Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4026

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-11-2017
Datum publicatie
23-11-2017
Zaaknummer
17/785 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onroerend goed Marokko.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2018/18
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 785 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 december 2016, 16/1864 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 21 november 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Kaouass, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kaouass en R. Achamlale, tolk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door K. van Ingen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 1 juli 2009 naast zijn pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) van de Svb op grond van de Wet werk en bijstand.

1.2.

In het kader van een steekproef heeft de Svb het Bureau voor Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade te Rabat verzocht een onderzoek in te stellen naar het bezit van onroerende zaken van appellant en zijn in Marokko woonachtig echtgenote (F). De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 19 september 2013, opgesteld door de attaché Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade te Rabat (attaché). In dit rapport staat dat appellant in Marokko beschikt over vermogen, in de vorm van een onroerende zaak. Dit betreft een woning in de wijk [wijk] , in de gemeente [gemeente A.] , met een waarde van € 55.350,- (woning).

1.3.

De onderzoeksbevindingen zijn voor de Svb aanleiding geweest om met ingang van december 2013 de uitbetaling van de AIO-aanvulling stop te zetten.

1.4.

Medewerkers van het Bureau voor Sociale Zaken van de Ambassade (medewerkers) hebben op 22 april 2015 opnieuw een bezoek gebracht aan de gemeente [gemeente B.] en daarvan een aanvullend rapport opgemaakt op 24 juni 2015. Vervolgens heeft de Svb bij besluit van 30 juni 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 februari 2016 (bestreden besluit) de AIO-aanvulling met ingang van 1 juli 2009 ingetrokken en de gemaakte kosten van AIO-aanvulling over de periode van 1 juli 2009 tot en met 30 november 2013 tot een bedrag van € 28.992,96 van appellant teruggevorderd. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant de beschikking heeft over vermogen boven het voor hem geldende vrij te laten vermogen. Hij komt om die reden niet in aanmerking voor een AIO-aanvulling.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Appellant voert allereerst aan dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest. Dat is het geval omdat in het rapport van 19 september 2013 staat dat twee medewerkers van de attaché op 2 juli 2013 voor hun onderzoek naar de gemeente [gemeente B.] zijn gegaan. Zij werden daar ontvangen door de caid en hebben gesproken met cheikhs en mokkadems. Deze ambtenaren zijn niet bevoegd in de gemeente [gemeente A.] .

4.1.2.

Anders dan appellant aanvoert, kan uit het rapport van 19 september 2013 niet worden afgeleid dat de medewerkers van de attaché informatie hebben ingewonnen bij de cheikh of de mokaddem van de gemeente [gemeente B.] . Zoals in het aanvullend rapport van 24 juni 2015 nader wordt toegelicht, verving de caid van [gemeente B.] op de dag van het onderzoek de pacha, het districtshoofd. De caid had meerdere mokaddems en cheikhs gevraagd naar [gemeente B.] te komen, waaronder die van de wijk [wijk] in [gemeente A.] . De medewerkers hebben in [gemeente B.] onder andere gesproken met de mokaddem van de wijk [wijk] .

4.2.1.

In het kader van het nader onderzoek op 22 april 2015 hebben de medewerkers gesproken met het hoofd van de Direction des Affaires Internes van [gemeente B.] (hoofd). Het hoofd verklaarde dat hij appellant kent, alsmede dat appellant eigenaar is van een huis in de wijk [wijk] . Appellant heeft dat huis volgens het hoofd eind jaren negentig gekocht. De medewerkers hebben diezelfde dag gesproken met de mokaddem van de wijk [wijk] in [gemeente A.] . Deze mokaddem, met wie de medewerkers ook op 2 juli 2013 hebben gesproken, heeft als volgt verklaard:

"Ik herhaal hier wat ik toen gezegd heb, namelijk dat [appellant] een eigen huis heeft in de wijk [wijk] in [gemeente A.] . Ik had [de medewerkers] gezegd dat hij sinds 1998 of 1999 een eigen huis had maar ik heb pas dit jaar het koopcontract gezien. Hij heeft het huis in 1998 bij het hoofd van de gemeente gekocht. Ik heb toen het huis aan de [medewerkers] laten zien. Ik ken betrokkene en zijn vrouw heel goed omdat ik hen diverse malen een woonverklaring heb afgegeven. Zij staan ook ingeschreven op de lijst van eventuele stemgerechtigden voor de verkiezingen van 2015 en ik heb een lijst van personen die deel uitmaken van de volkstelling in 2014. Op het formulier van de volkstelling dat een van de ambtenaren van het hoog commissariaat van planning (…) heeft ingevuld op grond van het onderzoek naar de familie [naam familie] , staat dat het huis sinds 1998 eigendom is van [appellant]."

4.2.2.

Anders dan appellant aanvoert bieden de onderzoeksbevindingen - in samenhang

bezien - een voldoende grondslag voor het standpunt van de Svb dat appellant de woning in eigendom heeft. Het beroep van appellant op de uitspraak van 31 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:482, gaat niet op. Anders dan in die uitspraak is de eigendom van de woning in deze zaak niet gebaseerd op een enkele verklaring van een niet nader geduide ambtenaar. Uit de onderzoeksrapporten blijkt duidelijk met welke functionarissen de medewerkers hebben gesproken. Daarbij komt met name betekenis toe aan de verklaring van de mokaddem van de wijk [wijk] . De mokaddem heeft niet alleen verklaard dat appellant sinds 1998 eigenaar is van de woning, hij heeft die wetenschap met concrete feiten en omstandigheden onderbouwd. De mokaddem heeft het koopcontract gezien en heeft ook gezien dat appellant op het formulier van de volkstelling als eigenaar van de woning vermeld staat. Voorts wijst de Raad op een factuur van 29 mei 2015 met betrekking tot de levering van elektriciteit aan de woning, welke factuur op naam van appellant staat.

4.2.3.

De omstandigheid dat het koopcontract en het formulier van de volkstelling niet bij de stukken zit, maakt niet alsnog dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest, of dat aan de verklaring van de mokaddem moet worden getwijfeld. De verklaring van de mokaddem vindt steun in de verklaring van het hoofd. Appellant stelt bovendien dat de woning in eigendom is van de familie. Gelet daarop moet het voor appellant mogelijk zijn om tegenbewijs te leveren, ter onderbouwing van zijn stelling dat de woning niet zijn eigendom is. Appellant heeft geen tegenbewijs geleverd.

4.3.

Appellant heeft tot slot aangevoerd dat hij in verband met een deviezenbeperking niet kan beschikken over eventueel in de woning gebonden vermogen. Ook deze grond slaagt niet. Het ligt op de weg van appellant om aannemelijk te maken dat de deviezenbeperking op hem van toepassing is (vergelijk in die zin ook de uitspraak van 21 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2384). Appellant heeft geen begin van bewijs geleverd dat dit het geval is.

4.4.

Uit 4.1.2, 4.2.2, 4.2.3 en 4.3 volgt dat de door appellant aangevoerde gronden niet slagen. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en A. Stehouwer en

C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 november 2017.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) J. Tuit

IJ