Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4093

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-11-2017
Datum publicatie
28-11-2017
Zaaknummer
16/2234 AWBZ
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:1569, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verantwoording pgb 2014. In wat appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht heeft de Raad geen steun gevonden om tot een ander oordeel te komen dan waartoe de rechtbank is gekomen. Zorg-leefplan is te summier, niet af te leiden welk deel van de geboden zorg kan worden aangemerkt als zorg die uit het pgb betaald mag worden. Geen andere stukken van [zorgverlener] kunnen verkrijgen, komt voor rekening en risico van appellant. Bij een verzoek om betalingsregeling zal financiële situatie van het gezin van appellant bepalend zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/2234 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 maart 2016, 15/6690 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

VGZ Zorgkantoor B.V. (Zorgkantoor)

Datum uitspraak: 22 november 2017

PROCESVERLOOP

Appellant, wettelijk vertegenwoordigd door zijn ouders [naam 1] en [naam 2] , heeft hoger beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni 2017. Appellant is niet verschenen. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.L.P. van Unnik.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, geboren in 2004, is bekend met een chronische posttraumatische stressstoornis, een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit en visusverlies. Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant heeft appellant, voor zover van belang, geïndiceerd voor begeleiding individueel voor de periode van 1 november 2014 tot en met 31 december 2015. Het Zorgkantoor heeft aan appellant een persoonsgebonden budget (pgb) verleend van netto € 3.592,98 voor de periode van 1 november 2014 tot en met 31 december 2014.

1.2.

Bij besluit van 7 juli 2015 heeft het Zorgkantoor het pgb van appellant voor het jaar 2014 vastgesteld op nihil en een bedrag van € 3.592,98 aan onverschuldigd betaalde voorschotten teruggevorderd. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.3.

Bij besluit van 10 september 2015 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor het bezwaar ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellant niet alle opgevraagde documenten heeft overgelegd. De zorgovereenkomst en de zorgbeschrijving van zorgverlener [zorgverlener] ontbreken. Deze documenten zijn noodzakelijk om de verantwoording te kunnen beoordelen en appellant is verplicht deze documenten aan het Zorgkantoor ter beschikking te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe, samengevat, overwogen dat de verantwoording van het pgb niet voldoet aan de daaraan gestelde eisen. Appellant heeft geen zorgplan en zorgbeschrijving van [zorgverlener] overgelegd. Hierdoor ontbreekt een inhoudelijke beschrijving van de geboden zorg en kan niet worden vastgesteld of de verleende voorschotten zijn besteed aan zorg waarvoor het pgb bedoeld is. Ook uit de overige stukken kan niet worden afgeleid welke zorg appellant heeft ontvangen. Het Zorgkantoor heeft appellant voldoende tijd en gelegenheid gegund voor het inleveren van het zorgplan en de zorgbeschrijving. Het Zorgkantoor was bevoegd het pgb lager vast te stellen en de onverschuldigd betaalde bedragen terug te vorderen. Op basis van de belangenafweging heeft het Zorgkantoor in redelijkheid van deze bevoegdheden gebruik kunnen maken.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft hij, samengevat, aangevoerd dat de term zorgovereenkomst/zorgbeschrijving blijkbaar verkeerd is geïnterpreteerd. De zorgovereenkomst was in beroep al toegestuurd. In hoger beroep wordt ook het zorg-leefplan overgelegd. Appellant kan geen andere informatie van [zorgverlener] verkrijgen. Appellant heeft gesteld dat het pgb aan de zorg is besteed. Ten onrechte is aangenomen dat een terugvordering van het pgb geen ernstige financiële gevolgen heeft. Zijn ouders hebben drie opgroeiende kinderen en de terugvordering zal tot financiële problemen leiden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad verenigt zich met het onder 2 weergegeven oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen waarop dat oordeel berust. De Raad voegt hier het volgende aan toe.

4.2.

In hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht heeft de Raad geen steun gevonden om tot een ander oordeel te komen dan waartoe de rechtbank is gekomen. Het door appellant in hoger beroep overgelegde zorg-leefplan van [zorgverlener] maakt niet dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten het pgb voor 2014 op nihil vast te stellen. Dit plan is te summier en hieruit kan niet worden afgeleid welk deel van de door

[zorgverlener] geboden zorg kan worden aangemerkt als zorg die uit het pgb betaald mag worden. De omstandigheid dat appellant geen andere stukken van [zorgverlener] heeft kunnen verkrijgen komt voor zijn rekening en risico. De door appellant aangevoerde financiële problemen brengen niet mee dat het Zorgkantoor geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om de onverschuldigd betaalde pgb-voorschotten van € 3.592,98 terug te vorderen. Appellant heeft deze problemen niet onderbouwd. Daarnaast kan hij bij het Zorgkantoor om een betalingsregeling verzoeken. De financiële situatie van het gezin van appellant zal bij de beoordeling van dat verzoek bepalend zijn.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een vergoeding in de proceskosten bestaan geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en L.M. Tobé en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 november 2017.

(getekend) J. Brand

(getekend) H. Achtot

KS