Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3990

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-11-2017
Datum publicatie
17-11-2017
Zaaknummer
17-3430 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:2206, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anders dan de rechtbank in het voetspoor van de raad van bestuur heeft overwogen, behelst de in het besluit van 14 mei 2015 opgenomen, uitdrukkelijke voortzetting van de aanstelling niet de derde, maar de vierde aanstelling op rij van appellante in tijdelijke dienst. Het besluit van 14 mei 2015 - in strijd met artikel 2.4.2, vierde lid, van de CAO UMC - is pas genomen nadat het opvolgende dienstverband als hiervoor bedoeld al van rechtswege was ontstaan. Einddatum 21 mei 2015 niet aangemerkt als een kennelijke verschrijving. Met ingang van 21 mei 2015 is dan ook sprake van een vierde dienstbetrekking, met de op grond van artikel 2.4.5, tweede lid, van de CAO UMC daaruit van rechtswege voortvloeiende gevolgen. De Raad voorziet zelf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2018/12
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/3430 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 maart 2017, 16/6709 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Universitair Medisch Centrum Rotterdam, Erasmus MC (raad van bestuur)

Datum uitspraak: 16 november 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F. Aarts hoger beroep ingesteld.

De raad van bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Aarts. De raad van bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.M. Nordsiek, S.E. Pille en ing. S.W. Wiekamp.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is van 22 oktober 2013 tot 21 april 2014 op basis van een detacheringsovereenkomst tussen [A] en het Erasmus MC bij dit universitair medisch centrum werkzaam geweest als logistiek medewerker.

1.2.

Aansluitend heeft de raad van bestuur appellante per 21 april 2014 met toepassing van artikel 2.4.2 van de CAO Universitair Medische Centra (CAO UMC) voor de duur van een jaar op oproepbasis aangesteld als [naam functie A].

1.3.

Nadat die aanstelling op 21 april 2015 van rechtswege was geëindigd, is deze aanvankelijk stilzwijgend voortgezet.

1.4.

Bij besluit van 14 mei 2015 heeft de raad van bestuur appellante vervolgens meegedeeld dat haar aanstelling voor bepaalde tijd op 21 mei 2015 eindigt en dat deze aanstelling wordt voortgezet tot 21 mei 2016.

1.5.

Bij brief van 9 februari 2016, met als onderwerp: ‘wijziging dienstverband’, heeft de raad van bestuur aan appellante bevestigd dat zij met ingang van 1 januari 2016 voor een bepaalde periode als bedoeld in artikel 2.4.2 van de CAO UMC, te weten tot 21 mei 2016, is aangesteld in de functie van [naam functie A], voor gemiddeld 32 uur per week. Daarbij is vermeld dat de aanstelling van appellante op oproepbasis per 1 januari 2016 komt te vervallen.

1.6.

Op 4 maart 2016 is appellante mondeling aangezegd dat haar aanstelling niet zal worden verlengd.

1.7.

Bij besluit van 26 mei 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 september 2016 (bestreden besluit), heeft de raad van bestuur aan appellante meegedeeld dat haar aanstelling per 21 mei 2016 van rechtswege is geëindigd. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat de brief van 9 februari 2016 niet meer is dan een wijzigingsbesluit van het besluit van 14 mei 2015. De bij besluit van 14 mei 2015 voortgezette tijdelijke aanstelling is van rechtswege geëindigd op 21 mei 2016. Er is geen sprake van een bij besluit van 9 februari 2016 per

