Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4068

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-11-2017
Datum publicatie
28-11-2017
Zaaknummer
15/6754 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken bijstand op grond van onduidelijke financiële situatie. Onderzoek naar aanleiding van opgesteld risicoprofiel, alleenstaande mannen van 55+. Niet aannemelijk gemaakt dat ervaringsgegevens risicoprofiel noodzaakten. Geen zeer gewichtige redenen die gemaakt onderscheid naar geslacht rechtvaardigen. Ongerechtvaardigde discriminatie. Onderzoeksbevindingen vloeien voort uit verboden discriminatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2017/2350
JWWB 2017/332
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 6754 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 30 september 2015, 15/2074 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

Datum uitspraak: 21 november 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Bozbey, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en op vragen van de Raad een reactie en een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2017. Namens appellant is

mr. Bozbey verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. D. Poldermans.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 20 juli 2012 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 10%, met een maandelijkse inhouding van € 198,30 in verband met inkomsten uit onderhuur.

1.2.

In mei 2014 is een medewerker van de Afdeling Bijzonder Onderzoek van de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten van de gemeente Den Haag (medewerker) een onderzoek gestart op basis van een query, waarin alle inwonende, alleenstaande mannen van 55 jaar en ouder waren opgenomen. Deze groep werd beschouwd als risicoprofiel en klanten voorkomend op de lijst zouden worden gescreend op fraudesignalen. Uit de screening bleek dat bij appellant mogelijk sprake was van een gezamenlijke huishouding. Dit vermoeden bleek al bij de aanvraag in 2012, maar hiernaar was onvoldoende onderzoek verricht. Uit de Facebookpagina van appellant bleek dat dit vermoeden nog steeds bleek te bestaan.

1.3.

Naar aanleiding van de screening heeft de medewerker een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft hij onder meer dossieronderzoek gedaan, bankafschriften bij appellant opgevraagd, een huisbezoek aan de woning van appellant gebracht en appellant op 29 juli 2014 en 21 augustus 2014 gehoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 5 september 2014.

1.4.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

12 september 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 maart 2015 (bestreden besluit), de bijstand met ingang van 1 januari 2014 in te trekken en de over de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 augustus 2014 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 4.242,33 van appellant terug te vorderen. De besluitvorming berust op de grond dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen duidelijkheid te verschaffen over zijn financiële situatie als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 1 januari 2014 tot en met 12 september 2014.

4.2.

Appellant heeft aangevoerd dat het college, door gebruik te maken van het risicoprofiel als vermeld in 1.2, een ongerechtvaardigd onderscheid heeft gemaakt naar leeftijd en naar geslacht. Dit is in strijd met het discriminatieverbod zoals neergelegd in verschillende bepalingen van internationaal recht. De onderzoeksbevindingen die uit het daarop volgende onderzoek zijn verkregen moeten daarom buiten beschouwing worden gelaten, zodat onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor de intrekking en terugvordering van de bijstand.

4.3.

Ingevolge artikel 53a van de WWB is het college bevoegd om een onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand. Zoals de Raad vaker heeft overwogen (bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2481), is een bijstandverlenend orgaan in beginsel bevoegd om met het oog op effectiviteit, efficiëntie en kostenbesparing en wegens het grote belang van bestrijding van onjuist gebruik van sociale voorzieningen, bij het toepassen van de algemene onderzoeksbevoegdheid risicoprofielen toe te passen. Daarbij mag echter niet in strijd worden gehandeld met het discriminatieverbod zoals onder meer opgenomen in artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 1 van Protocol 12 bij het EVRM.

4.4.

Artikel 1 van Protocol 12 bij het EVRM luidt in de Nederlandse vertaling:

1. Het genot van elk in de wet neergelegd recht moet worden verzekerd zonder enige discriminatie op welke grond dan ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.

2. Niemand mag worden gediscrimineerd door enig openbaar gezag op met name een van de in het eerste lid vermelde gronden.

4.5.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 12 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4180), is volgens constante rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) een verschil in behandeling voor de toepassing van artikel 14 van het EVRM en daarmee voor toepassing van de onder 4.4 geciteerde bepaling discriminerend als het niet objectief gerechtvaardigd is, dat wil zeggen als met het onderscheid geen gerechtvaardigd doel wordt nagestreefd of als de gehanteerde middelen niet in een redelijke proportionaliteitsrelatie staan tot het nagestreefde doel. De verdragsstaten beschikken over een zekere beoordelingsmarge bij de vaststelling of en in welke mate verschillen in overigens gelijksoortige situaties een verschil in behandeling rechtvaardigen. De omvang van deze beoordelingsmarge is primair afhankelijk van de aard van het gemaakte onderscheid. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 24 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9855), is volgens constante rechtspraak van het EHRM een verschil in behandeling uitsluitend op grond van geslacht alleen dan toegelaten als daarvoor zeer zwaarwegende redenen (“very weighty reasons”) bestaan.

4.6.

