Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4092

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-11-2017
Datum publicatie
28-11-2017
Zaaknummer
16/6299 BABW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het college heeft appellant ten onrechte geen gehandicaptenparkeerkaart verleend. Andere aantoonbare ernstige beperkingen dan loopbeperkingen. Appellant is bekend met ernstige psychiatrische stoornissen en is overgevoelig voor zintuiglijke prikkels. Voldoende concrete aanwijzingen dat appellant in zijn directe woonomgeving kan worden blootgesteld aan zodanige prikkels dat zich paniekgevoelens openbaren. Daarmee is sprake van aantoonbare ernstige beperkingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart. De Raad voorziet zelf in de zaak en bepaalt dat aan appellant een gehandicaptenparkeerkaart wordt verstrekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/6299 BABW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
1 september 2016, 16/1633 (aangevallen uitspraak) en het verzoek om schadevergoeding

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden (college)

Datum uitspraak: 22 november 2017

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Mr. M.R. van der Pol, advocaat, heeft zich als raadsman gesteld en nadere gronden en stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting op 11 oktober 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van der Pol. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.C.M. van Hooff.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, geboren in 1976, is bekend met psychische beperkingen.

1.2.

Op 12 april 2010 heeft appellant een aanvraag gedaan om een gehandicaptenparkeerkaart, type bestuurderskaart en type passagierskaart.

1.3.

Op 4 juli 2013 hebben prof. G. Glas (psychiater) en drs. J. Termeer (psychiater in opleiding) een psychiatrisch rapport uitgebracht. Hieruit volgt dat appellant bekend is met een belaste familie-anamnese voor stemmings-, angst- en dwangstoornissen. Hij is onder meer gediagnosticeerd met een obsessieve-compulsieve stoornis, een ongedifferentieerde somatoforme stoornis en een autistische stoornis. Verder kan niet worden uitgesloten dat de bij appellant vastgestelde depressieve symptomen op zichzelf bestaan, zodat ook een ‘depressieve stoornis niet anders omschreven’ is opgenomen in de DSM-IV classificatie. Verder bevat de rapportage de volgende beantwoording van vragen:

“(…)7. In verband met de aanvraag voor een Gehandicapten Parkeerkaart:
a. Wat is de maximale loopafstand van betrokkene?
Op basis van bovenstaand psychiatrisch rapport kan geen uitspraak worden gedaan over wat de maximale loopafstand van betrokkene is. De vermoeidheid en pijnklachten kunnen weliswaar voortkomen uit een van de gestelde psychiatrische stoornissen; het is echter ook dan niet mogelijk te zeggen wat de fysieke capaciteit van betrokkene is of de beperking in de lengtemaat uit te drukken.
b. Zijn er in de situatie van betrokkene medische redenen, waarom hij in aanmerking dient te komen voor een Gehandicapten Parkeerkaart?
In aanmerking komend voor een Gehandicapten Parkeerkaart, moet er sprake zijn (…) of (3) wanneer iemand een ernstige beperking heeft, niet zijnde een loopbeperking. (…)
Ad 3) Betrokkene is lijdende aan een autistische stoornis, een obsessieve-compulsieve stoornis, een ongedifferentieerde somatoforme stoornis en een depressieve stoornis NAO. Vanuit deze psychiatrische stoornissen valt geen maximale loopafstand te bepalen. Deze zal immers per individu verschillen. Bij betrokkene zal de maximale loopafstand afhangen van de hoeveelheid omgevingsprikkels waaronder het aantal onbekende mensen dat zich in de nabije omgeving bevindt. In wezen geldt voor betrokkene dat, hoe meer prikkels en hoe meer onbekende mensen in zijn nabijheid, des te onrustiger, meer gespannen en onveiliger hij zich zal voelen, waarbij de onrust en spanningen zouden kunnen leiden tot paniekgevoelens.(…)”

1.4.

Op 6 maart 2014 heeft appellant een aanvraag gedaan om een tijdelijke

gehandicaptenparkeerkaart, type passagierskaart.

1.5.

Bij besluit van 13 maart 2015 heeft het college de aanvraag van 6 maart 2014 afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat het rapport van Glas zonder toestemming van appellant niet bij de beoordeling kan worden betrokken. Er is niet aangetoond dat appellant vanuit fysieke beperkingen recht heeft op een tijdelijke gehandicaptenparkeerkaart. Er moet nog nader medisch onderzoek plaatsvinden om te kunnen beoordelen of appellant vanwege zijn psychiatrische problematiek eventueel wel rechten zou hebben. Het college kan daarom niet anders dan de aanvraag om een tijdelijke gehandicaptenparkeerkaart afwijzen.

1.6.

Bij besluit van 27 maart 2015 heeft het college de aanvraag van 12 april 2010 afgewezen. Het rapport van Glas bevat volgens het college onvoldoende aanknopingspunten om een gehandicaptenparkeerkaart te verstrekken op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart (Regeling).

1.7.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de onder 1.5 en 1.6 genoemde besluiten.

