor haar werk als dierenartsassistente, laat staan dat wordt voldaan aan de in artikel 19 van de WAO opgenomen voorwaarde dat die arbeidsongeschiktheid 52 weken heeft voortgeduurd. Uit hetzelfde rapport blijkt dat in verband met de zogenaamde nawerking de maand september 2005 mede in ogenschouw is genomen. Hoewel dit volgens het Uwv niet duidelijk tot uiting komt in het primaire besluit, is tevens beoordeeld of appellante aanspraak kan maken op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Dit volgt uit het feit dat de beoordeling mede betrekking heeft op de periode vanaf 1 januari 2004, en een werknemer die op of na 1 januari 2004 arbeidsongeschikt is geworden, is verzekerd voor de Wet WIA en niet meer voor de WAO, zoals (onder meer) uit artikel 16 van de WAO volgt.

3.3.

Met betrekking tot het rapport van Te Boekhorst heeft het Uwv te kennen gegeven dat niet wordt weersproken dat appellante in ieder geval sinds 2001 een aandoening heeft die valt onder de groep MPN, maar dat hiermee niet vast staat dat appellante vanaf dat moment medisch gezien niet in staat was om haar werkzaamheden te verrichten. Volgens het Uwv is er onvoldoende medische informatie voorhanden waaruit blijkt dat appellante vanaf 1999 tot 1 januari 2015 wegens deze aandoening te kampen had met zodanige beperkingen voor arbeid dat zij voor haar functie van dierenartsassistente arbeidsongeschikt is geworden en gebleven.

3.4.

Met betrekking tot het rapport van Hollander heeft het Uwv te kennen gegeven dat niet ter discussie staat dat appellante in ieder geval vanaf het moment van ziekenhuisopname begin 2005 niet in staat was haar werkzaamheden te verrichten. Door Hollander wordt echter niet aan de hand van medische gegevens onderbouwd dat er na afloop van het bevallingsverlof sprake is van zodanige beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek dat appellante niet meer in staat was haar werkzaamheden te verrichten. Volgens het Uwv is er onvoldoende basis om aan te nemen dat appellante na afloop van haar bevallingsverlof in 2005 nog steeds als arbeidsongeschikt is aan te merken. Door Hollander is slechts in globale zin een aantal beperkingen genoemd, zonder dit verder te onderbouwen met medische gegevens. Aangezien niet is gebleken dat er na afloop van het bevallingsverlof sprake was van voortdurende arbeidsongeschiktheid, heeft het Uwv geen aanleiding gezien om in te gaan op de conclusies van Hollander met betrekking tot het verdere ziekteverlof gedurende de jaren 2006 tot en met 2013.

3.5.

Aangezien de verzekeringsarts tot de slotsom is gekomen dat appellante tijdens de te beoordelen periode mogelijk wel beperkt was voor evident zware inspanning, maar dat zij voor het overige in staat moest worden geacht tot normaal functioneren conform de normaalwaarden van het CBBS, heeft het Uwv ten slotte geen noodzaak gezien voor een meer gedetailleerd onderzoek naar de belasting in de door appellante verrichte functie.

3.6.

Op 15 september 2016 heeft appellante een brief van de haar behandelend internist/hematoloog dr. L.F.R. Span overgelegd. Desgevraagd door appellante heeft Span onder meer te kennen gegeven dat MPN bij 80% van de patiënten met vermoeidheid gepaard gaat, maar dat deze te beschouwen is als een aspecifieke klacht. Daarbij maakt het niet uit in welk stadium de ziekte verkeert. Al in het beginstadium kunnen deze klachten hevig en invaliderend zijn. Volgens Span is niets bekend over de vraag of de ernst van MPN kan worden afgemeten aan de resultaten van ergonomisch onderzoek. Als het bloed stroperig wordt zal bij inspanning meer kans op zuurstoftekort ontstaan, dat aan de hand van het ECG ten tijde van de ergometrie kan worden aangetoond. Span acht het zeer waarschijnlijk dat de symptomen van de ziekte al in 1998/1999 bij appellante aanwezig waren. Afgaande op de door appellante vermelde symptomen acht hij het voorts waarschijnlijk dat appellante beperkingen in haar dagelijks leven ondervond en acht hij het aannemelijk dat appellante al vanaf 1999 en/of 2005 en/of 2007 en later van de ziekte en/of de behandeling beperkingen in het dagelijks leven ondervindt.

