Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3999

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-10-2017
Datum publicatie
20-11-2017
Zaaknummer
16/5321 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om kwijtschelding. Toepassing beleidsregels. Recidive en geen bijzondere omstandigheden. Het college is niet gehouden om met toepassing van artikel 4:84 Awb af te wijken van zijn beleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/5321 WWB

Datum uitspraak: 31 oktober 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

6 juli 2016, 16/1119 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.S. Pot, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade gedaan.

Het college heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 september 2017. Namens appellante is verschenen mr. Pot. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. van Kesteren.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving tot 28 maart 2014 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Sindsdien ontvangt zij een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet.

1.2.

Bij besluit van 15 februari 2006 heeft het college de bijstand van appellante herzien

(lees: ingetrokken) over de periode van 1 januari 2002 tot en met 9 april 2003 en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 19.250,41 van appellante teruggevorderd op de grond dat zij de inlichtingenverplichting heeft geschonden door aan het college geen melding te maken van een aantal bankrekeningen met een totaal saldo dat meer bedroeg dan het vrij te laten eigen vermogen (eerste terugvordering).

1.3.

Bij besluit van 15 augustus 2011 heeft het college de bijstand van appellante herzien (lees: ingetrokken) over de periode van 26 juli 2010 tot en met 30 april 2011 en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.451,73 van appellante teruggevorderd op de grond dat zij de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de inwoning vanaf 26 juli 2010 van haar dochter en kleindochter waardoor appellante in staat is haar huurkosten te delen (tweede terugvordering).

1.4.

Bij brief van 9 oktober 2014 heeft appellante het college verzocht om kwijtschelding van haar schulden. Bij besluit van 13 november 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

12 april 2016, heeft het college het verzoek om kwijtschelding afgewezen.

1.5.

Bij brief van 20 juli 2015 heeft appellante het college opnieuw verzocht om kwijtschelding van de dan nog openstaande restschuld.

1.6.

Bij besluit van 5 november 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 januari 2016 (bestreden besluit), heeft het college het verzoek van 20 juli 2015 afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college, onder verwijzing naar de toepasselijke beleidsregels, ten grondslag gelegd dat de in 1.2 en 1.3 vermelde terugvorderingen zijn ontstaan door schending van de inlichtingenverplichting. Wegens recidive komt appellante niet in aanmerking voor kwijtschelding van de nog openstaande restschuld. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om, in afwijking van het beleid, alsnog tot kwijtschelding over te gaan.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, samengevat weergegeven, overwogen dat de tweede terugvordering evenals de eerste terugvordering het gevolg is van schending van de inlichtingenverplichting en dat in dit geval op grond van het toen van toepassing zijnde