1 januari 2016 verleende nieuwe aanstelling, die als vierde schakel in een keten van elkaar opvolgende tijdelijke aanstellingen geldt als een aanstelling voor onbepaalde tijd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank moet de in 1.1 genoemde detacheringsovereenkomst worden aangemerkt als de eerste schakel in de keten van tijdelijke dienstverbanden. Vervolgens is de in 1.2 genoemde aanstelling op oproepbasis de tweede schakel in die keten. Anders dan appellante, is de rechtbank van oordeel dat de stilzwijgende voortzetting van die aanstelling niet als aparte, derde schakel moet worden aangemerkt. Als derde schakel is aan merken de in 1.3 genoemde uitdrukkelijke voortzetting van die aanstelling bij besluit van 14 mei 2015. De in dat besluit opgenomen zinsnede, dat de aanstelling van appellante op 21 mei 2015 eindigt, merkt de rechtbank aan als kennelijke verschrijving: dit had gelet op de einddatum van de tweede schakel ontegenzeggelijk 21 april 2015 moeten zijn. Met de raad van bestuur is de rechtbank van oordeel dat de bij besluit van 14 mei 2015 uitdrukkelijk voortgezette tijdelijke aanstelling rechtsgeldig blijft. Dit heeft de raad van bestuur terecht tot de conclusie geleid dat de tijdelijke aanstelling van rechtswege is geëindigd op 21 mei 2016. Er is dus geen sprake van een nieuwe tijdelijke aanstelling, die als vierde schakel moet worden aangemerkt. Van een aanstelling voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 2.4.5, tweede lid, van de CAO UMC is dan ook geen sprake. Verder overschrijdt de totale duur van de aanstellingen niet de in artikel 2.4.5, derde lid, van de CAO UMC genoemde duur, zodat ook in zoverre geen aanstelling voor onbepaalde tijd is ontstaan.

3. Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt herhaald dat er in haar geval sprake is van tenminste vier opeenvolgende tijdelijke aanstellingen waardoor op grond van artikel 2.4.5 van de CAO UMC een aanstelling voor onbepaalde tijd is ontstaan. Appellante heeft daartoe primair aangevoerd dat de rechtbank de in het besluit van 14 mei 2015 opgenomen zinsnede, dat de aanstelling van appellante op 21 mei 2015 eindigt, ten onrechte heeft aangemerkt als een kennelijke verschrijving. Subsidiair heeft appellante gesteld dat in elk geval de brief van

9 februari 2016 moet leiden tot het aannemen van een aanstelling voor onbepaalde tijd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Ingevolge artikel 2.4.2, eerste lid, van de CAO UMC kan de werkgever met de medewerker een dienstverband voor bepaalde tijd aangaan voor een bepaalde periode, niet zijnde een dienstverband bij wijze van proef.

4.1.2.

In artikel 2.4.2, derde lid, van de CAO UMC is bepaald dat met ingang van de dag waarop de maximale termijn van drie jaar wordt overschreden, eventuele tussenpozen van niet meer dan drie maanden daarbij inbegrepen, het laatste dienstverband geldt als aangegaan voor onbepaalde tijd.

4.1.3.

Op grond van artikel 2.4.2, vierde lid, van de CAO UMC deelt de werkgever de medewerker uiterlijk twee maanden voor het verstrijken van de tijd waarvoor het dienstverband is aangegaan schriftelijk mee of het dienstverband van rechtswege eindigt, wordt verlengd of wordt gevolgd door een dienstverband voor onbepaalde tijd.

4.2.

Artikel 2.4.5 van de CAO UMC, voor zover hier van belang, luidt als volgt:

“1. Een dienstverband voor bepaalde tijd eindigt van rechtswege wanneer de tijdsduur waarvoor het dienstverband is aangegaan is verstreken. Het opvolgende dienstverband voor bepaalde tijd eindigt eveneens van rechtswege, met dien verstande dat bij een aaneenschakeling van dienstverbanden voor bepaalde tijd het laatste dienstverband van de keten op enig moment geldt als aangegaan voor onbepaalde tijd.

2. Vanaf de dag dat een keten van dienstverbanden voor bepaalde tijd bestaat uit meer dan drie dienstverbanden voor bepaalde tijd, geldt het vierde dienstverband als aangegaan voor onbepaalde tijd.

3. Vanaf de dag dat de totale duur van een keten van dienstverbanden voor bepaalde periode de duur van drie jaren heeft overschreden, geldt met ingang van die dag het laatste dienstverband als aangegaan voor onbepaalde tijd. […]

9. Het bepaalde in dit artikel is van overeenkomstige toepassing op elkaar opvolgende dienstverbanden met verschillende werkgevers, indien die werkgevers ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijze geacht moeten worden elkaars opvolger te zijn.”

4.3.

Artikel 2.4.6 van de CAO UMC luidt als volgt:

“1. Als de medewerker met kennelijke instemming van de werkgever de werkzaamheden voortzet na het verstrijken van de tijd waarvoor het dienstverband is aangegaan, wordt het dienstverband geacht voor dezelfde tijd, doch telkens ten hoogste voor een jaar, en op dezelfde voorwaarden wederom te zijn aangegaan.

