Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4015

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-11-2017
Datum publicatie
21-11-2017
Zaaknummer
15/643 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad is van oordeel dat de minister op de adviezen van zijn medisch adviseur Knol mocht afgaan. De adviezen zijn op een zorgvuldige wijze tot stand gekomen en zijn inzichtelijk gemotiveerd. Met het rapport van de neuroloog in opleiding Fakiri heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat de medisch adviseur de medische situatie van appellant onjuist heeft ingeschat of dat aan de juistheid van zijn conclusies moet worden getwijfeld. Niet is voldaan aan de ingevolge artikel 5.16, vijfde lid, van de Wsf 2000 gestelde eis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2017/259
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/643 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 17 december 2014, 14/1549 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

Datum uitspraak: 15 november 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. A.V. Roepnarain hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2015. Voor appellant is

mr. drs. Roepnarain verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M.S. Slagter.

Het onderzoek is na de zitting heropend voor nader onderzoek.

Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens opnieuw plaatsgevonden op 7 december 2016. Voor appellant is verschenen mr. drs. Roepnarain en voor de minister was aanwezig drs. Slagter.

Het onderzoek ter zitting is geschorst om de minister een nader onderzoek te laten verrichten door zijn medisch adviseur.

De minister heeft een rapport van zijn medisch adviseur F. Knol van 30 januari 2017 overgelegd. Appellant heeft hierop gereageerd en een rapport van drs. M. Fakiri, neuroloog in opleiding, overgelegd. Desgevraagd heeft de minister in reactie daarop een nader rapport van Knol van 19 juni 2017 overgelegd, waarop van de zijde van appellant is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 23 augustus 2017. Partijen hebben zich opnieuw laten vertegenwoordigen door de hiervoor genoemde gemachtigden.

OVERWEGINGEN

1.1.

In het studiejaar 2010-2011 stond appellant ingeschreven voor de wo-opleiding Geschiedenis aan de Universiteit Leiden (UL). In het studiejaar 2011-2012 stond appellant voor dezelfde opleiding ingeschreven aan de Vrije Universiteit Amsterdam (VU). Vanaf september 2012 staat appellant ingeschreven voor de hbo-opleiding Maatschappelijk Werk en Dienstverlening.

1.2.

Appellant heeft bij de minister een Verzoek Voorziening prestatiebeurs ingediend. Daarbij heeft hij verzocht om een nieuwe aanspraak op studiefinanciering op grond van artikel 5.16, vierde lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). Hij stelt dat hij wegens psychische problemen heeft moeten stoppen met de hoger onderwijs opleiding Geschiedenis en per september 2012 gestart is met de passender hoger onderwijs opleiding Maatschappelijk Werk en Dienstverlening. Ter onderbouwing van het verzoek heeft de huisarts van appellant, op het daartoe door de minister verstrekte formulier medische informatie, vermeld dat bij appellant sprake is van een depressie en een handicap of chronische ziekte sinds oktober 2011.

1.3.

Bij besluit van 21 maart 2014 heeft de minister het verzoek van appellant afgewezen omdat een, het verzoek ondersteunende, verklaring van de VU, de onderwijsinstelling waar appellant laatstelijk stond ingeschreven voor de opleiding Geschiedenis, ontbreekt.

1.4.

Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. In de bezwaarprocedure heeft appellant een verklaring van de decaan van de UL overgelegd waarin het verzoek van appellant om een nieuwe aanspraak op studiefinanciering wordt ondersteund.

1.5.

