Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4072

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-11-2017
Datum publicatie
27-11-2017
Zaaknummer
16/6649 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verantwoording besteding pgb. Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant niet heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 2.6.9 van de Rsa. Uit de stukken blijkt onvoldoende dat [zorgverlener 1] en [zorgverlener 2] AWBZ-zorg hebben verleend. Zorgkantoor bevoegd pgb voor 2014 lager vast te stellen. Geen aanknopingspunten voor oordeel dat Zorgkantoor niet in redelijkheid tot belangenafweging heeft kunnen komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 6649 AWBZ

Datum uitspraak: 22 november 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 12 september 2016, 16/1741 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (Zorgkantoor)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.A. Faber, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 5 september 2017 heeft de Raad partijen – onder verwijzing naar zijn uitspraken van 14 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4641 en ECLI:NL:CRVB:2016:4642 – geïnformeerd over zijn rechtspraak ter zake van de verantwoording van zogenaamde pgb’s.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2017. Namens appellant is mr. Faber verschenen. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.D. Saro.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Het Zorgkantoor heeft op grond van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) aan appellant voor het jaar 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) verleend van € 25.592,64 (netto) voor zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Daarbij is aan appellant meegedeeld welke verplichtingen zijn verbonden aan de verlening van het pgb.

1.2.

Bij besluit van 20 mei 2015 heeft het Zorgkantoor het pgb van appellant voor het jaar 2014 vastgesteld op nihil, omdat hij geen verantwoording heeft afgelegd over de besteding van het aan hem verleende pgb. Voorts heeft het Zorgkantoor bepaald dat van appellant een bedrag van € 25.592,64 wordt teruggevorderd. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

1.3.

Bij besluit van 8 maart 2016 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft het Zorgkantoor ten grondslag gelegd dat de alsnog in bezwaar verantwoorde bedragen voor de door zorgverleners [zorgverlener 1] en [zorgverlener 2] verleende zorg niet kunnen worden geaccepteerd. Volgens het Zorgkantoor is de administratie van appellant niet op orde. Daarnaast is niet inzichtelijk gemaakt dat de zorgverleners daadwerkelijk zorg aan appellant hebben verleend, waaruit die zorg heeft bestaan en of die zorg kan worden gekwalificeerd als AWBZ-zorg. Bij een afweging van de belangen heeft het Zorgkantoor geen aanleiding gezien om geen gebruik te maken van zijn bevoegdheden om het pgb van appellant lager – en wel op nihil – vast te stellen en de onverschuldigd betaalde voorschotten van hem terug te vorderen. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft voorop gesteld dat de verantwoording van de besteding van het pgb de eigen verantwoordelijkheid van de verzekerde is, ook als deze het beheer van het pgb heeft uitbesteed aan een derde. Volgens de rechtbank heeft appellant niet voldaan aan de verplichtingen die horen bij het ontvangen van het pgb. Het Zorgkantoor was daarom bevoegd het pgb van appellant lager vast te stellen en de onverschuldigd betaalde voorschotten van hem terug te vorderen. In wat appellant heeft aangevoerd, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid van deze bevoegdheden gebruik heeft kunnen maken.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en aangevoerd dat de door hem alsnog in bezwaar verantwoorde bedragen ten onrechte niet zijn geaccepteerd. Volgens appellant blijkt uit de door hem overgelegde stukken dat hij het pgb heeft gebruikt om AWBZ-zorg in te kopen bij zorgverleners [zorgverlener 1] en [zorgverlener 2] . Appellant wijst in dit verband op de met [zorgverlener 2] gesloten zorgovereenkomst alsmede op het zorgplan, het aanvullend zorgplan en het bankrekeningoverzicht van [zorgverlener 1] . Voorts heeft appellant aangevoerd dat voor zover er gebreken zijn ten aanzien van de administratie van het pgb niet hij, maar [zorgverlener 1] verantwoordelijk moet worden gehouden. Appellant is veelvuldig bij [zorgverlener 1] geweest om stukken te krijgen om de besteding van het pgb te verantwoorden, maar heeft deze stukken nooit gekregen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.1.

