Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4000

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-11-2017
Datum publicatie
17-11-2017
Zaaknummer
17/573 WAO
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:7811, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek appellant van 16 oktober 2015 om terug te komen van de besluiten van 4 januari 2006 en 16 juni 2010 waarbij achtereenvolgens zijn aanspraken per 5 maart 2006 en 21 mei 2009 zijn beoordeeld. Toepassing rechtspraak inzake duuraanspraken. Het Uwv heeft zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd, op het standpunt gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Uit overweging 4.1 tot en met 4.12 volgt dat de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit terecht ongegrond heeft verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/573 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 2 december 2016, 16/2893 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 10 november 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.E. Temmen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Temmen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft vanaf juni 1996 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen. Bij besluit van 4 januari 2006 is de uitkering met ingang van 5 maart 2006 beëindigd, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is vastgesteld op minder dan 15%. Het door appellant gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard. Het door appellant ingestelde beroep is ongegrond verklaard in een uitspraak van de rechtbank Breda. Deze uitspraak is bevestigd in de uitspraak van de Raad van 7 augustus 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5132).

1.2.

Naar aanleiding van een de melding van verslechterde gezondheid heeft het Uwv bij besluit van 16 juni 2010 geweigerd appellant met ingang van 21 mei 2009 opnieuw een WAO-uitkering toe te kennen. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is ongegrond verklaard bij besluit van 18 november 2010. In een uitspraak van de rechtbank Breda is bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van 18 november 2010 in stand blijven. De Raad heeft deze uitspraak bevestigd in zijn uitspraak van 7 december 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BY6294).

1.3.

Bij brief van 22 februari 2013 heeft appellant verzocht om een herbeoordeling van zijn aanspraken op grond van de WAO. Bij besluit van 28 februari 2013 is geweigerd appellant met ingang van 25 november 2012 opnieuw een WAO-uitkering toe te kennen. Ook dit besluit is in bezwaar, beroep en hoger beroep in stand gebleven. In de uitspraak van de Raad van 12 juni 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1968) is daaraan ten grondslag gelegd dat terecht is geweigerd aan appellant een uitkering toe te kennen op de grond dat de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan hij de uitkering wenst, is gelegen buiten de vijfjaarstermijn, als bedoeld in artikel 43a van de WAO. De Raad heeft in zijn uitspraak uiteengezet dat appellant kan overwegen bij het Uwv een verzoek in te dienen tot herziening van de beslissingen waarbij zijn aanspraken per 5 maart 2006 en/of per 21 mei 2009 zijn beoordeeld, indien hij meent dat deze beslissingen onjuist zijn.

1.4.

Bij brief van 16 oktober 2015 heeft appellant verzocht om terug te komen van de besluiten van 4 januari 2006 en 16 juni 2010 waarbij achtereenvolgens zijn aanspraken per

5 maart 2006 en 21 mei 2009 zijn beoordeeld. Het Uwv heeft dit verzoek afgewezen bij besluit van 10 december 2015. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een rapport van 2 mei 2016 op basis van de beschikbare medische informatie geconcludeerd dat er geen aanleiding is terug te komen van het besluit van 4 januari 2006 of het besluit van

16 juni 2010. De beoordeling heeft plaatsgevonden naar de medische situatie van appellant zowel op de in deze besluiten in geding zijnde data 5 maart 2006 en 21 mei 2009, als op

16 oktober 2015, de datum waarop is verzocht om terug te komen van deze besluiten. Voorts is geconcludeerd dat – mede gelet op de uitspraak van 12 juni 2015 van de Raad – appellant geen aanspraken kan ontlenen aan (de Amber-regeling van) artikel 43a van de WAO. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 december 2015 is bij besluit van 3 mei 2016 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellant tegen het besluit van 3 mei 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Het oordeel van de rechtbank komt erop neer dat uit de aangeleverde informatie niet blijkt dat er sprake is van nieuwe feiten of (veranderde) omstandigheden die (appellant) voorheen niet bekend waren en (hem) ook niet bekend konden zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is het voor het Uwv niet mogelijk om terug te komen ten aanzien van de periode na het verzoek van 16 oktober 2015, alleen al omdat appellant dan niet meer als verzekerde kan worden aangemerkt.

3.1.

Appellant stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat het Uwv dient terug te komen van de besluiten van 4 januari 2006 en 16 juni 2010 omdat daarbij is uitgegaan van de onjuiste veronderstelling dat er een geringe kans van 2 à 3% zou zijn op een nieuwe hersenbloeding. Appellant heeft een niet operabele afwijking in de hersenen, waardoor hersenbloedingen ontstaan. Het percentage van 2 à 3 is gebaseerd op een uitlating van neurochirurg Verhagen in een brief van 16 april 1997. Daarna heeft appellant een reeks hersenbloedingen gehad.

3.2.

Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd die betrekking hebben op de in geding zijnde data

5 maart 2006 en 21 mei 2009 en dat op juiste wijze toepassing is gegeven aan de rechtspraak van de Raad over het terugkomen van besluiten over duuraanspraken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Vastgesteld wordt dat – evenals in beroep – in hoger beroep tussen partijen niet in geschil is dat appellant geen aanspraak kan maken op een uitkering met toepassing van artikel 43a van de WAO (de Amber-regeling).

