Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4016

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-11-2017
Datum publicatie
21-11-2017
Zaaknummer
15/7275 WAO
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:6187, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medisch onderzoek verricht door een verzekeringsarts tezamen met een basisarts maakt medisch onderzoek niet onzorgvuldig. Geen persoonlijk onderhoud met arbeidsdeskundige (bezwaar en beroep) doet niet af aan rechtmatigheid bestreden besluit. Mogelijkheid bezwaar. Rechtbank heeft terecht overwogen dat er geen grond is voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling. Rapporten van Duijzers geven geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling. De in hoger beroep ingediende informatie van PsyQ ziet niet op de datum in geding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/7275 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 10 september 2015, 15/576 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 15 november 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.J.V.H. Stoffels, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Stoffels. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.W.L. Clemens.

OVERWEGINGEN

1.1.

Aan appellant was een uitkering toegekend op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk sinds september 1990 berekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 15 tot 25%. Op 4 oktober 2013 heeft het Uwv van appellant een melding ontvangen van een toename van zijn arbeidsongeschiktheid naar aanleiding van een ongeval dat op 1 april 2006 plaats vond.

1.2.

Bij besluit van 21 februari 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat de mate van de arbeidsongeschiktheid van appellant per 1 oktober 2013 is toegenomen en dat dit moment niet binnen vijf jaar na de datum van toekenning of herziening van de uitkering ligt. Daarom kan de uitkering niet na vier weken toegenomen arbeidsongeschiktheid worden herzien. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is gegrond verklaard bij beslissing op bezwaar van 19 december 2014 (bestreden besluit). Bij het bestreden besluit is vastgesteld dat de WAO-uitkering van appellant met ingang van 31 maart 2008, 104 weken na de ziekmelding per 1 april 2006, wordt herzien en nader vastgesteld, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Hierbij heeft zij overwogen dat sprake is geweest van een zorgvuldig medisch onderzoek. De omstandigheid dat naast de gekwalificeerde verzekeringsarts een basisarts aanwezig was bij het medisch onderzoek op

5 juni 2014 doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de zorgvuldigheid van dat onderzoek, temeer daar in bezwaar een verzekeringsarts bezwaar en beroep de belastbaarheid van appellant nogmaals heeft beoordeeld. Er is geen grond voor twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsarts opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 4 juli 2014. Appellant heeft zijn standpunt dat hij volledig arbeidsongeschikt is sinds 1 april 2006 niet nader onderbouwd. Het enkele feit dat hij stelt te beschikken over een invalidenparkeerkaart is daartoe onvoldoende, temeer daar hij hieromtrent geen onderliggend medisch rapport heeft overgelegd. De geschiktheid van de geselecteerde functies is, uitgaande van de FML, afdoende gemotiveerd. Er heeft weliswaar geen gesprek met de arbeidsdeskundige plaatsgevonden, maar nu de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de door de arbeidsdeskundige geduide functies opnieuw heeft beoordeeld is geen sprake van een onzorgvuldige arbeidskundige beoordeling.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij volledig arbeidsongeschikt is sinds

1 april 2006 ten gevolge van de beperkingen wegens de stressfractuur in zijn rechterscheenbeen en zijn klachten van depressieve aard, wat betekent dat hij met ingang van 31 maart 2008 voor een uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100 in aanmerking komt. Ter onderbouwing heeft hij informatie ingediend van het Erasmus Medisch Centrum (EMC) van 2015 over stressfracturen van de voorste tibiacortex, rapportages indicatie parkeervoorziening gedateerd 6 december 2012 en 25 november 2013 van verzekeringsarts drs. J.C.C. Duijzers, een besluit van 25 november 2015 van burgemeester en wethouders van Moerdijk tot toekenning van een gehandicaptenparkeerkaart en informatie van PsyQ, daterend uit 2014. Ter zitting van de Raad heeft appellant benadrukt dat hij vindt dat het Uwv onzorgvuldig onderzoek heeft verricht. Bij het onderzoek door de verzekeringsarts was een basisarts aanwezig. Achteraf bezien had appellant dit liever niet gehad want hij heeft dit onderzoek niet als prettig ervaren. Verder is de toezegging dat een gesprek met een arbeidsdeskundige (bezwaar en beroep) zou plaatsvinden, niet nagekomen.