In artikel 2.6.9, eerste lid, van de op artikel 44 van de AWBZ gebaseerde Rsa is opgenomen welke verplichtingen aan de verzekerde bij de verlening van een pgb worden opgelegd. Ingevolge artikel 2.6.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rsa wordt bij de verlening van het pgb de verzekerde de verplichting opgelegd dat hij het budget uitsluitend gebruikt voor de betaling van zorg, zoals nader bepaald in dat artikelonderdeel.

4.1.2.

Ingevolge artikel 2.6.13, tweede lid, van de Rsa wordt na iedere subsidieperiode de subsidie voor de desbetreffende subsidieperiode vastgesteld.

4.1.3.

Op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de subsidie lager worden vastgesteld indien de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

4.1.4.

Op grond van artikel 4:95, vierde lid, tweede volzin, van de Awb kunnen onverschuldigd betaalde voorschotten worden teruggevorderd.

4.2.

Het bestreden besluit moet worden aangemerkt als een vaststellingsbesluit als bedoeld in artikel 2.6.13, tweede lid, van de Rsa en artikel 4:46 van de Awb. Het bestreden besluit moet ook worden aangemerkt als een terugvorderingsbesluit als bedoeld in artikel 4:95 van de Awb.

4.3.

Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant niet heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 2.6.9 van de Rsa. Daargelaten of appellant heeft voldaan aan de administratieve verplichtingen van de Rsa, blijkt, anders dan appellant stelt, onvoldoende uit de stukken dat [zorgverlener 1] en [zorgverlener 2] hem AWBZ-zorg hebben verleend. Uit het zorgplan en het aanvullend zorgplan volgt dat [zorgverlener 1] van opvatting is dat hij zorg in de vorm van persoonlijke verzorging, begeleiding individueel en begeleiding groep heeft verleend. Welke activiteiten [zorgverlener 1] in dit verband heeft verricht en welke methodes hij heeft gehanteerd, is evenwel niet of niet duidelijk vermeld. Voorts ontbreekt een zorgplan van [zorgverlener 2] , zodat onduidelijk is welke zorg zij heeft verleend. Appellant heeft deze onduidelijkheden niet kunnen wegnemen. Ten aanzien van de zorg ingekocht bij [zorgverlener 1] is enkel verduidelijkt dat appellant in het bedrijf van [zorgverlener 1] heeft gewerkt om een dag- en werkritme op te bouwen en dat [zorgverlener 1] met hem heeft gesproken over zijn verslaving en heeft geprobeerd hem te motiveren om zich te laten behandelen voor zijn verslaving. Ten aanzien van de zorg ingekocht bij [zorgverlener 2] is enkel verduidelijkt dat [zorgverlener 2] appellant heeft geholpen in de huishouding en bij de administratie. Dit is onvoldoende om tot het oordeel te kunnen komen dat deze zorg kan worden gekwalificeerd als AWBZ-zorg.

4.4.

Gelet hierop was het Zorgkantoor op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Awb bevoegd het pgb van appellant voor het jaar 2014 lager vast te stellen dan het bij de verlening bepaalde bedrag.

4.5.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9635), dient het Zorgkantoor de discretionaire bevoegdheid om pgb’s lager vast te stellen uit te oefenen met inachtneming van het geschreven en het ongeschreven recht, daaronder begrepen de in artikel 3:4 van de Awb neergelegde verplichting tot evenredige belangenafweging.

4.6.

Wat appellant heeft aangevoerd, biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid tot zijn belangenafweging heeft kunnen komen. Nu niet duidelijk is kunnen worden dat AWBZ-zorg is verleend, is het op nihil vaststellen van het pgb geenszins onredelijk. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, is de verantwoording van de besteding van het pgb de eigen verantwoordelijkheid van de verzekerde. Dat de niet op orde zijnde administratie van het pgb te wijten zou zijn aan [zorgverlener 1] is een omstandigheid die voor rekening en risico van appellant komt (vergelijk de uitspraak van de Raad van
13 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:408). Verder wijst de Raad volledigheidshalve nog op zijn uitspraak van 14 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2408.

4.7.

Voorts zijn door appellant geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het Zorgkantoor niet redelijkerwijs tot terugvordering heeft kunnen overgaan.

4.8.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van S.L. Alves als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 november 2017.

(getekend) J. Brand

(getekend) S.L. Alves

KS