Het college heeft door gebruik van het onder 1.2 genoemde risicoprofiel onderscheid gemaakt tussen verschillende groepen bijstandsgerechtigden en deze verschillend behandeld. Een bepaalde groep bijstandsgerechtigden van het mannelijk geslacht is onderworpen aan een niet-regulier onderzoek, terwijl vrouwelijke bijstandsgerechtigden met dezelfde kenmerken niet in dit onderzoek zijn betrokken. Indien een risicoprofiel, zoals thans in geding, beperkt is tot bijstandsgerechtigden van het mannelijk geslacht, dan gaat het om een onderscheid dat volgens de in 4.5 genoemde rechtspraak als “verdacht” is aan te merken. Een zodanig onderscheid dient te worden gerechtvaardigd door “zeer gewichtige redenen”.

4.7.

Het college heeft in hoger beroep door middel van het overleggen van twee

e-mailberichten van het Hoofd Bijzonder Onderzoek, Dienst SZW, van de gemeente Den Haag, als volgt toegelicht wat de onder 1.2 vermelde query inhield waaruit appellant in mei 2014 is geselecteerd. In 2014 is het onderzoek gestart met als doelgroep de alleenstaande mannen van 55 jaar en ouder. Bijkomend criterium was nog het niet zelfstandig wonen. Er zijn geen objectieve ervaringsgegevens op schrift, wel is uit ervaring bekend dat bij deze groep een verhoogd risico bestaat op onrechtmatige verstrekking van bijstand wegens het niet woonachtig zijn op het opgegeven adres of het voeren van een gezamenlijke huishouding. Het project is niet beschreven. Dat er voor mannen is gekozen komt doordat zij het vaakst huis en haard verlaten bij een (fake) scheiding en ergens op een kamertje hun intrek nemen. De gekozen leeftijd van 55 jaar komt voort uit het feit dat er op die leeftijd vanuit mag worden gegaan dat de meeste burgers hun leven dan toch wel op orde hebben; het is dan vreemd dat je op die leeftijd nog inwonend bent. De leeftijd van 55 jaar is ook zo’n omslagpunt waaruit er vanuit het oogpunt van bemiddeling naar werk niet al te veel energie meer in trajecten wordt gestoken en deze groep in de luwte zit, hierdoor kan iemand makkelijk onder de radar blijven. De vrouwelijke (ex-)partners zijn vaak jonger in leeftijd en daarom nog in beeld. Voorgaande komt voort uit de praktijk.

4.8.

Uit 4.7 blijkt dat de door het college verrichte selectie is gebaseerd op ervaringsgegevens die niet verifieerbaar zijn, omdat het college deze, anders dan de weergave achteraf van één medewerker in de e-mailberichten, niet op schrift heeft gesteld. Uit de door het college gestelde ervaringsgegevens, zoals die in 4.7 staan vermeld, komt verder ook niet duidelijk tot uitdrukking om hoeveel mannen het ging en op welke periode de ervaringsgegevens zien. Het college heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de ervaringsgegevens ertoe noodzaakten om gebruik te maken van het opgestelde risicoprofiel. Hieruit volgt dat het onderscheid naar geslacht niet verenigbaar is met artikel 14 van het EVRM, omdat het college niet het bewijs heeft geleverd dat er “zeer gewichtige redenen” zijn die het gemaakte onderscheid rechtvaardigen.

4.9.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het college door het risicoprofiel toe te passen zoals hij dat heeft gedaan, appellant heeft behandeld in strijd met het verbod van ongerechtvaardigde discriminatie. Dit betekent dat de onderzoeksbevindingen uit het rapport van 5 september 2014 die allemaal voortvloeien uit de toepassing van het risicoprofiel in het onderhavige geval niet meer kunnen worden gebruikt als bewijs voor het bestreden besluit. De intrekking berust daarom op een onvoldoende feitelijke grondslag. Het standpunt van het college ter zitting dat het college ook zonder het desbetreffende onderzoek als bedoeld in 1.2 bevoegd was om nader onderzoek te doen naar de woon- en leefsituatie van appellant en daarvoor ook aanknopingspunten in het dossier zaten, maakt niet dat de onderzoeksbevindingen alsnog bij de beoordeling kunnen worden betrokken. De bevoegdheid van artikel 53a van de WWB kan weliswaar steeds en spontaan worden uitgeoefend ten aanzien van alle bijstandsgerechtigden, maar de onderzoeksbevindingen vloeien in dit geval allemaal rechtstreeks voort uit het in strijd met het verbod van discriminatie verrichte onderzoek. Het college heeft onder die omstandigheden in redelijkheid geen gebruik kunnen maken van de bevoegdheid tot het instellen van het onderzoek zoals verricht. Uit het voorgaande volgt tevens dat voor de terugvordering geen grondslag bestaat.

4.10.

Uit 4.9 volgt dat het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Aangezien aan het besluit van 12 september 2014 hetzelfde gebrek kleeft als aan het bestreden besluit en, gelet op het tijdsverloop, niet is te verwachten dat het college dit gebrek nog kan herstellen, zal de Raad zelf in de zaak voorzien door het besluit van 12 september 2014 te herroepen.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 990,- in bezwaar, € 990,- in beroep en € 990,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal derhalve € 2.970,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 9 maart 2015;
- herroept het besluit van 12 september 2014 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt

van het vernietigde besluit;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.970,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en J.T.H. Zimmerman en C.J. Borman als leden, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 november 2017.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) J.M.M. van Dalen

HD