artikel 6.3, vierde lid, van de Beleidsregels Inkomensvoorziening WWB, IOAW en IOAZ (Beleidsregels) het college niet van (verdere) invordering afziet. Het college heeft in het bestreden besluit onderbouwd waarom de door appellante in bezwaar genoemde individuele omstandigheden geen bijzondere omstandigheden zijn om alsnog kwijtschelding te verlenen. Het feit dat appellante in februari 2011 niet om kwijtschelding van de eerste terugvordering heeft verzocht is geen bijzondere omstandigheid. Het zal immers vaker voorkomen dat een betrokkene nalaat bijtijds om kwijtschelding te vragen, terwijl hij op een zeker moment daar wel voor in aanmerking had kunnen komen. De stelling van appellante dat de tweede terugvordering van een andere aard is dan de eerste terugvordering en daarmee sprake is van een bijzondere omstandigheid, slaagt evenmin. Het staat immers vast dat ook de tweede terugvordering het gevolg is van schending van de inlichtingenverplichting. Appellante heeft verder aangevoerd dat zij al elf jaar aan het aflossen is, dat bij gehele terugbetaling de aflossing nog dertig jaar zal duren wat vanwege haar leeftijd niet realistisch is en dat zij al twee keer de gebruikelijke termijn van vijf jaar aan het terugbetalen is en dat dit zwaar weegt. Ook dit zijn geen bijzondere omstandigheden. De kans dat sprake is van een lange(re) aflossingsduur bij recidive kan geacht worden meegenomen te zijn bij de totstandkoming van het beleid zoals neergelegd in artikel 6.3, vierde lid, van de Beleidsregels. Verder is de leeftijd van appellante niet zo hoog dat niet (meer) van haar verlangd kan worden door te gaan met de aflossing op de beide vorderingen. Er zullen bovendien ook andere ouderen zijn die zich geconfronteerd zien met langlopende aflossingsverplichtingen jegens het college. In de door appellante genoemde omstandigheden is dus geen grond gelegen voor het oordeel dat het college op grond van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) had moeten afwijken van zijn Beleidsregels.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat de rechtbank er ten onrechte van uitgaat dat er geen bijzondere omstandigheid zou zijn. De terugvorderingsbesluiten van 15 februari 2006 en 15 augustus 2011 overlappen elkaar niet. Gelet hierop is het niet fair te stellen dat er sprake is van herhaling en dat er daarom niet wordt kwijtgescholden. Appellante heeft nu al twee keer de gebruikelijke termijn van vijf jaren terugbetaald. De gehele terugbetaling van de eerste terugvordering zal na tien jaar afbetalen nog bijna dertig jaar verder duren. Met het terugbetalen van tien jaren heeft appellante ook lang genoeg betaald in verband met de gestelde herhaling. Het langer terugbetalen dient geen enkel doel omdat gehele terugbetaling vanwege haar leeftijd niet realistisch is. Het college kan op grond van het beleid van kwijtschelding afzien als er sprake is van recidive. De afwijzing van de kwijtschelding is in strijd met alle redelijkheid.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 6.3, eerste lid, van de Beleidsregels, stelt het college zich tot doel om de teruggevorderde uitkering en de op derden verhaalde bijstand optimaal in te vorderen, voor zover zich daar geen andere wettelijke regeling tegen verzet. Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, kan het college onder meer besluiten van gehele of gedeeltelijke (verdere) invordering af te zien indien de belanghebbende gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan. Ingevolge het vierde lid ziet het college niet af van (verdere) invordering indien de terugvordering meer dan één keer het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB.

4.2.

De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, zoals onder 2 samengevat weergegeven, en maakt deze tot de zijne. Hij voegt daaraan toe dat blijkens de gedingstukken de schending van de inlichtingenverplichting die ten grondslag ligt aan het besluit van

15 augustus 2011 reeds aanving op 26 juli 2010 en gelet hierop appellante, materieel gezien, binnen vijf jaren na het besluit van 15 februari 2006 wederom haar inlichtingenverplichting heeft geschonden. Verder is, anders dan appellante meent, artikel 6.3, vierde lid, van de Beleidsregels, gelet op de tekst, een imperatief geformuleerde beleidsregel die op zichzelf geen uitzonderingen toelaat en is blijkens het eerste lid in de toepassing van de Beleidsregels voor het college een groot belang gelegen in de regelmatige uitvoering van de WWB en dat in geval van een fraudevordering teveel betaalde bijstand wordt teruggevorderd. Vergelijk de uitspraak van 3 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3831. Van belang is, tot slot, dat appellante als schuldenaar de bescherming in kan roepen van de regels over de beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en zij dus steeds de beschikking zal houden over een inkomen ter hoogte van 90% van de voor haar toepasselijke bijstandsnorm. Dit voert tot de conclusie dat het college niet gehouden is om met toepassing van artikel 4:84 van de Awb af te wijken van zijn beleid.

4.3.

Uit 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Het verzoek van appellante om veroordeling tot vergoeding van schade dient daarom te worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2017.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) S.A. de Graaff

HD