Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4044

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-11-2017
Datum publicatie
23-11-2017
Zaaknummer
16/7591 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betrokkene komt niet meer in aanmerking voor studiefinanciering in de vorm van een prestatiebeurs na het verstrijken van een periode van drie jaar na de eerste toekenning op 1 februari 2013 en eindigt zijn aanspraak op een prestatiebeurs op 1 februari 2016. De Raad wijst met name op de aangehaalde tekst op bladzijde 71 van Kamerstukken I, 2014/15, 34 035, D, waarin een situatie die vergelijkbaar is met de situatie hier aan de orde is beschreven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2017/2307
RSV 2017/260
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/7591 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

2 december 2016, 16/4491 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 22 november 2017

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. R. de Nijs, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. E.H.A. van den Berg. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. De Nijs.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene is op 1 februari 2013 begonnen met een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs. Aan deze opleiding is hij ingeschreven gebleven tot 1 september 2014 en heeft hij zijn propedeuse behaald. Betrokkene is met ingang van deze datum begonnen aan een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs en deze bacheloropleiding volgde hij vóór 1 september 2015, het moment van inwerkingtreding van de bepalingen van de Wet studievoorschot hoger onderwijs.

1.2.

Appellant heeft betrokkene met ingang van 1 februari 2013 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend. Deze is over 2014 en 2015 voortgezet. Bij besluit van 7 december 2015 heeft appellant aan betrokkene meegedeeld dat voor het studiefinancieringstijdvak 2016 de vorm van de toegekende studiefinanciering met ingang van 1 februari 2016 wordt gewijzigd van prestatiebeurs in lening.

1.3.

Bij besluit van 25 april 2016 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 7 december 2015 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het besluit van 7 december 2015 herroepen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat uit de tekst van het overgangsrecht bij de Wet studievoorschot hoger onderwijs ondubbelzinnig volgt dat de nominale duur van de door betrokkene gevolgde opleiding is gaan lopen op 1 september 2014 en dat betrokkene te rekenen vanaf 1 februari 2013 gedurende vier jaren aanspraak heeft op de prestatiebeurs zodat hij hierop aanspraak heeft tot en met februari 2017.

3. Appellant betoogt dat het overgangsrecht in artikel 12.14 van de Wsf 2000 anders is bedoeld dan het door de rechtbank is uitgelegd. Volgens appellant blijkt uit de parlementaire geschiedenis dat de reeds genoten prestatiebeurs in mindering moet worden gebracht op de drie jaren prestatiebeurs die normaliter voor een bachelor in het wetenschappelijk onderwijs wordt verstrekt. Appellant wijst erop dat de uitspraak van de rechtbank tot gevolg heeft dat de toegekende prestatiebeurs met toepassing van artikel 5.7 van de Wsf 2000 geheel zou moeten worden omgezet in een gift, ook als de masterfase wordt aangevangen na 1 september 2015. Dit is in strijd met de expliciete bedoeling van de wetgever zoals die blijkt uit de parlementaire geschiedenis.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.1.

Artikel 5.2, eerste lid, van de Wsf 2000 zoals dat luidde tot 1 september 2015, bepaalde, voor zover van belang, dat studiefinanciering, met uitzondering van de basislening en de aanvullende lening, gedurende 4 jaren wordt verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs.

4.1.2.

Artikel 5.8, eerste lid, van de Wsf 2000 luidde als volgt:

Indien een student met goed gevolg het afsluitend examen heeft behaald van een opleiding waarvan de studielast is gebaseerd op een periode van minder dan 4 jaren overeenkomstig artikel 5.2, eerste lid, wordt het aantal om te zetten maanden van zijn prestatiebeurs met dit verschil verminderd.

4.1.3.

Met ingang van 1 september 2015 is de Wet studievoorschot hoger onderwijs in werking getreden. Paragraaf 12.2 van de Wsf 2000 bevat de overgangsbepalingen.

Artikel 12.14, eerste lid, luidt voor zover van belang als volgt:

1. Op een student die vóór 1 september van het jaar waarin de Wet studievoorschot hoger onderwijs in werking treedt stond ingeschreven aan een bacheloropleiding, masteropleiding of ongedeelde opleiding (…) en die studiefinanciering toegekend heeft gekregen voor een opleiding in het hoger onderwijs, blijven de volgende artikelen, zoals die luidden vóór het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel AX, van de Wet studievoorschot hoger onderwijs, voor de nominale duur van die opleiding van toepassing:

a. van hoofdstuk 1, de artikelen 1.1 en 1.5;

(…) en

d. hoofdstuk 5, met uitzondering van artikel 5.9, eerste lid, en artikel 5.16, derde lid, waarbij voor «prestatiebeurs hoger onderwijs» wordt gelezen: prestatiebeurs;

4.1.4.

