Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3989

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-11-2017
Datum publicatie
17-11-2017
Zaaknummer
15/5254 BPW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.

De uitspraak van de Raad van 6 maart 2014 betekent dat achteraf gezien al naar aanleiding van het herzieningsverzoek uit november 2005 tot ophoging van het invaliditeitspercentage naar 100 had moeten worden overgegaan. Alsnog zal moeten worden beoordeeld in hoeverre de Wbp inhoudelijk ruimte biedt voor toekenning per 1 december 2005 van de op 8 juni 2014 gevraagde voorzieningen. De Raad ziet geen mogelijkheden tot definitieve geschilbeslechting binnen zijn bereik. De redelijke termijn is overschreden met een jaar waarvan zeven maanden in bestuurlijke fase en vijf maanden in de rechterlijke fase.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2017/353
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5254 BPW, 16/364 BPW, 16/2654 BPW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in de gedingen tussen

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid)

Datum uitspraak: 16 november 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen de besluiten van verweerder van 30 juni 2015, kenmerk BZ01831538, (bestreden besluit 1), 23 december 2015, kenmerk BZ01806187, (bestreden besluit 2) en 29 maart 2016, kenmerk BZ01886485, (bestreden besluit 3). Deze besluiten betreffen de toepassing van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (Wbp).

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2017. Appellante is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.L. van de Wiel.

Naar aanleiding van het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) in zoverre mede als partij aangemerkt.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren in 1942, heeft in 1998 verzoeken ingediend op grond van de Wbp en op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). Het verzoek op grond van de Wbp is bij besluit van 28 april 1999 afgewezen op de grond dat er geen ernstige verstoring van levensomstandigheden als gevolg van het verzet van de vader van appellante aanwezig werd geacht. Wel is appellante bij besluit van 14 juni 1999 met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wuv met de vervolgde gelijkgesteld. Aanvaard is dat zij psychische klachten heeft die redelijkerwijs in verband staan met het feit dat haar vader als gevolg van de vervolging om het leven is gekomen. Appellante is in aanmerking gebracht voor een periodieke uitkering.

1.2.

In de loop van de tijd zijn aan appellante verschillende voorzieningen op grond van de Wuv toegekend.

1.3.

In november 2005 heeft appellante verzocht om herziening van het besluit op grond van de Wbp van 28 april 1999. Bij besluit van 25 april 2006 is dit verzoek afgewezen. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 28 december 2007 gegrond verklaard en is appellante gelijkgesteld met één van de categorieën van personen op wie de Wbp van toepassing is. Bij besluit van 10 december 2008 is aan appellante met ingang van 1 december 2005 een buitengewoon pensioen toegekend naar een mate van invaliditeit van 40%. Na gemaakt bezwaar is dit percentage bij besluit van 13 oktober 2009 opgehoogd naar 70%. Bij uitspraak van 6 maart 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1160) heeft de Raad deze besluiten vernietigd voor zover het de mate van invaliditeit betreft en appellante met ingang van

1 december 2005 een buitengewoon pensioen toegekend naar een mate van invaliditeit

van 100%.

1.4.

Naar aanleiding van de uitspraak van 6 maart 2014 heeft verweerder appellante bij brief van 7 mei 2014 meegedeeld dat de toekenning van een buitengewoon pensioen naar een mate van invaliditeit van 100%, waarop een vermeerdering zal worden toegepast, gevolgen heeft voor de Wuv-aanspraken. In artikel 4 van de Wuv staat dat samenloop van een buitengewoon pensioen dat is gebaseerd op meer dan 80% invaliditeit, met een Wuv-uitkering en –voorzieningen niet mogelijk is. Meegedeeld is dat als appellante in aanmerking wil komen voor voorzieningen in het kader van de Wbp, zij een aanvraag daartoe moet indienen. Bij besluit van 20 mei 2014 heeft verweerder vervolgens met ingang van 1 december 2005 de in het kader van de Wuv aan appellante toegekende periodieke uitkering en voorzieningen ingetrokken. Bij besluit van eveneens 20 mei 2014 is het aan appellante toekomende pensioen op grond van de Wbp nader vastgesteld.

1.5.

Op 8 juni 2014 heeft appellante verzocht om toekenning op grond van de Wbp van vergoedingen voor huishoudelijke hulp, voor het onderhouden van sociale contacten, voor vervoer voor medische behandelingen en voor niet-gedekte medicijnen.

1.6.

In vervolg op een berekeningsbeschikking van 13 juni 2014 en een betalingsmededeling van 25 juli 2014 heeft verweerder bij besluit van 24 oktober 2014 uiteengezet hoe tot de uiteindelijke nabetaling van het buitengewoon pensioen is gekomen. Appellante heeft tegen het besluit van 24 oktober 2014 bezwaar gemaakt. Bij bestreden beluit 2 is dit bezwaar deels gegrond verklaard. Bepaald is dat aan appellante nog een bedrag van € 4.197,65 wordt nabetaald. Voor zover het bezwaar was gericht tegen het nog niet toegekend zijn van wettelijke rente en het ontbreken van voorlichting over omzetting van Wuv-aanspraken naar Wubo-aanspraken, is dit niet-ontvankelijk verklaard. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard.