4.2.

Het verzoek van appellant van 16 oktober 2015 strekt ertoe dat het Uwv terugkomt van zijn besluiten van 4 januari 2006 en 16 juni 2010. Het Uwv heeft hierop beslist met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.3.

Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is (uitspraak van de Raad van 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115).

4.4.

Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

4.5.

Ter ondersteuning van zijn verzoek van 16 oktober 2015 heeft appellant aangevoerd dat bij de besluiten van 4 januari 2006 en 16 juni 2010 er ten onrechte van is uitgegaan dat de kans op een hersenbloeding bij appellant gering is, dat deze ongeveer even groot is als de kans op een hersenbloeding bij een willekeurige gezond persoon en dat niet duidelijk zou zijn geweest dat deze kans bij het ouder worden toeneemt. Deze veronderstellingen zijn volgens appellant onjuist gebleken, omdat hij nadien meerdere malen een hersenbloeding heeft gehad. Zowel zijn lichamelijke als zijn psychische situatie is sterk verslechterd.

4.6.

De (primaire) verzekeringsarts heeft overwogen dat niet is gebleken dat sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die (appellant) niet bekend waren en (hem) ook niet bekend konden zijn. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft overwogen dat geen sprake is van nieuwe medische feiten of veranderde gezondheidsomstandigheden die destijds aanwezig zouden zijn geweest, maar waarmee geen rekening is gehouden, omdat deze toen niet bekend waren. Bij de eerdere beoordelingen van de aanspraken per 5 maart 2006 en

21 mei 2009 is voldoende rekening gehouden met de aanwezige problematiek. Ook werden preventieve beperkingen gesteld met de bedoeling om risicofactoren voor de gezondheid, zoals stressoren en drukverhogende handelingen of houdingen, te vermijden. Bij deze beoordelingen werd het advies van de neurochirurg Verhagen gevolgd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft uiteengezet dat het feit dat werd uitgegaan van een geringe kans op een nieuwe hersenbloeding, niet uitsluit dat zich een nieuwe bloeding zou voordoen. Ook hierin is bij de beoordeling afgegaan op neurochirurg Verhagen, in de zin dat theoretisch

– met of zonder behandeling – een bloedingskans van 2 à 3% zou blijven bestaan. Het optreden van een bloeding kan niemand met zekerheid voorspellen.

4.7.

Gelet op deze overwegingen heeft het Uwv zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.

4.8.

Het Uwv mocht het verzoek van appellant van 16 oktober 2015 dan ook afwijzen met verwijzing naar zijn besluiten van 4 januari 2006 en 16 juni 2010. Hierin ligt tevens besloten dat de door appellant in beroep overgelegde informatie niet leidt tot een ander oordeel. In wat appellant heeft aangevoerd wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre evident onredelijk is.

4.9.

Zoals in de uitspraak van de Raad van 3 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:894, is overwogen blijft na toepassing door een bestuursorgaan van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb onverminderd van belang de uitspraak van de Raad van 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1, waarin is overwogen dat een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking moet worden beoordeeld. Voor deze zaak leidt dat tot het volgende.

4.10.

Wat betreft de situatie na het herzieningsverzoek van 16 oktober 2015 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overwogen dat dit verzoek niet tot een gunstiger beoordeling voor appellant kan leiden. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is bij de beoordelingen per 5 maart 2006 en 21 mei 2009 voldoende rekening gehouden met de kans op nieuwe hersenbloedingen en past de beoordeling per die data bij het beleid van neurochirurg, dat hij verwoordt in zijn brief van 16 april 1997.

4.11.

Er is geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Rekening is gehouden met de door appellant bij brief van 3 juli 2013 overgelegde informatie van zijn behandelaars. In een brief van 25 april 2013 van de neurochirurg is onder meer vermeld dat appellant de behandeling goed heeft doorstaan en twee jaar na de behandeling een controle zal plaatsvinden. De overgelegde informatie bevat geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de medische situatie van appellant per

16 oktober 2015 zodanig is dat dit zou moeten leiden tot een andere beoordeling van de belastbaarheid.

4.12.

Appellant heeft benadrukt dat niet duidelijk is waarop neurochirurg Verhagen zich baseerde toen hij verklaarde dat er een geringe kans van 2 à 3% zou zijn op een nieuwe hersenbloeding. Deze onduidelijkheid kan er niet aan afdoen dat het Uwv niet gehouden is met ingang van de datum van het herzieningsverzoek terug te komen van zijn besluiten van

4 januari 2006 en 16 juni 2010, nu aannemelijk is dat destijds bij de medische beoordelingen rekening is gehouden met de mogelijkheid dat opnieuw bloedingen zouden kunnen optreden door (preventieve) beperkingen vast te stellen.

4.13.

Uit overweging 4.1 tot en met 4.12 volgt dat de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit terecht ongegrond heeft verklaard. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 november 2017.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) N. Veenstra

KS