1.8.

Bij besluit van 8 maart 2016 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellant ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat in het rapport van Glas niet specifiek is geconcludeerd dat appellant een dermate aantoonbare ernstige beperking heeft dat hij op basis daarvan in aanmerking komt voor een gehandicaptenparkeerkaart.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover hier relevant, geoordeeld dat uit de rapportage van Glas niet volgt dat appellant een zodanige beperking heeft dat hij in redelijkheid niet zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter kan lopen. Omdat appellant niet voldoet aan de criteria voor toekenning van een gehandicaptenparkeerkaart, heeft het college terecht en op goede gronden de aanvragen van appellant afgewezen.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft onder verwijzing naar het rapport van Glas, kort gezegd, aangevoerd dat hij vanwege zijn psychische beperkingen wel in aanmerking komt voor een gehandicaptenparkeerkaart. Ook verwijst appellant naar een psychiatrisch rapport van dr. A. Wunderink (psychiater) en dr. S.B. Coffi (arts in opleiding tot psychiater) van 30 september 2015, uitgebracht in verband met de aanvragen van appellant om een bruikleenauto en om hulp bij het huishouden. Appellant heeft verzocht een deskundige te benoemen en heeft verder een verzoek om schadevergoeding gedaan.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 49, eerste lid, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer kan aan een gehandicapte, overeenkomstig de bij ministeriële regeling gestelde criteria, door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij als ingezetene met een adres is ingeschreven in de basisregistratie personen, een gehandicaptenparkeerkaart worden verstrekt.

4.2.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling kunnen voor een gehandicaptenparkeerkaart in aanmerking komen bestuurders en passagiers van motorvoertuigen (…), die ten gevolge van een aandoening of gebrek aantoonbare ernstige beperkingen, andere dan loopbeperkingen hebben.

4.3.

In het psychiatrisch rapport van Wunderink is onder meer het navolgende vermeld. Betrokkene is van kinds af aan bekend met een niet met volledige zekerheid vastgestelde maar vermoedelijk wel juist gediagnosticeerde Stoornis van Asperger (een autisme spectrum stoornis), en sinds zijn 17e voldoet betrokkene aan de criteria van een cluster A persoonlijkheidsstoornis (in het bijzonder een schizotypische persoonlijkheidsstoornis) gepaard met ernstige functionele beperkingen. Betrokkene wordt in het dagelijks leven in ernstige mate belemmerd door de cluster A persoonlijkheidsstoornis (is veel tijd kwijt met dwanghandelingen en rituelen, vermijdt bijna alle contact met de buitenwereld). De persoonlijkheidsstoornis blijft vrijwel altijd gedurende het verdere leven aanwezig en is niet erg goed behandelbaar. In dit geval gaat de stoornis gepaard met ernstige beperkingen in het sociaal functioneren, de dagelijkse levensvaardigheden, de zelfzorg; betrokkene is in sterke mate aan huis gebonden.

4.4.

De Raad overweegt dat uit de rapporten van Glas en Wunderink volgt dat appellant bekend is met ernstige psychiatrische stoornissen. Glas heeft overwogen dat appellant overgevoelig is voor zintuiglijke prikkels. Zijn angst neemt toe door de onvoorspelbaarheid van contact bij het ontmoeten van onbekende mensen. Glas heeft verder vermeld dat hoe meer prikkels en hoe meer onbekende mensen in de nabijheid van appellant zijn, des te onrustiger, meer gespannen en onveiliger hij zich zal voelen, waarbij de onrust en spanningen zouden kunnen leiden tot paniekgevoelens. Ter zitting is besproken dat appellant, die de gehandicaptenparkeerkaart voornamelijk wil gebruiken om dichtbij zijn woning te kunnen parkeren, woont in een wijk in het [gebied] van de gemeente [gemeente] . Er bestaan daarmee voldoende concrete aanwijzingen dat appellant in zijn directe woonomgeving kan worden blootgesteld aan zodanige prikkels dat zich paniekgevoelens openbaren. Daarmee is sprake van aantoonbare ernstige beperkingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling.

4.4.

Het vorenstaande betekent dat het college appellant ten onrechte geen gehandicaptenparkeerkaart heeft verleend. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat aan appellant een gehandicaptenparkeerkaart wordt verstrekt.

4.5.

Gelet op het vorenstaande bestaat geen aanleiding om een deskundige te benoemen. Het verzoek om schadevergoeding zal, nu dit ook desgevraagd niet kon worden onderbouwd, worden afgewezen.


5. Er bestaat aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant.

Deze kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 495,- in bezwaar, € 990,- in beroep en € 990,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 8 maart 2016;
- bepaalt dat het college aan appellant een gehandicaptenparkeerkaart, type bestuurder en type passagier, verleent voor de duur van vijf achtereenvolgende jaren en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 8 maart 2016;
- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.475,-;
- bepaalt dat het college aan appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal € 124,- vergoedt;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en D.S. de Vries en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 november 2017.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) J.W.L. van der Loo

KS