De memorie van toelichting bij het voorstel van de Wet studievoorschot hoger onderwijs (Kamerstukken II 2014/15, 34 035, nr. 3, blz. 81) bij artikel 12.14 van de Wsf 2000 bevat de volgende passage:

“Dit artikel regelt het overgangsrecht voor studenten die al aan hun studie in het hoger onderwijs waren begonnen vóór de invoering van het studievoorschot (beoogd per 1 september 2015).

Eerste lid. Ho-studenten die al aan een opleiding waren begonnen, hebben nog gedurende de nominale duur van die opleiding (hbo-bachelor, wo-bachelor, wo-master, ongedeelde opleiding of levensbeschouwelijke duplex ordo opleiding) aanspraak op basisbeurs. De aanspraak blijft hiermee bestaan voor de opleidingssoort en behoeft niet een specifieke opleiding te betreffen, een ho-student kan nog gewoon wisselen van bijvoorbeeld een bachelor rechten naar een bachelor economie. Voor hbo-studenten is de aanspraak in de regel vier jaar, voor wo-bachelorstudenten drie jaar.”

Voorts bevat de memorie van antwoord in de Eerste Kamer (Kamerstukken I, 2014/15, 34 035, D) op bladzijde 71 de volgende passage:

“Onder de huidige wet- en regelgeving kunnen studenten voor een wo-bacheloropleiding aanspraak maken op 3 jaar basisbeurs. Dit geldt ook voor studenten die een propedeuse van een hbo-bacheloropleiding hebben behaald en vervolgens doorstromen naar een wo‑bacheloropleiding. Ook zij hebben in totaal 3 jaar aanspraak op basisbeurs. Dit betekent dat deze studenten doorgaans enkel gedurende de eerste twee jaar van hun wo-bacheloropleiding aanspraak op basisbeurs hebben, aangezien zij het eerste jaar basisbeurs al hebben ontvangen tijdens de propedeusefase van hun hbo-bacheloropleiding. Deze systematiek verandert niet met de invoering van het studievoorschot.”

en op bladzijde 90:

“Voor alle studenten die voor de invoering van het studievoorschot al een wo-bacheloropleiding zijn begonnen, blijft het huidige recht rond de omzetting van de basisbeurs in een gift van toepassing. Als een student voor die tijd al een vierde jaar basisbeurs heeft ontvangen tijdens de bachelorfase en deze student later binnen de diplomatermijn nog een masteropleiding behaalt, dan worden de volledige vier jaar basisbeurs omgezet in een gift. Als de student geen masteropleiding gaat volgen of deze niet (tijdig) afrondt, dan dient het vierde jaar basisbeurs net als onder de huidige wetgeving terugbetaald te worden. Studenten die na 1 september 2015 uitlopen in de bachelor (en dus in hun vierde jaar terechtkomen), ontvangen vanaf dat moment geen basisbeurs meer. Zij krijgen immers geen basisbeurs meer voor hun masteropleiding.

Bij de overstap van hbo naar universiteit blijft de aanspraak op basisbeurs voor de bacheloropleiding behouden. In de wetgeving bestaat echter aanspraak op het aantal jaren basisbeurs dat staat voor de opleiding waarvoor een student is ingeschreven en waarvoor uiteindelijk een diploma wordt behaald; bij overstap van hbo-bacheloropleiding naar wo-bacheloropleiding geldt dan in totaal drie jaar aanspraak op basisbeurs (namelijk voor de wo-bacheloropleiding), waarvan dan al 1 jaar verbruikt is. Er is dan nog twee jaar aanspraak op basisbeurs over. Voor een eventuele masteropleiding geldt het nieuwe stelsel. Na het behalen van het diploma voor de wo-bacheloropleiding wordt dus drie jaar aan basisbeurs omgezet in gift.’’

4.2.1.

Uit het bepaalde in artikel 12.14 van de Wsf 2000 vloeit voort dat de bepalingen van de tot 1 september 2015 geldende tekst van deze wet van toepassing blijven voor de nominale duur van de opleiding die betrokkene volgde vóór 1 september 2015. Nu niet in geschil is dat de nominale duur van de door betrokkene vóór 1 september 2015 gevolgde bacheloropleiding drie jaar beloopt komt hij niet meer in aanmerking voor studiefinanciering in de vorm van een prestatiebeurs na het verstrijken van een periode van drie jaar na de eerste toekenning op 1 februari 2013 en eindigt zijn aanspraak op een prestatiebeurs op 1 februari 2016.

4.2.2.

Deze uitleg van het bepaalde in artikel 12.14 van de Wsf 2000 komt overeen met de bedoeling van de wetgever zoals die naar voren komt uit de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis. De Raad wijst met name op de aangehaalde tekst op bladzijde 71 van Kamerstukken I, 2014/15, 34 035, D, waarin een situatie die vergelijkbaar is met de situatie hier aan de orde is beschreven.

4.3.

Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven en vernietigd moet worden. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep van betrokkene ongegrond verklaren.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep van betrokkene tegen het besluit van 25 april 2016 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en L.M. Tobé en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 november 2017.

(getekend) J. Brand

(getekend) H. Achtot

HD