Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4030

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-11-2017
Datum publicatie
28-11-2017
Zaaknummer
16/4226 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om herziening van een intrekkingsbesluit. Getoetst aan artikel 4:6 Awb. Geen nova. Ingebrachte verklaring had eerder overgelegd kunnen worden. Geen evidente onredelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2017/333
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/4226 PW, 17/1226 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van
17 mei 2016, 16/75 (aangevallen uitspraak 1), en 23 december 2016, 16/5652 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 21 november 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. K.E. van Lotringen, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting in de zaken heeft gevoegd plaatsgevonden op 10 oktober 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. drs. Van Lotringen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A.A. Brouwer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 9 juni 2015 (intrekkingsbesluit) heeft het college de bijstand van appellante ingetrokken met ingang van 1 augustus 2014 op de grond dat zij in strijd met artikel 17 van de Participatiewet (PW) geen of slechts gedeeltelijk informatie heeft gegeven. In het “Rapport constatering overtreding” van 3 juni 2015 is, voor zover hier van belang, vermeld dat appellante als uitkeringsadres heeft opgegeven [adres] (opgegeven adres) en dat zij sinds augustus 2014 niet haar hoofdverblijf heeft gehad op dat adres. Tegen het intrekkingsbesluit heeft appellante geen bezwaar gemaakt.

1.2.

Bij besluit van 30 september 2015 heeft het college de kosten van verleende bijstand over de periode van 1 augustus 2014 tot en met 31 mei 2015 tot een bedrag van € 5.031,28 van appellante teruggevorderd. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante ten onrechte bijstand had ontvangen, omdat zij niet woonachtig was op het opgegeven adres.

1.3.

Bij besluit van 25 november 2015 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 30 september 2015 ongegrond verklaard. Het college heeft zich in bestreden besluit 1 op het standpunt gesteld dat het intrekkingsbesluit onherroepelijk is geworden, dat de hoogte van de terugvordering juist is berekend en dat geen dringende redenen worden gezien om van terugvordering af te zien.

1.4.

Bij brief van 10 maart 2016 heeft appellante, met verwijzing naar en onder overlegging van een verklaring van 2 februari 2016 van de toenmalige huisgenoot, tevens hoofdbewoner, op het opgegeven adres, het college verzocht het intrekkingsbesluit te herzien.

1.5.

Bij besluit van 9 mei 2016 heeft het college het verzoek om herziening afgewezen op de grond dat de verklaring van de toenmalige huisgenoot vragen oproept en dat op basis van de bekende gegevens het recht op bijstand nog steeds niet is vast te stellen.

1.6.

Bij besluit van 22 juli 2016 (bestreden besluit 2) heeft het college het besluit van 9 juni 2015 met vermelding van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gehandhaafd en het tegen het besluit van 9 mei 2016 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellante geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd en dat haar verzoek om herziening daarom

- zoals ter zitting door het college toegelicht - met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb wordt afgewezen.

2. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraken gekeerd. Zij heeft met verwijzing naar de inhoud van het besluit van 9 mei 2016 en de inhoud van bestreden besluit 2 aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat slechts beoordeeld hoeft te worden of sprake is van een nieuw feit als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Volgens appellante is een volledige heroverweging van het intrekkingsbesluit gerechtvaardigd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Herzieningsverzoek (17/1226 PW)

4.1.

Artikel 4:6 van de Awb luidt als volgt:

“1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.”

4.2.

Het herzieningsverzoek van appellante strekt ertoe dat het college terugkomt van zijn eerder genomen intrekkingsbesluit. Appellante betwist dat het college artikel 4:6 van de Awb heeft toegepast. In dat kader heeft appellante aangevoerd dat bestreden besluit 2 (tevens) een inhoudelijk oordeel bevat, waardoor de rechtbank ten onrechte heeft beoordeeld of appellante nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.2.1.

In bestreden besluit 2 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 9 mei 2016 ongegrond verklaard met een expliciete verwijzing naar artikel 4:6 van de Awb, waarbij het college heeft beoordeeld of appellante nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd. Zoals het college ter zitting heeft toegelicht, bevatten de opmerkingen in bestreden besluit 2 over de inhoud van de zaak een reactie op de door appellante aangevoerde bezwaargronden. Anders dan appellant betoogt, doen deze opmerkingen over de inhoud niet af aan het toetsingskader dat het college heeft gehanteerd. Het college heeft op het verzoek van appellante van 10 maart 2016 dan ook beslist met overeenkomstige toepassing van

artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.

4.2.2.

Het betoog dat het college bij het besluit van 9 mei 2016 inhoudelijk en in volle omvang op haar herzieningsverzoek heeft beslist en dat de rechtbank daarom van een te beperkt toetsingskader is uitgegaan, kan appellante evenmin baten. Uit 4.2.1 volgt dat het college bij bestreden besluit 2 de afwijzing van het herzieningsverzoek heeft gehandhaafd met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6 van de Awb. Zoals de Raad vaker heeft overwogen (uitspraak van 6 maart 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV7912) staat artikel 7:11 van de Awb niet in de weg aan de handhaving in bezwaar op een andere grond dan die waarop het primaire besluit steunt, omdat de bezwaarprocedure juist is bedoeld voor een volledige heroverweging.

4.3.

Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is (uitspraak van 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115). Anders dan appellante aanvoert, heeft de rechtbank dan ook het juiste toetsingskader gehanteerd.

4.4.

Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

4.5.

Ter ondersteuning van haar verzoek van 10 maart 2016 heeft appellante een verklaring van 2 februari 2016 van de toenmalige huisgenoot, tevens hoofdbewoner, op het opgegeven adres overgelegd en - kort gezegd - aangevoerd dat het college voorafgaand aan het intrekkingsbesluit op onzorgvuldige wijze onderzoek heeft verricht. Dit zijn geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, aangezien appellante de verklaring van

2 februari 2016 in bezwaar tegen het intrekkingsbesluit naar voren had kunnen - en moeten - brengen. Het college stelt zich terecht op het standpunt dat een verzoek om herziening er niet toe kan dienen alsnog stukken in te brengen die in een eerdere bezwaarprocedure naar voren gebracht hadden kunnen worden. Ook wat appellante overigens aan haar herzieningsverzoek ten grondslag heeft gelegd, had appellante eerder in een bezwaar naar voren moeten brengen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij daartoe niet in staat was. De omstandigheid dat appellante de hoofdbewoner pas veel later weer tegenkwam, maakt niet dat zij niet eerder om een verklaring bij de hoofdbewoner kon verzoeken. Het college mocht het verzoek van appellante van 10 maart 2016 dan ook afwijzen met verwijzing naar het intrekkingsbesluit. In wat appellante heeft aangevoerd wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre evident onredelijk is. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit terecht ongegrond verklaard.

Terugvordering (16/4226 PW)

4.6.

Tegen de bij bestreden besluit 1 gehandhaafde terugvordering heeft appellante geen zelfstandige gronden aangevoerd, zodat deze geen verdere bespreking behoeft.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat de hoger beroepen niet slagen, zodat aangevallen uitspraak 1 en aangevallen uitspraak 2 moeten worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt aangevallen uitspraak 1;

- bevestigt aangevallen uitspraak 2.

Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 november 2017.

(getekend) J.T.H. Zimmerman

(getekend) S.A. de Graaff

HD