1.7.

Naar aanleiding van de aanvraag van 8 juni 2014 heeft verweerder appellante bij besluit van 12 januari 2015 met ingang van 1 juni 2014 een vergoeding toegekend voor één dagdeel huishoudelijke hulp per week. Aangekondigd is dat appellante over de gevraagde vergoeding van huishoudelijke hulp vóór 1 juni 2014 nog nader bericht ontvangt. Appellante heeft tegen het besluit van 12 januari 2015 bezwaar gemaakt. Bij bestreden besluit 1 is dit bezwaar deels gegrond verklaard en is de ingangsdatum van de vergoeding voor huishoudelijke hulp nader bepaald op 1 januari 2013. Voor zover het bezwaar inhield dat de aanvraag van 8 juni 2014 niet mede is opgevat als bezwaarschrift tegen het intrekken van de Wuv-voorzieningen, is het niet-ontvankelijk verklaard. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard.

1.8.

Bij besluit van 5 juni 2015 heeft verweerder afwijzend beslist over de bij de aanvraag van 8 juni 2014 tevens gevraagde toekenning van vergoedingen voor het onderhouden van sociale contacten, voor het vervoer voor medische behandelingen en/of consulten, en voor de kosten van medische behandeling en medicijnen. Tevens is geweigerd om de vergoeding voor huishoudelijke hulp al te laten ingaan op 1 december 2005. Het tegen dit besluit gemaakt bezwaar is bij bestreden besluit 3 ongegrond verklaard.

2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.1.

Op grond van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wuv, is de Wuv niet van toepassing op de vervolgde en diens nabestaanden die aanspraken ontlenen aan de Wbp. Artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit ex artikel 4 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, zondert hiervan uit de vervolgde die recht heeft op een Wbp-pensioen naar een mate van invaliditeit van minder dan 80%. Op deze vervolgde is de Wuv dus wél van toepassing. Gelet op deze bepalingen heeft de ophoging van het aan het Wbp-pensioen van appellante ten grondslag gelegde invaliditeitspercentage van 70 naar 100, zoals door de Raad tot stand gebracht in zijn uitspraak van 6 maart 2014, ertoe geleid dat appellante haar rechten op grond van de Wuv is verloren. Alle toekenningen op grond van de Wuv zijn daarom ongedaan gemaakt met ingang van de datum waarop het verhoogde percentage is gaan gelden, zijnde 1 december 2005.

2.2.

Naast de periodieke Wuv-uitkering van appellante zijn ook de op grond van de Wuv toegekende voorzieningen vanaf de ingangsdatum 1 december 2005 komen te vervallen. Kern van dit geschil vormt het volgende. Appellante meent dat verweerder had moeten bezien of en in hoeverre de Wbp ruimte biedt om deze voorzieningen uit het verleden weer te herstellen. Verweerder stelt zich daarentegen op het standpunt dat voor toekenningen op grond van de Wbp een aanvraag is vereist en dat, uitgaande van de datum van de in dit geval ingediende aanvraag, zijnde 8 juni 2014, slechts een beperkte mate van terugwerkende kracht mogelijk is. Daartoe beroept verweerder zich op artikel 2, eerste lid, van de Uitvoeringsbeschikking artikel 11a der Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (Uitvoeringsbeschikking). Daarin is bepaald dat vergoedingen worden uitbetaald na overlegging van een daarop betrekking hebbende rekening. Deze rekening dient vóór het einde van het jaar, volgende op dat, waarin de kosten de belanghebbende in rekening zijn gebracht of de uitgaven door hem zijn gedaan, op de door de Sociale verzekeringsbank aan te geven wijze bij hem te worden ingediend. Wat betreft de voorziening voor huishoudelijke hulp wordt, zo heeft verweerder verder uiteengezet, weliswaar niet gewerkt met declaraties, maar het is vast beleid dat bij de toekenning van die voorziening geen eerdere ingangsdatum wordt gehanteerd dan de eerste dag van de maand waarin de aanvraag is ingediend. Door terug te gaan tot 1 januari 2013 is maximaal tegemoet gekomen aan de bijzondere omstandigheden van dit geval. Verdergaande terugwerkende kracht is niet mogelijk.

2.3.

