Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4077

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-11-2017
Datum publicatie
27-11-2017
Zaaknummer
17/1109 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Als studerende hetzelfde brp-adres opgeeft waarvan door de minister eerder is vastgesteld dat hij daar niet woonde, mag de minister verlangen dat studerende aantoont, zo veel mogelijk met objectief bewijs, dat hij op de latere datum voldoet aan de vereisten om voor het normbedrag voor een uitwonende studerende in aanmerking te komen. Vaste rechtspraak. Voorbeelden objectieve bewijsstukken. Met juistheid heeft de rechtbank van de verklaringen van de twee familieleden vastgesteld en de vader van appellants neefje dat zij weinig concrete informatie bevatten waaruit kan worden afgeleid dat appellant op 1 januari 2016 op zijn brp-adres woonde. Poststukken van de Belastingdienst en de gemeente Rotterdam zeggen niets over de feitelijke bewoning van het brp-adres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2018/10
RSV 2018/32 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/1109 WSF

Datum uitspraak: 1 november 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 januari 2017, 16/2383 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. van den Ende, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Ende. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber.

OVERWEGINGEN

1.1.

De minister heeft aan appellant studiefinanciering toegekend. Met ingang van 1 juli 2015 is hij daarbij aangemerkt als uitwonende studerende.

1.2.

Na een controle van appellants woonsituatie heeft de minister de toekenning van studiefinanciering aan appellant bij besluit van 23 oktober 2015 met ingang van 1 augustus 2015 herzien en appellant vanaf die datum aangemerkt als thuiswonende studerende, omdat hij niet woonde op het adres waaronder hij in de basisregistratie personen (brp) staat ingeschreven.

1.3.

Het tegen het besluit van 23 oktober 2015 door appellant gemaakte bezwaar is bij besluit van 3 februari 2016 niet-ontvankelijk verklaard. Tegen laatstgenoemd besluit is geen beroep ingesteld.

1.4.

Op 15 december 2015 heeft appellant aan de minister verzocht hem met ingang van

1 januari 2016 aan te merken als uitwonende studerende. Daarbij is geen adreswijziging doorgegeven.

1.5.

Bij besluit van 1 januari 2016 heeft de minister dit verzoek afgewezen.

1.6.

Bij besluit van 4 maart 2016 (bestreden besluit) heeft de minister het tegen het besluit van 1 januari 2016 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat appellant niet heeft aangetoond dat sprake is van een wijziging van omstandigheden. De overgelegde verklaringen van zijn tante en zijn moeder zijn in dit verband onvoldoende, want zij bevatten te weinig concrete informatie om daaruit af te kunnen leiden dat hij inderdaad op het

brp-adres woonde. Uit de verklaring van [naam X] van 18 februari 2016 blijkt dat al helemaal niet. Dat appellant post ontvangt op het brp-adres betekent niet dat hij er ook feitelijk woont. Het lag niet op de weg van de minister om – bijvoorbeeld door middel van een huisbezoek – een nader onderzoek te doen naar de woonsituatie van appellant. Bij een situatie zoals hier aan de orde, waarin een uitwonendenbeurs onvrijwillig is omgezet naar een thuiswonendenbeurs en vervolgens een uitwonendenbeurs wordt aangevraagd voor hetzelfde adres, hanteert de minister het uitgangspunt dat van de aanvrager wordt verlangd aan te tonen dat hij voor de aanspraak in aanmerking komt. De minister slaat daarbij geen acht op de wijze van totstandkoming van de eerdere omzetting. De rechtbank acht dit niet onredelijk, ook al omdat tegen de eerdere omzetting rechtsmiddelen hebben opengestaan. Dit betekent dat de minister geen rekening behoeft te houden met een mogelijke onbevoegdheid van de controleurs die betrokken waren bij het huisbezoek dat ten grondslag ligt aan de eerdere omzetting.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij hoofdverblijf heeft op het adres waaronder hij in de brp is ingeschreven. De rechtbank mag er niet aan voorbijgaan dat het andersluidende standpunt van de minister is gebaseerd op een controle die is uitgevoerd door onbevoegde controleurs en dat het van het huisbezoek opgemaakte rapport daarom als bewijs niet bruikbaar is. Appellant heeft overigens voldoende bewijs, waaronder verklaringen van enkele familieleden, geleverd waaruit blijkt dat het standpunt van de minister feitelijk onjuist is.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In de uitspraak van de Raad van 25 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1928, is overwogen dat indien de studerende een aanvraag indient voor het normbedrag voor een uitwonende studerende en hij hetzelfde brp-adres opgeeft waarvan door de minister eerder is vastgesteld dat hij daar niet woonde, de minister mag verlangen dat deze studerende aantoont, zo veel mogelijk aan de hand van objectief bewijs, dat hij op de latere datum voldoet aan de vereisten om voor het normbedrag voor een uitwonende studerende in aanmerking te komen. Uit deze uitspraak volgt dat de stelling van een studerende dat hij ten tijde van de controle en ook daarna op het brp-adres woonde en is blijven wonen en dat de minister in het verleden dus ten onrechte heeft vastgesteld dat hij daar niet woonde, niet voldoende zal zijn.