3.7.

Bij brief van 20 december 2016 heeft het Uwv te kennen gegeven dat de medische verklaring van Span en zijn beantwoording van de hem door appellante voorgelegde vragen geen reden zijn voor wijziging van het standpunt van het Uwv dat in de periode waarin appellante verzekerd was (1 juni 1999 tot 1 oktober 2005) geen moment valt aan te wijzen waarin appellante onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt voor het eigen werk is geweest. In een rapport van 15 december 2016 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep herhaald dat er diverse inconsistenties zijn in het functioneren van appellante en het achteraf door haar geclaimde onvermogen. Daarbij heeft hij opnieuw gewezen op de door appellante in 2007 afgelegde fietsproef, die destijds geen slechte conditie van appellante heeft uitgewezen. Voorts is niet gebleken dat appellante in verband met de door haar gestelde ernstige vermoeidheid doorlopend hulpverleners heeft geconsulteerd dan wel zich ziek heeft gemeld.

3.8.

Desgevraagd door appellante heeft Span bij brief van 3 februari 2017 te kennen gegeven dat het feit dat iemand een fietstest goed kan uitvoeren op grond van motivatie niet in tegenstelling is tot de vermoeidheid die appellante de hele dag ervaart. Er is een essentieel verschil tussen de kortdurende hoog-belasting bij een fietstest en de langdurige lagere belasting die een dag werken meebrengt.

3.9.

Desgevraagd heeft de heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 22 maart 2017 nader gemotiveerd dat de Raynaud-klachten niet tot gevolg hebben gehad dat appellante haar eigen werk niet zou hebben kunnen verrichten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De door de rechtbank in 2.1 gegeven afbakening van het geding is juist. Onder verwijzing naar de in deze overweging vermelde rechtspraak van de Raad heeft de rechtbank voorts terecht overwogen dat gelet op de lange tijd die is verstreken tussen de datum waarop appellante stelt arbeidsongeschikt te zijn geworden en het moment waarop zij haar aanvraag heeft ingediend, eventuele twijfel over het moment van intreden van de arbeidsongeschiktheid en andere relevante data voor haar risico komt.

4.2.

Het oordeel van de rechtbank dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat er bij haar ten tijde in geding sprake was van een ziekte of gebrek, ten gevolge waarvan zij in de verzekerde periode niet in staat is geweest haar werk te verrichten, is eveneens juist. Met de in 2.2 tot en met 2.4 samengevatte overwegingen heeft de rechtbank dit oordeel deugdelijk gemotiveerd.

4.3.

De in hoger beroep door appellante ingebrachte medische informatie geeft geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Het Uwv heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze informatie onvoldoende concreet en consistent is en dat appellante dientengevolge haar stelling dat zij vanaf 1999 tot oktober 2005 ten gevolge van MPN/PV met zodanige beperkingen voor arbeid te kampen heeft dat zij voor haar functie van dierenartsassistente arbeidsongeschikt is geworden en gebleven onvoldoende heeft onderbouwd. Daarbij heeft het Uwv ook terecht betekenis gehecht aan de resultaten van de door appellante in 2007 afgelegde fietsproef. Voorts heeft het Uwv bij zijn besluitvorming terecht betrokken dat niet gebleken is dat appellante in verband met de door haar gestelde ernstige vermoeidheid doorlopend hulpverleners heeft geconsulteerd en zij zich evenmin ziek heeft gemeld. De in 3.8 vermelde brief van Span van 3 februari 2017 geeft geen aanleiding voor een ander oordeel, omdat deze brief geen betwisting inhoudt van de resultaten van de fietsproef die de verzekeringsartsen in hun beoordeling hebben betrokken.

4.4.

Wat in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen leidt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en

R.E. Bakker als leden, in tegenwoordigheid van A.M.C. de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2017.

(getekend) J.P.M. Zeijen

De griffier is verhinderd te ondertekenen

KS