Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4022

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-11-2017
Datum publicatie
23-11-2017
Zaaknummer
17/1378 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad is met de rechtbank en de directeur van oordeel dat de handelwijze van appellant te kwalificeren is als het willens en wetens uitvoeren van handelingen om te frauderen als bedoeld in de toelichting op artikel 22 van de OER. Uit de verklaringen van appellant blijkt dat geen sprake was van onnadenkend dan wel naïef gedrag. Uitkomst belangenafweging door directeur is niet disproportioneel. Inschrijving van appellant is op goede gronden beëindigd. Beslissingsbevoegdheid directeur op grond van OER.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/1378 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

30 december 2016, 16/3070 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van bestuur van het Landelijk selectie- en opleidingsinstituut politie, Politie onderwijs- en kenniscentrum, thans de directeur van de Politieacademie (directeur)

Datum uitspraak: 16 november 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S .M.M. Teklenburg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens de directeur heeft mr. V.N. van Waterschoot, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Teklenburg. De directeur heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. Van Waterschoot en mr. drs. C.A. Bangma.

OVERWEGINGEN

1.1.

Ingevolge de artikelen 73, derde lid, en V van de Wet van 25 mei 2016 tot wijziging van de Politiewet 2012 in verband met de inbedding van de Politieacademie in het nieuwe politiebestel (Stb. 2016, 203) is in dit geschil met ingang van 1 januari 2017 de directeur in de plaats getreden van het college van bestuur van het Landelijk selectie- en opleidingsinstituut politie, Politie onderwijs- en kenniscentrum (college), ten name van wie het geding aanvankelijk is gevoerd. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de directeur, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) het college verstaan.

1.2.

Appellant was sinds 2012 aangesteld bij de voormalige politieregio [regio] , thans regionale eenheid [eenheid] , als aspirant. Daarnaast volgde hij aan de Politieacademie de opleiding Bachelor of Policing. Onderdeel van die opleiding is het maken van een portfolio opdracht “Plan van aanpak verkeersonveiligheid” voor het vak Handhaving. Appellant heeft de opdracht samen met twee medestudenten gemaakt, met [Y] als hun begeleider.

1.3.

Omdat appellant en zijn medestudenten hun bedenkingen hadden over de wijze waarop zij door [Y] werden begeleid, heeft op 9 april 2015 op hun verzoek een gesprek plaatsgevonden tussen hen en [X] , commissaris van politie en coördinator bij de [School] . Daarin hebben appellant en zijn medestudenten meegedeeld dat het door hen ingeleverde concept-eindverslag al viermaal ten onrechte door [Y] was afgekeurd en dat ze daardoor niet het geplande eindgesprek voor het vak Handhaving konden voeren. In het daarop volgende gesprek tussen [X] en [Y] heeft [Y] bevestigd dat hij het concept-eindverslag meerdere keren had afgekeurd en uiteengezet dat er bij hem twijfels waren gerezen over de authenticiteit van het verslag. Zo heeft [Y] zijn vraagtekens gezet bij de lange literatuurlijst en het aantal respondenten van een enquête, die onderdeel uitmaakte van de opdracht. In overleg met [Z] , hoofd [School] , en [T] , [functie] , heeft [X] op 15 april 2015 appellant en zijn medestudenten individueel bevraagd over de werkwijze bij de enquête. [X] constateerde grote verschillen in de verklaringen van de studenten. Toen [X] appellant en zijn medestudenten met die verschillen confronteerde, hebben zij uiteindelijk verklaard dat de vragen nooit aan enige respondent zijn gesteld en dat de uitslagen van de enquête geheel zijn verzonnen.

1.4.

Na een melding aan de centrale examencommissie Politieacademie (examencommissie) met het daartoe bestemde meldingsformulier examenfraude, heeft de Politieacademie een onderzoek naar deze melding gedaan. Appellant en de andere twee studenten hebben toen verklaard dat de enquête volledig was verzonnen en dat het verslag voor een groot deel was gebaseerd op een werkstuk van een student uit 2010. Appellant heeft verder verklaard dat hij degene was die dit werkstuk aan zijn medestudenten heeft verstrekt.

1.5.

