Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:400

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-02-2017
Datum publicatie
03-02-2017
Zaaknummer
15/8423 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met college wordt rechtbank niet gevolgd in haar verwijzing naar en toepassing van uitspraak van 14 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1277. Met college van oordeel dat ten tijde van het ontslagbesluit sprake was van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding, dat van college in redelijkheid niet kon worden gevergd de arbeidsrelatie met betrokkene nog langer voort te zetten. College heeft mogelijk onduidelijkheid geschapen maar daarin bestaat geen aanleiding om zijn aandeel in de impasse groter te achten dan dat van betrokkene.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2017/65
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/8423 AW, 16/940 AW, 16/1657 AW

Datum uitspraak: 2 februari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

19 november 2015, 14/3717 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Oldambt ( college)

[naam 1] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Namens het college heeft mr. G.W. Brouwer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. L. Rijpkema, advocaat, incidenteel hoger beroep ingesteld en een verweerschrift ingediend.

Namens het college heeft mr. Brouwer een zienswijze gegeven op het incidenteel hoger beroep.

Het college heeft bij besluit van 25 januari 2016 (bestreden besluit 2) opnieuw beslist op het bezwaar tegen het besluit van 13 december 2013.

Namens betrokkene heeft mr. Rijpkema een zienswijze gegeven op dit besluit.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 december 2016. Het college is vertegenwoordigd door A.H. Saman, bijgestaan door mr. Brouwer. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Rijpkema.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene was werkzaam bij de gemeente [naam 2] , in de functie van medewerker [naam functie 1] (schaal 10) op de [naam afdeling 1] voor 0,8 fte. Zij fungeerde als coördinator van de frontoffice van het team vergunningen.

1.2.

Na een ziektetraject vanaf april 2011 heeft betrokkene in het kader van re-integratie werkzaamheden verricht op de afdeling Beheer en Realisatie. Vanaf 12 juli 2012 heeft betrokkene in aangepaste werkzaamheden haar arbeid op de [naam afdeling 1] hervat.

1.3.

Op 30 augustus 2012 heeft betrokkene zich opnieuw ziek gemeld. In februari 2013 is zij om te re-integreren geplaatst op de [naam afdeling 2] als [naam functie 2] .

1.4.

Op 1 juli 2013 heeft betrokkene zich volledig hersteld gemeld. Deze hersteldmelding is, na een aanvankelijke weigering van haar leidinggevende S, geaccepteerd door het college.

1.5.

Bij brief van 8 juli 2013 is betrokkene door de gemeentesecretaris een waarschuwing gegeven, omdat de toonzetting van de e-mail van 1 juli 2013 van betrokkene aan S onacceptabel is.

1.6.

Na een voornemen, waarop betrokkene haar zienswijze heeft gegeven, is betrokkene bij besluit van 13 december 2013, gehandhaafd na bezwaar bij besluit van 8 juli 2014 (bestreden besluit 1) met ingang van 1 mei 2014 ontslag verleend vanwege haar hardnekkige weigering in haar eigen functie te hervatten. Die weigering bestaat er in dat betrokkene, toen er geen medische beletselen meer waren voor hervatting in de eigen functie en haar door S was meegedeeld dat geen alternatieve functie meer werd aangeboden, haar grieven op S heeft gericht en terugkeer onder zijn leiding als ziekmakend heeft aangemerkt. Bij dit ontslagbesluit is toepassing gegeven aan artikel 8:8 van de Collectieve Arbeidvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) en zijn als voorziening als bedoeld in artikel 10d:4 van de CAR/UWO een aanvullende en nawettelijke uitkering toegekend, alsmede een vergoeding van € 7.500,- ten behoeve van ondersteuning bij het zoeken van ander werk.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen over griffierecht en proceskosten, het bestreden besluit 1 vernietigd en het college opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak. De rechtbank was van oordeel dat betrokkene op 13 december 2013 op medische gronden ongeschikt was voor haar functie. Daarom was het college niet bevoegd betrokkene ontslag te verlenen op andere dan medische gronden. De rechtbank heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van 14 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1277.

3.1.

In hoger beroep heeft het college betoogd dat in dit geval een ontslag met toepassing van artikel 8:8 van de CAR/UWO wel mocht worden verleend. Het college heeft daarbij verwezen naar vaste rechtspraak (uitspraak 14 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2442).

3.2.

In het incidenteel hoger beroep heeft betrokkene betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten het ontslagbesluit van 13 december 2013 te herroepen. Verder heeft betrokkene naar voren gebracht dat een ontslag op medische gronden niet mogelijk is, omdat het college zich steeds op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake was van medische ongeschiktheid.

4. Bij bestreden besluit 2, dat genomen is ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, heeft het college het bezwaar tegen het ontslagbesluit opnieuw ongegrond verklaard. Het ontslag per 1 mei 2014 is gehandhaafd en thans gegrond op artikel 8:5 van de CAR/UWO, inhoudende gedeeltelijke ongeschiktheid wegens ziekte.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht wordt bestreden besluit 2 mede in de beoordeling betrokken.

5.2.

Op grond van artikel 8:8, eerste lid, van de CAR/UWO kan een ambtenaar die vast is aangesteld eervol worden ontslagen op een bij het besluit omschreven grond, niet vallende onder de gronden in vorige artikelen van dit hoofdstuk genoemd.

5.3.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 22 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:137) kan een ontslaggrond als die van artikel 8:8 van de CAR/UWO worden toegepast als sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding en voortzetting van het dienstverband in redelijkheid niet van het bestuursorgaan kan worden verlangd.

5.4.