2. Het opvolgende dienstverband als bedoeld in het eerste lid telt mee bij de bepaling van het aantal tijdelijke dienstverbanden en de duur van de keten van tijdelijke dienstverbanden als bedoeld in artikel 2.4.5.”

4.4.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 29 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN3499) brengt de omstandigheid dat een ambtenaar in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd is aangesteld mee dat het bestuursorgaan die aanstelling na afloop van de gestelde termijn niet hoeft te verlengen of om te zetten in een vaste aanstelling. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 14 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:133) geldt daarbij wel de voorwaarde dat het bestuursorgaan met het besluit om de aanstelling niet voort te zetten niet in strijd komt met het geschreven of ongeschreven recht.

4.5.

De Raad stelt voorop dat het oordeel van de rechtbank, dat de in 1.1 genoemde detacheringsovereenkomst moet worden aangemerkt als de eerste schakel in een keten van tijdelijke dienstverbanden en dat de in 1.2 genoemde aanstelling op oproepbasis de tweede schakel is in die keten, in hoger beroep niet is aangevochten.

4.6.

Het in 1.2 genoemde dienstverband is aangegaan voor de periode van 21 april 2014 tot

21 april 2015. Appellante heeft na het verstrijken van deze periode stilzwijgend en aldus met kennelijke instemming van de raad van bestuur haar werkzaamheden voortgezet. Op grond van artikel 2.4.6, eerste lid, van de CAO UMC wordt dit dienstverband daarom met ingang van 21 april 2015 geacht wederom te zijn aangegaan voor de duur van een jaar, dus tot

21 april 2016. Dit opvolgende dienstverband als bedoeld in artikel 2.4.6, eerste lid, van de CAO UMC telt - anders dan de rechtbank tot uitgangspunt heeft genomen - mee bij de bepaling van het aantal tijdelijke dienstverbanden als bedoeld in artikel 2.4.5 van de

CAO UMC. Dit dienstverband moet dus worden aangemerkt als het derde dienstverband in de keten van dienstverbanden voor bepaalde tijd.

4.7.

Anders dan de rechtbank in het voetspoor van de raad van bestuur heeft overwogen, behelst de in het besluit van 14 mei 2015 opgenomen, uitdrukkelijke voortzetting van de aanstelling niet de derde, maar de vierde aanstelling op rij van appellante in tijdelijke dienst. Daarbij acht de Raad van belang dat de raad van bestuur het besluit van 14 mei 2015 - in strijd met artikel 2.4.2, vierde lid, van de CAO UMC - pas heeft genomen nadat het opvolgende dienstverband als hiervoor bedoeld al van rechtswege was ontstaan. De Raad ziet daarnaast onvoldoende grond voor het oordeel dat de in het besluit van 14 mei 2015 vermelde einddatum van 21 mei 2015 moet worden aangemerkt als een kennelijke verschrijving, zoals de raad van bestuur heeft bepleit. Anders dan het geval was in de uitspraken van de Raad van 27 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:652, en van 16 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA0382, is hier ook geen sprake van een, ook voor appellante kenbaar, apert onjuist besluit.

4.8.

De slotsom is dat met ingang 21 mei 2015 van sprake is van een vierde dienstbetrekking, met de op grond van artikel 2.4.5, tweede lid, van de CAO UMC daaruit van rechtswege voortvloeiende gevolgen. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

4.9.

Uit 4.1.1 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De subsidiair aangevoerde beroepsgrond behoeft geen bespreking meer. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad - met gegrondverklaring van het beroep - het bestreden besluit vernietigen. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien en het besluit van 26 mei 2016 te herroepen. Bovendien zal de Raad vaststellen dat op 21 mei 2015 een dienstverband voor onbepaalde tijd van appellante bij het Universitair Medisch Centrum Rotterdam, Erasmus MC, tot stand is gekomen.

5. Aanleiding bestaat de raad van bestuur te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 990,- in bezwaar, € 990,- in beroep en € 990,- in hoger beroep, in totaal € 2.970,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 27 september 2016;

- herroept het besluit van 26 mei 2016;

- stelt vast dat appellante ingaande 21 mei 2015 een dienstverband voor onbepaalde tijd heeft

en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit 27 september 2016;

- veroordeelt de raad van bestuur in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.970,-;

- bepaalt dat de raad van bestuur aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde

griffierecht van in totaal € 418,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en H. Benek en J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 november 2017.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) L.V. van Donk

HD