Bij brief van 6 mei 2015 heeft de examencommissie, na de vaststelling dat sprake is van examenfraude als bedoeld in de artikelen 28 tot en met 30 van de Onderwijs- en Examenregeling 2015, de opleiding van appellant met maximaal een jaar, van 7 mei 2015 tot

6 mei 2016, opgeschort. Daarbij is meegedeeld dat de examencommissie het hoofd van de school in verband met de ernst van de examenfraude heeft geadviseerd appellant definitief van de opleiding te verwijderen, maar dat het hoofd te kennen heeft gegeven dat hij zal wachten met het nemen van een definitief besluit daarover tot het in te stellen disciplinaire onderzoek door de eenheid [eenheid] is afgerond.

1.6.

Naar aanleiding van het rapport van het Bureau Veiligheid, Integriteit en Klachten (Bureau VIK) van 9 juli 2015, waarin de resultaten van het disciplinaire onderzoek naar het vermoeden van examenfraude zijn neergelegd, heeft de korpschef bij besluit van 23 november 2015 appellant wegens ernstig plichtsverzuim voorwaardelijk strafontslag opgelegd met een proeftijd van drie jaar. Daarbij heeft de korpschef vermeld dat appellant een tweede kans wordt gegund.

1.7.

Op advies van de examencommissie en na een voornemen daartoe, waarop appellant zijn zienswijze heeft kenbaar gemaakt, is bij besluit van 21 maart 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 juli 2016 (bestreden besluit) de inschrijving van appellant op grond van artikel 35, derde lid, aanhef en onder b, van de Onderwijs- en Examenregeling 2016 (OER), beëindigd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant, met bepalingen over griffierecht en proceskosten, ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij overwogen dat de directeur terecht de handelwijze van appellant heeft gekwalificeerd als het willens en wetens (met opzet) uitvoeren van handelingen om te frauderen als bedoeld in de toelichting op artikel 22 van de OER en dat dus sprake is van ernstige examenfraude, zodat de directeur bevoegd was de opleiding van appellant te beëindigen. Met betrekking tot de wijze waarop de directeur van de hem gegeven bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, constateert de rechtbank dat de directeur heeft nagelaten het in de OER voorgeschreven overleg met het korps te voeren alvorens tot de beëindiging van de opleiding te besluiten. De rechtbank acht het hoogst ongelukkig dat het bestreden besluit de door het korps aan appellant geboden ‘tweede kans’ feitelijk onmogelijk heeft gemaakt, maar de rechtbank ziet hierin geen reden voor vernietiging van dat besluit. Uit wat namens het korps bij de hoorzitting is verklaard, heeft de rechtbank afgeleid dat bedoeld overleg ertoe zou hebben geleid dat het korps zou hebben besloten tot een onvoorwaardelijk ontslag. De rechtbank acht het dan ook aannemelijk dat appellant door het nalaten van het in de OER voorgeschreven overleg niet is benadeeld. De rechtbank heeft het gebrek in de besluitvorming om die reden met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gepasseerd. Voorts heeft de directeur naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid kunnen besluiten de opleiding te beëindigen gezien de door appellant gepleegde ernstige examenfraude. Het beroep op het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant betoogd dat geen sprake was van ernstige examenfraude, omdat hij gewoonweg te onnadenkend en/of naïef heeft gehandeld. Zijn rol in de examenfraude was van beperktere omvang dan die van zijn medestudenten en daarom is de straf disproportioneel. Voorts verbindt de rechtbank volgens appellant ten onrechte geen rechtsgevolg aan het feit dat de directeur heeft nagelaten om voorafgaand aan de besluitvorming over de beëindiging van de opleiding overleg te voeren met het korps, zoals de OER voorschrijft. Verder heeft appellant betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij niet zou zijn benadeeld door het uitblijven van dit overleg, zodat de rechtbank ten onrechte het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb heeft gepasseerd.

3.2.

De directeur heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Op grond van artikel 22, tweede lid, aanhef en onder f, van de OER, zoals deze bepaling gold ten tijde in geding, kan de examencommissie na overleg met het hoofd van de school en het korps bij ernstige examenfraude het college voorstellen de opleiding van de student definitief te beëindigen.

4.1.2.

Op grond van artikel 35.3, aanhef en onder b, van de OER wordt de inschrijving van de student beëindigd bij ernstige examenfraude.

4.1.3.