Bij besluit van 1 juli 2014 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar tegen het besluit van 21 maart 2014 ongegrond verklaard. Aan dit besluit, zoals nader toegelicht in het verweerschrift bij de rechtbank, heeft de minister ten grondslag gelegd dat door het ontbreken van een ondersteunende verklaring van de onderwijsinstelling waar appellant laatstelijk was ingeschreven voor het volgen van de opleiding Geschiedenis en door het ontbreken van een inhoudelijke verklaring van een medicus niet wordt voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor het toekennen van een nieuwe aanspraak op studiefinanciering.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat niet is voldaan aan de in artikel 5.16, vierde lid, van de Wsf 2000 opgenomen toepassingsvoorwaarden. Een situatie als bedoeld in artikel 11.5 van de Wsf 2000 heeft de rechtbank op grond van de in de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen niet aanwezig geacht. De rechtbank heeft op basis van de in de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen voorts geoordeeld dat het bestreden besluit niet strijdt met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en daarbij in grote lijnen zijn in beroep aangevoerde gronden herhaald. Kort samengevat heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat wel voldaan is aan de wettelijke vereisten voor toepassing van artikel 5.16, vierde lid, van de Wsf 2000. In dit verband heeft appellant gewezen op de verklaring van de UL en de in beroep overgelegde verklaring van de huisarts van appellant. Voorts heeft appellant een beroep gedaan op artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), op artikel 11.5 van de Wsf 2000 en artikel 8 van het EVRM.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.1.

Artikel 5.16, vierde lid, van de Wsf 2000 bepaalt dat indien een student als direct gevolg van een tijdens de studie verworven handicap, ten gevolge van een zich tijdens de studie verergerende handicap of ten gevolge van een zich tijdens de studie manifesterende chronische ziekte genoodzaakt is een reeds begonnen opleiding te beëindigen, de student bij keuze voor een passender opleiding een nieuwe aanspraak op studiefinanciering ontvangt.

4.1.2.

Ingevolge artikel 5.16, vijfde lid, stelt de minister op aanvraag van de student vast of er sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van dit artikel. De bijzondere omstandigheden kunnen uitsluitend worden aangetoond door gedagtekende verklaringen van een arts en de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven.

4.2.

Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5.16, vierde lid, van de Wsf 2000 (Handelingen II, 1999/00, nr. 58, blz. 4088/4094; nr. 59, blz. 4145 en nr. 60, blz. 4212) volgt dat de in dit artikellid getroffen voorziening enkel ziet op zeer uitzonderlijke gevallen. Als voorbeeld is genoemd het geval van een student die door een ongeval handletsel oploopt waardoor hij zijn opleiding tot pianist aan het conservatorium niet meer kan afmaken maar met die handicap bijvoorbeeld wel een juridische opleiding kan volgen. Evenals de overige in artikel 5.16 getroffen voorzieningen, is de in het vierde lid getroffen voorziening slechts bedoeld voor gevallen die evident tot een onredelijk of onbillijk resultaat leiden.

4.3.

Het in de uitspraken van de Raad van 28 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3781, en 18 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:224, uiteengezette toetsingskader voor de beoordeling van een verzoek om toekenning van een van de voorzieningen in de leden een tot en met drie van artikel 5.16 geldt ook voor de beoordeling van een verzoek om toekenning van een nieuwe aanspraak op studiefinanciering. Kort samengevat geldt het volgende. Uit verklaringen van het bestuur van de onderwijsinstelling waar de student is ingeschreven, én van een arts zal moeten blijken dat voldaan is aan de in artikel 5.16, vierde lid, van de Wsf 2000 gestelde voorwaarden voor toekenning van een nieuwe aanspraak op studiefinanciering. Het is niet aan de minister om zelfstandig te beoordelen of aan de toepassingsvoorwaarden is voldaan. Het is wel aan de minister om te bezien of de door artikel 5.16, vijfde lid, voorgeschreven verklaringen van de onderwijsinstelling en een arts op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, inzichtelijk en consistent zijn. Eerst indien daarvan sprake is heeft de minister een toereikende grondslag voor zijn beslissing op het verzoek van de studerende.

4.4.

