Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4056

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-11-2017
Datum publicatie
23-11-2017
Zaaknummer
16/4273 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:2973, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

CBBS als ondersteunend systeem bij arbeidsongeschiktheidsbeoordeling niet onaanvaardbaar. Met juistheid heeft rechtbank overwogen dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep overtuigend heeft toegelicht dat de geselecteerde functies geschikt zijn voor appellante. Geen aanleiding benoeming onafhankelijk arbeidsdeskundige. Beëindiging uitkering per toekomende datum.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 4273 WIA

Datum uitspraak: 22 november 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 mei 2016, 15/6778 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[werkgever] (werkgever)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.J. Brosius, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Brosius. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. W.P.F. Oosterbos. Werkgever heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is op 10 februari 2012 uitgevallen voor haar werkzaamheden als schoonmaakster voor 17,50 uur per week wegens psychische en lichamelijke klachten. Bij besluit van 24 januari 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van
7 februari 2014 recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100%. Bij besluit van 4 februari 2015 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat de loongerelateerde WGA-uitkering eindigt op 7 april 2015 en dat zij met ingang van deze datum recht heeft op een WGA-loonaanvullingsuitkering.Werkgever heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

1.2.

Het Uwv heeft, na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek op 31 augustus 2015 een voornemen tot wijziging van het besluit van 4 februari 2015 aan werkgever en appellante bekend gemaakt. In dit voorgenomen besluit is meegedeeld dat, in verband met arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%, de WGA-loonaanvullingsuitkering van appellante zal worden ingetrokken. Werkgever en appellante hebben bezwaar geuit tegen dit voorgenomen besluit.

1.3.

Het door werkgever tegen het besluit van 4 februari 2015 gemaakte bezwaar is bij besluit van 17 september 2015 (bestreden besluit) gegrond verklaard. Bij dit besluit heeft het Uwv de WIA-uitkering van appelante beëindigd met ingang van 1 november 2015, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Op grond van de beschikbare gegevens, waaronder de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep opgevraagde informatie van de psychiater van appellante, moet naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat de verzekeringsartsen bij appellante niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar uitspraken van de Raad (waaronder de uitspraak van 14 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3822) overwogen dat een volledige heroverweging niet alleen een medische maar ook een arbeidskundige beoordeling behelst. De rechtbank is er voldoende van overtuigd dat de belastbaarheid van appellante in de functies niet wordt overschreden.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat werkgever uitsluitend bezwaar heeft gemaakt tegen de medische beoordeling. Nu de verzekeringsarts bezwaar en beroep de primaire verzekeringsgeneeskundige beoordeling heeft onderschreven, had het Uwv een arbeidskundig onderzoek achterwege moeten laten. De ambtshalve arbeidskundige beoordeling is in strijd met de rechtszekerheid. Appellante heeft gesteld dat zij, gelet op de door de verzekeringsarts in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 27 maart 2015 vastgestelde beperkingen, de geduide functies niet kan vervullen. Naar de mening van appellante kan zij zich echter zonder de enquêteformulieren van de arbeidskundig analist niet verweren tegen de toelichting van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep op de signaleringen met betrekking tot de belastende factoren in de functies. Nu het Uwv die formulieren niet heeft overgelegd, heeft zij daarin geen inzicht kunnen krijgen en is er geen sprake van een eerlijk proces.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het geschil beperkt zich tot de vraag of de arbeidskundige kant van de besluitvorming de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

4.2.

De heroverweging in bezwaar heeft plaatsgevonden in het kader van het werkgeversbezwaar dat zag op de vaststelling dat recht bestaat op een WGA‑loonaanvullingsuitkering. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar vaste rechtspraak, terecht overwogen dat dit bezwaar het Uwv op goede gronden aanleiding heeft gegeven tot een volledige heroverweging en, in dat kader, een medische en arbeidskundige beoordeling.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van
10 maart 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL7275) zijn er geen redenen om een systeem als het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) niet in beginsel rechtens aanvaardbaar te achten als ondersteunend systeem bij de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling. Hoewel het bij de in het CBBS opgenomen functies gaat om reële, op de arbeidsmarkt voorkomende functies, die voor appellante met het oog op haar krachten en bekwaamheden geschikt zijn geacht, is sprake van een theoretische schatting. Het staat een betrokkene vrij om andersluidende gegevens aan te dragen, die indien zij reële twijfel wekken van de in het CBBS opgenomen gegevens aanleiding kunnen geven tot verificatie daarvan. De enkele stelling van appellante, dat zij de geduide functies niet kan vervullen, is daartoe onvoldoende.

4.4.

Appellante heeft aangevoerd dat functies die eerder waren vervallen, weer als geschikt aan haar zijn voorgehouden. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is, zoals blijkt uit haar rapport van 31 augustus 2015, van mening dat de belasting van de geselecteerde functies niet in strijd is met de voor appellante geformuleerde beperkingen. In dit rapport heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, na overleg met de verzekeringsarts bezwaar en beroep, gemotiveerd dat de functie van productiemedewerker (SBC-code 111071) ondanks het wisselen van positie aan de lopende band passend is voor appellante, omdat daarbij steeds sprake is van een duidelijke en overzichtelijke structuur en taakstelling. Ook voor de functies soldeerder (SBC-code 111171) en medewerker bloemzaadproductie (SBC-code 111010) geldt dat sprake is van een duidelijke structuur en een overzichtelijke taakstelling. Voorts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep opgemerkt dat bij laatstgenoemde functie sprake is van een roltafel waarbij met 5 kg over een meter wordt geduwd of getrokken. Dit valt binnen de gestelde belastbaarheid van appellante op de aspecten duwen en trekken. Dat kan zij tot ongeveer 10 kg.

Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep overtuigend heeft toegelicht dat de geselecteerde functies geschikt zijn te achten voor appellante. In wat hiervoor is overwogen ligt besloten dat de Raad geen aanleiding ziet om een onafhankelijk arbeidsdeskundige te benoemen, zoals door appellante verzocht.

4.5.

Nu de loonwaarde van deze functies leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 35% heeft het Uwv bij het bestreden besluit terecht vastgesteld dat appellante vanaf 1 november 2015 geen recht meer heeft op een uitkering op grond van de Wet WIA. Van strijd met de rechtszekerheid, zoals door appellante gesteld, is geen sprake omdat de beëindiging van de uitkering eerst per toekomende datum en in overeenstemming met artikel 56, tweede lid, van de Wet WIA, is geëffectueerd.

4.6.

De overwegingen in 4.1 tot en met 4.5 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 november 2017.

(getekend) M.C. Bruning

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

RB