In de toelichting op artikel 22 van de OER is bepaald dat sprake is van ernstige examenfraude als de (aspirant) politieambtenaar willens en wetens (dus met opzet) handelingen uitvoert om te frauderen en er geen sprake is van onachtzaamheid, onnadenkendheid of naïef gedrag.

4.2.

De Raad is met de rechtbank en de directeur van oordeel dat de handelwijze van appellant te kwalificeren is als het willens en wetens uitvoeren van handelingen om te frauderen als bedoeld in de toelichting op artikel 22 van de OER. Appellant heeft verklaard dat hij zich, toen het concept-verslag voor de eerste maal naar [Y] was verstuurd, realiseerde dat hij samen met zijn medestudenten plagiaat pleegde. Hij wist dat de enquête verzonnen was en heeft ook bij de volgende inlevermomenten en in het gesprek met [Y] , geen opening van zaken gegeven, maar is blijven volhouden dat het aantal respondenten klopte. In het “Zelfreflectie Plan van aanpak verkeersonveiligheid” van appellant is onder meer het volgende opgenomen: ”Hier was weer een moment waarbij ik bij mezelf dacht dat ik absoluut fout bezig was en dit niet de wijze is waarop het hoort te gaan. Dit gevoel overheerste bij het gehele proces van het maken van het verslag. Doordat we steeds dieper in het proces kwamen en de onwaarheden alleen maar toenamen durfde ik niet meer terug te stappen.” Uit de verklaringen van appellant blijkt dat geen sprake was van onnadenkend dan wel naïef gedrag.

4.3.

Namens de directeur is ter zitting verklaard dat bij de toepassing van

artikel 35.3, aanhef en onder b, van de OER een belangenafweging wordt verricht en dat die in deze zaak ook heeft plaatsgevonden.

4.4.

Ter zitting is namens de directeur verder verklaard dat in de belangenafweging niet is meegewogen dat appellant vanaf november 2015 weer aan het werk was (in de noodhulp) toen het voornemen werd uitgebracht, dat er geen overleg heeft plaatsgevonden tussen het college en het korps tijdens de periode van het voornemen en het besluit van 21 maart 2016 en dat het college eerder het rapport van Bureau VIK had kunnen opvragen en tot besluitvorming had kunnen overgaan. Indien deze feiten en omstandigheden zouden zijn meegewogen, hadden deze volgens de directeur niet tot een andere uitkomst van de belangenafweging geleid.

4.5.

Niet kan worden geoordeeld dat de directeur niet in redelijkheid tot de door hem gemaakte belangenafweging heeft kunnen komen. Terecht heeft de directeur zwaar laten meewegen dat van een (aanstaande) politieambtenaar wordt verwacht dat hij onder alle omstandigheden de voor deze functie vereiste integriteit, geloofwaardigheid en betrouwbaarheid moet bezitten en tonen. Daarnaast heeft de directeur groot gewicht mogen toekennen aan het feit dat appellant zich in het derde jaar van zijn opleiding bevond en hij op meerdere momenten heeft nagelaten de waarheid te vertellen. De Raad volgt appellant niet in zijn standpunt dat de uitkomst van de belangenafweging disproportioneel is gelet op zijn beweerde beperkte rol in de examenfraude. Appellant heeft ervoor gekozen om de opdracht gezamenlijk uit te voeren en in te leveren en de fraude, waar hij zich bewust van was, op meerdere momenten niet te melden. Onder deze omstandigheden heeft de directeur op goede gronden de inschrijving van appellant beëindigd.

4.6.

De stelling van appellant dat de directeur in strijd met artikel 22.2 van de OER heeft gehandeld omdat hij heeft nagelaten om voorafgaand aan de besluitvorming over de beëindiging van de inschrijving overleg te hebben met het korps, doet niet af aan de eigen beslissingsbevoegdheid van de directeur op grond van het bepaalde in artikel 35.3, aanhef en onder b, van de OER. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.7.

Voor zover appellant een beroep heeft willen doen op het vertrouwensbeginsel, wordt deze beroepsgrond buiten bespreking gelaten, omdat deze in strijd met de goede procesorde eerst ter zitting is aangevoerd.

4.8.

De conclusie is dat het hoger beroep geen doel treft en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en H. Lagas en H. Benek als leden, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 november 2017.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) A. Mansourova

HD