De student die een aanvraag indient voor een van de voorzieningen van artikel 5.16 kan voor wat betreft de medische onderbouwing van zijn verzoek in eerste instantie volstaan met het invullen van het formulier medische informatie, welk formulier door de minister als bijlage bij het formulier Verzoek Voorziening prestatiebeurs wordt verstrekt. Een arts dient op dat formulier aan te geven of, en in welke periode, bij de student sprake is van een medische omstandigheid en/of, en sinds wanneer, bij de student sprake is van een handicap of chronische ziekte. Het door de minister opgestelde formulier medische informatie vermeldt dat dit formulier geen geneeskundige verklaring is en dat het niet de bedoeling is dat de arts een beoordeling maakt. Dit komt de Raad gelet op de ter zake vigerende richtlijnen van de KNMG juist voor. Wel mag een behandelend arts, met toestemming van de patiënt, feitelijke medische informatie verstrekken. Vorenstaande betekent dat indien de student zijn verzoek onderbouwt met een door een arts ingevuld formulier medische informatie het vervolgens op de weg van de minister ligt een arts in te schakelen om te beoordelen of sprake is van bijzondere omstandigheden van medische aard als bedoeld in artikel 5.16 van de Wsf 2000. Indien de door de minister ingeschakelde arts het voor een adequate beoordeling van het verzoek noodzakelijk acht te beschikken over feitelijke medische informatie van de (voormalig) behandelende arts(en) van de student, is het aan de student om daarvoor al dan niet toestemming te geven.

4.5.

Appellant heeft zijn verzoek onderbouwd met een door zijn huisarts ingevuld formulier medische informatie als bedoeld in 4.4. Gelet hierop heeft de minister desgevraagd zijn medisch adviseur Knol ingeschakeld om te beoordelen of appellant al dan niet als direct gevolg van handicap/ziekte genoodzaakt is geweest de opleiding Geschiedenis te beëindigen en, als dat het geval zou zijn, of de nadien aangevangen opleiding Maatschappelijk Werk en Dienstverlening al dan niet passender is gelet op de handicap/ziekte van appellant. De medisch adviseur heeft in zijn rapport van 30 januari 2017, op basis van de voorhanden zijnde gegevens, geconcludeerd dat niet aannemelijk is dat appellant ten gevolge van zijn psychische klachten blijvend een dusdanig verminderd cognitief vermogen zou hebben dat hij daardoor niet in staat was om zijn studie Geschiedenis voort te zetten. In een rapport van 19 juni 2017 heeft de medisch adviseur, in reactie op het door appellant overgelegde rapport van de neuroloog in opleiding Fakiri, zijn conclusies nader gemotiveerd.

4.6.

De Raad is van oordeel dat de minister op de adviezen van zijn medisch adviseur Knol mocht afgaan. De adviezen zijn op een zorgvuldige wijze tot stand gekomen en zijn inzichtelijk gemotiveerd. In de adviezen is aangegeven van welke gegevens is uitgegaan, welke onderzoeksmethodiek is gehanteerd en waartoe weging van de gegevens heeft geleid. Uit die adviezen kan worden afgeleid dat bij appellant geen sprake is van blijvende beperkingen op grond waarvan er een medische noodzaak bestond tot het beëindigen van de opleiding Geschiedenis. Het door Knol gegeven medisch oordeel is consistent. Met het rapport van de neuroloog in opleiding Fakiri heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat de medisch adviseur de medische situatie van appellant onjuist heeft ingeschat of dat aan de juistheid van zijn conclusies moet worden getwijfeld.

4.7.

Uit 4.6 volgt dat in ieder geval niet voldaan is aan de ingevolge artikel 5.16, vijfde lid, van de Wsf 2000 gestelde eis dat uit een verklaring van een arts moet blijken dat voldaan is aan de toepassingsvoorwaarden voor toekenning van een nieuwe aanspraak op studiefinanciering. Of in het onderhavige geval de ingevolge artikel 5.16, vijfde lid, tevens vereiste verklaring van het bestuur van de onderwijsinstelling voorhanden is, behoeft dan ook verder geen bespreking.

4.8.

De Raad heeft aan de door de rechtbank gebezigde overwegingen met betrekking tot de gronden van beroep ter zake van artikel 11.5 van de Wsf 2000 en artikel 8 van het EVRM niets toe te voegen. De grond dat het bestreden besluit strijdt met artikel 3:4 van de Awb omdat geen belangenafweging heeft plaatsgevonden gaat eraan voorbij dat in dit geval geen discretionaire bevoegdheid aan de orde is.

4.9.

De overwegingen in 4.2 tot en met 4.8 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en H.J. de Mooij en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 november 2017.

(getekend) R.M. van Male

(getekend) R.H. Budde

KS