Eveneens volgens vaste rechtspraak is een ontslag op andere gronden zoals bedoeld in artikel 8:8 van de CAR/UWO geen ultimum remedium, dat slechts in aanmerking kan komen als andere ontslaggronden uitgesloten zijn. Bij samenloop van ontslaggronden heeft het bestuursorgaan keuzevrijheid. Wel moet de gehanteerde ontslaggrond voldoende worden onderbouwd (uitspraak van 3 januari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC1746 en 30 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA1835).

5.5.

Met het college is de Raad van oordeel dat de rechtbank daarom niet gevolgd kan worden in haar verwijzing naar en toepassing van de uitspraak van 14 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1277, waarin de Raad zijn vaste rechtspraak heeft herhaald, dat in geval een ambtenaar ongeschikt is voor zijn functie op medische gronden, het niet is toegestaan ontslag te verlenen wegens ongeschiktheid anders dan wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid. Aan betrokkene is immers niet een ontslag wegens ongeschiktheid anders dan wegens ziekte of gebreken verleend. De rechtbank had dus moeten beoordelen of sprake was van een verstoorde verhouding zoals door het college in het bestreden besluit 1 is gemotiveerd. De Raad merkt daarbij nog op dat, mede gelet op de hersteldmelding per 1 juli 2013, die uiteindelijk door het college is geaccepteerd, die heeft geleid tot hervatting van de volledige bezoldiging en die nadien niet meer is gevolgd door een nieuwe ziekmelding, niet valt in te zien dat in dit geval, niettegenstaande de onder 5.4 bedoelde keuzevrijheid, de procedure leidende tot een ziekteontslag had moeten worden gevolgd.

5.6.

Het hoger beroep van het college slaagt. De uitspraak van de rechtbank zal worden vernietigd. Nu de aangevallen uitspraak zal worden vernietigd, is de grondslag aan het ter uitvoering daarvan genomen nadere besluit (bestreden besluit 2) komen te ontvallen, zodat dit besluit moet worden vernietigd. De Raad zal nu beoordelen of het bestreden besluit 1 stand kan houden.

5.7.

De Raad is met het college van oordeel dat ten tijde van het ontslagbesluit sprake was van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding, dat van het college in redelijkheid niet kon worden gevergd de arbeidsrelatie met betrokkene nog langer voort te zetten. Van belang hierbij is dat betrokkene na haar ziekmelding in april 2011 ondanks de re-integratiepogingen niet heeft kunnen terugkeren in haar eigen functie vanwege een conflictsituatie met S. Die situatie heeft ertoe geleid dat betrokkene in juli 2011 op een andere afdeling is gaan re-integreren. In juli 2012 moest betrokkene (deels) hervatten op de [naam afdeling 1] . Dat heeft geleid tot de ziekmelding van 30 augustus 2012. Nadat de bedrijfsarts op 6 september 2012 had geoordeeld dat er weliswaar arbeidsmogelijkheden zijn, maar rekening moet worden gehouden met (tijdelijke) beperkingen ten aanzien van persoonlijk (aandacht richten en vasthouden) en sociaal (eigen gevoelens uiten) functioneren, heeft betrokkene ondanks een oproep geweigerd haar aangepaste werkzaamheden te hervatten. Na haar hersteldmelding van 1 juli 2013 tijdens het re-integratietraject op de [naam afdeling 2] , waar betrokkene voor 50% werkzaam was, heeft betrokkene geweigerd haar resterende arbeidsurenomvang van 30% aan te wenden op haar eigen afdeling. Niet bestreden is dat herplaatsing in een andere passende functie niet mogelijk was in verband met het ontbreken van de formatieve ruimte daarvoor. Toen de tijdelijke plaatsing op de [naam afdeling 2] per 1 januari 2014 verviel, heeft betrokkene volhard in haar weigering te hervatten in haar eigen functie. Bij gebrek aan formatieruimte was het evenmin mogelijk betrokkene elders binnen de gemeente te plaatsen. Aldus is een impasse ontstaan. Gezien het verloop sinds april 2011 en mede gelet op hetgeen ter zitting door betrokkene en het college naar voren is gebracht, komt de Raad tot de conclusie dat deze impasse aan een vruchtbare verdere samenwerking in de weg stond. Het college was daarom bevoegd betrokkene ontslag te verlenen op grond van artikel 8:8,

eerste lid, van de CAR/UWO.

5.8.

Betrokkene heeft in beroep betoogd dat het college bij het ontslag naast de getroffen uitkeringsvoorzieningen een zogenoemde plus had dienen toe te kennen, omdat het college een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde arbeidsverhouding. Dit betoog slaagt niet. De hersteldmelding van betrokkene per 1 juli 2013 bracht mee dat zij geacht moest en kon worden haar eigen werkzaamheden te verrichten. Zoals hiervoor is overwogen is betrokkene daartoe ook in de gelegenheid gesteld, maar heeft zij dat geweigerd. Door nadien de re-integratie in het tweede spoor met hulp van een derde voort te zetten en betrokkene zelfs een opleiding te laten volgen, heeft het college mogelijk onduidelijkheid geschapen maar niet gezegd kan worden dat daarin aanleiding bestaat om zijn aandeel in de impasse groter te achten dan dat van betrokkene.

5.9.

Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van betrokkene tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaren.

5.10.

Uit het voorgaande volgt dat het incidenteel hoger beroep van betrokkene niet slaagt.

6. Voor een veroordeling van het college in de proceskosten van betrokkene bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep van betrokkene tegen het besluit van 8 juli 2014 ongegrond;

- vernietigt het besluit van 25 januari 2016.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van L.L. van den IJssel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2017.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) L.L. van den IJssel

HD