4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

De omstandigheid dat het medisch onderzoek is verricht door een verzekeringsarts tezamen met een basisarts maakt niet dat sprake is geweest van onzorgvuldig medisch onderzoek. De verzekeringsarts heeft op basis van de onderzoeksbevindingen en informatie van de behandelend sector de functionele mogelijkheden van appellant op de datum in geding van 31 maart 2008 vastgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vervolgens de door de verzekeringsarts vastgestelde functionele mogelijkheden heroverwogen op basis van het medisch dossier en het verslag van de hoorzitting. Dit getuigt van zorgvuldig medisch onderzoek. Het arbeidskundig onderzoek daarentegen is niet rimpelloos verlopen. De arbeidsdeskundige kon geen contact met appellant krijgen en heeft daarom afgezien van een gesprek met appellant, terwijl appellant had doorgegeven dat hij in die periode op vakantie was. Hoewel uit het rapport van de arbeidsdeskundige blijkt dat hij appellant telefonisch niet kon bereiken noch een reactie had ontvangen op zijn schriftelijke uitnodiging en daarom heeft afgezien van een onderhoud, is onder 2.4 opgenomen dat de voorgehouden functies met appellant zijn besproken. In die zin is het rapport tegenstrijdig. Bij nadere lezing is echter duidelijk dat de betreffende passage onder 2.4 per abuis is opgenomen. Hoewel het beter was geweest om appellant de gelegenheid te bieden tot een persoonlijk onderhoud met de arbeidsdeskundige en/of de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, doet dit niet af aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Appellant is immers in de gelegenheid gesteld bezwaar te maken tegen het voorgenomen besluit, dus ook tegen de bevindingen van de arbeidsdeskundige. Tevens heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep een volledige heroverweging van de arbeidskundige beoordeling verricht.

4.3.

Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat er geen grond is voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling. De verzekeringsartsen hebben zich gebaseerd op de aangeleverde informatie van de behandelend orthopedisch chirurgen bij het EMC

(onder meer D.E. Meuffels en J.H.J.M. Bessems), GGZ Breda en psychotherapeut

I. Demuynck, naast de eigen onderzoeksbevindingen. Door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is overtuigend gemotiveerd dat de FML van 4 juli 2014 voortvloeit uit de voorhanden medische informatie voor zover deze betrekking heeft op de datum in geding, waarbij beperkingen zijn aangenomen wegens chronische pijnklachten aan het rechterscheenbeen en depressieve klachten in remissie.

4.4.

Appellant heeft aangevoerd dat met name de belastbaarheid ten aanzien van lopen is overschat en heeft hiertoe gewezen op de rapporten van verzekeringsarts Duijzers van december 2012 en november 2013, op basis waarvan hem een parkeervoorziening is toegekend omdat hij minder dan 100 meter kan lopen, terwijl bij de FML is vastgesteld dat hij ongeveer een kwartier achtereen kan lopen, gedurende één tot twee uur per werkdag. De rapporten van Duijzers zien echter niet op het toestandsbeeld van appellant op de datum in geding van 31 maart 2008, maar op diens toestand in december 2012 en november 2013. Duijzers zag appellant bovendien kort na operatieve ingrepen, namelijk de plaatsing van een mergpen in november 2012 en de verwijdering van deze pen in september 2013. Niet duidelijk is, of de loopbelasting toen gelijk was aan die op de datum in geding. De ingebrachte informatie van het EMC uit 2015 betreft algemene wetenschappelijke informatie waaruit blijkt dat de tibia stressfractuur erom bekend staat dat hij lastig te genezen is en dat patiënten langdurig klachten houden. Deze informatie geeft geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling in het geval van appellant, nu met de chronische (pijn)klachten van appellant rekening is gehouden. De in hoger beroep ingediende informatie van PsyQ doet evenmin af aan de juistheid van de medische beoordeling, omdat deze informatie dateert uit 2014 en niet ziet op de datum in geding. Er is door het Uwv rekening gehouden met de depressieve klachten van appellant op de datum in geding, waarbij is afgegaan op de beschikbare, zij het summiere informatie die ziet op de periode rond maart 2008. Nu appellant zijn aanvraag pas zeer laat heeft ingediend, ligt het risico dat over de betreffende periode geen uitgebreidere medische informatie meer te verkrijgen is, bij hem.

4.4.

De medische geschiktheid voor appellant van de geselecteerde functies is, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, voldoende gemotiveerd.

4.5.

Gelet op de overwegingen 4.2 tot en met 4.4 slaagt het hoger beroep niet.

4.6.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitsprak.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 november 2017.

(getekend) B.M. van Dun

(getekend) H. Achtot

IJ