4.2.

In het voorliggende geval heeft de minister bij besluit van 23 oktober 2015 vastgesteld dat appellant niet woonde op zijn brp-adres. Dat besluit is in rechte onaantastbaar geworden, zodat de minister bij zijn besluitvorming over de aanvraag van 15 december 2015 van de daarin vastgestelde situatie mag uitgaan. Dat dit besluit mogelijk op onrechtmatig verkregen bewijs zou zijn gebaseerd, doet hieraan niets af. Indien appellant meent dat de minister terug zou moeten komen van dit besluit, moet hij bij de minister een daartoe strekkend verzoek indienen.

4.3.

Een gevolg van het besluit van 23 oktober 2015 is dat appellant bij een nieuwe aanvraag op hetzelfde brp-adres wordt geconfronteerd met de werkwijze van de minister dat de studerende bij die aanvraag bewijs van bewoning van het brp-adres over moet leggen. De bewijsstukken moeten in een dergelijk geval zien op de periode vanaf het moment of vlak voor het moment waarop de studerende (weer) in aanmerking wenst te komen voor het normbedrag voor een uitwonende studerende. Bij deze bewijsstukken valt bijvoorbeeld te denken aan verklaringen van onafhankelijke derden (zoals onder meer een huisarts of een decaan) die berusten op eigen waarnemingen omtrent de woonsituatie, aan een huurovereenkomst, aan bankafschriften, aan een polis van een inboedelverzekering, aan poststukken en aan gedetailleerde getuigenverklaringen van buren, vrienden en/of familie. Uit de (combinaties van) bewijsstukken moet overtuigend naar voren komen dat de studerende op het brp-adres woonachtig is. Voor een studerende die daadwerkelijk op dat adres woont, zal het overleggen van bewijsstukken doorgaans ook geen onoverkomelijke problemen opleveren.

4.4.1.

Appellant heeft bij zijn bezwaarschrift verklaringen van zijn vader en zijn tante overgelegd en een verklaring van de vader van zijn neefje.

4.4.2.

Met juistheid heeft de rechtbank van de verklaringen van de twee familieleden vastgesteld en de vader van appellants neefje dat zij weinig concrete informatie bevatten waaruit kan worden afgeleid dat appellant op 1 januari 2016 op zijn brp-adres woonde.

4.4.3.

Eveneens met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat de poststukken van de Belastingdienst en de gemeente Rotterdam niets zeggen over de feitelijke bewoning van het brp-adres, omdat deze instanties post adresseren aan het brp-adres.

4.5.1.

Appellant heeft ook poststukken overgelegd van afzenders die niet altijd automatisch het brp-adres als postadres gebruiken. Deze poststukken dateren uit de periode oktober 2015 tot en met juli 2016. Verder heeft appellant een op 21 maart 2016 gesloten Beroepspraktijkvormingsovereenkomst BOL overgelegd waarop het brp-adres is vermeld.

4.5.2.

De poststukken uit 2015 voldoen, gelet op het beoogde toekenningsmoment van de uitwonendenfinanciering, niet aan de in 4.3 beschreven eisen. De poststukken uit 2016 zijn beperkt in aantal en afkomstig van slechts drie afzenders. Uitsluitend van het poststuk van 28 januari 2016 kan worden gezegd dat het dateert uit de periode rond het beoogde toekenningsmoment. Van de overeenkomst met het Albeda College en van post uit de maanden februari tot en met juli 2016 kan wel worden gezegd dat zij bewijs van de periode rond de aanvraagdatum zouden kunnen ondersteunen, maar dan moet dergelijk bewijs wel al in ruime mate zijn aangedragen. Dat laatste is, met de onder 4.4.1 bedoelde verklaringen en het poststuk van 28 januari 2016, in de voorliggende zaak niet het geval.

4.6.

Wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.5.2 betekent dat het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak juist is, dat het hoger beroep niet slaagt en dat aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 november 2017.

(getekend) J. Brand

(getekend) B. Dogan

IJ