De Raad volgt verweerder niet in deze redenering. De uitspraak van de Raad van 6 maart 2014 betekent dat achteraf gezien al naar aanleiding van het herzieningsverzoek uit november 2005 tot ophoging van het invaliditeitspercentage naar 100 had moeten worden overgegaan. In dat geval waren de Wuv-aanspraken van appellante toen al stopgezet. Uitgaande van de datum van het op het herzieningsverzoek genomen primaire besluit van 25 april 2006, was er dan al binnen de in artikel 2, eerste lid, van de Uitvoeringsbeschikking bedoelde periode tot aan het einde van het jaar, volgend op dat waarin de voorzieningen in rekening zijn gebracht, daadwerkelijk aanleiding voor appellante geweest om op grond van de Wbp te verzoeken om de voorzieningen, waarop op grond van de Wuv niet langer aanspraak zou hebben bestaan. Dat die aanleiding zich in feite pas vele jaren later, ruim na het verstrijken van de genoemde tijdspanne, heeft voorgedaan, is direct terug te voeren op de aanvankelijk onjuiste besluitvorming van verweerder, die pas met de genoemde uitspraak van de Raad is gecorrigeerd. De gevolgen daarvan behoren in redelijkheid niet voor rekening en risico van appellante te blijven. Dat verweerder in artikel 2, eerste lid, van de Uitvoeringsbeschikking een beletsel ziet voor toekenningen met een terugwerkende kracht die valt buiten het daar genoemde tijdsbestek, valt op zichzelf beschouwd wel te rechtvaardigen, maar de Raad ziet in het genoemde artikellid geen belemmering voor het maken van een uitzondering in een bijzonder geval als dit. Die belemmering is er te minder nu kan worden volgehouden dat in dit geval aan de vereisten van de bewuste bepaling is voldaan: de benodigde declaraties waren destijds immers al aanwezig bij verweerder, zij het dat deze, naar achteraf pas duidelijk is kunnen worden voor appellante, zijn ingediend in het kader van de verkeerde wet. Het is voorts niet de meergenoemde bepaling in de Uitvoeringsbeschikking, maar enkel het beleid van verweerder dat de terugwerkende kracht van de voorziening voor huishoudelijke hulp aan banden legt. In zoverre is er zelfs geen sprake van een mogelijk wettelijk beletsel, en geldt eenvoudigweg dat de omstandigheden van dit geval verweerder aanleiding hadden moeten geven om van het geldende beleid af te wijken. De op dit punt gekozen ingangsdatum

1 januari 2013 is in dat licht bezien des te minder houdbaar.

2.4.

Het overwogene onder 2.3 betekent dat alsnog zal moeten worden beoordeeld in hoeverre de Wbp inhoudelijk ruimte biedt voor toekenning per 1 december 2005 van de op 8 juni 2014 gevraagde voorzieningen. De Raad zal bestreden besluit 1 daarom vernietigen voor zover daarbij de ingangsdatum van de vergoeding voor huishoudelijke hulp is bepaald op 1 januari 2013. De Raad ziet ambtshalve aanleiding dit besluit tevens te vernietigen voor zover het bezwaar daarbij niet-ontvankelijk is verklaard, en het bezwaar in zoverre ongegrond te verklaren. Bestreden besluit 1 berust immers op een ontvankelijk bezwaar tegen het op de Wbp gebaseerde besluit van 12 januari 2015. Het argument van appellante dat haar aanvraag van 8 juni 2014 als een bezwaarschrift in het kader van de Wuv had moeten worden opgevat, raakt dit besluit niet en kan binnen het daartegen gerichte bezwaar dus geen doel treffen, maar dat maakt niet dat het bezwaar tegen het besluit van 12 januari 2015 ten dele niet-ontvankelijk is. Bestreden besluit 2 heeft geen betrekking op de hier aan de orde zijnde problematiek van de ingangsdatum van de voorzieningen. Het argument van appellante over de compensatie voor de afdracht op grond van de Zorgverzekeringswet treft geen doel, nu de nabetaling van het Wbp-pensioen in 2014 is genoten en de compensatie per jaar is gemaximaliseerd. De Raad zal bestreden besluit 2 daarom alleen vernietigen voor zover het bezwaar tegen het besluit van 24 oktober 2014 daarbij niet-ontvankelijk is verklaard, nu ook hier geldt dat dat bezwaar weliswaar argumenten bevat die dat besluit niet raken en in het kader van het daartegen gerichte bezwaar dus geen doel kunnen treffen, maar dat dat aan de ontvankelijkheid van het bezwaar niet afdoet. De Raad zal het bezwaar tegen het besluit van 24 oktober 2014 in zoverre ongegrond verklaren. De Raad zal bestreden besluit 3, ten slotte, eveneens vernietigen, behoudens op het punt van het niet vergoeden van de kosten voor sociaal vervoer met ingang van 1 juni 2014, nu dat punt in beroep niet meer ter discussie is gesteld.

2.5.

Nu verweerder alsnog een inhoudelijke beoordeling aan de hand van de Wbp zal hebben te verrichten van de aanspraken van appellante op de door haar gevraagde voorzieningen per 1 december 2005, ziet de Raad geen mogelijkheden tot definitieve geschilbeslechting binnen zijn bereik. De Raad zal verweerder daarom opdragen om, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuw besluit over de bedoelde aanspraken te nemen.

3. Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

3.1.

De vraag of de redelijke termijn bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld en het processuele gedrag van verzoeker gedurende de gehele procesgang.

3.2.

In zaken zoals deze, waarin het primaire besluit is genomen na 1 februari 2014, is de redelijke termijn voor een procedure in twee instanties in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee jaar in beslag heeft genomen (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188). Daarbij geldt dat in beginsel het bezwaar binnen een half jaar en het beroep binnen anderhalf jaar zouden moeten worden afgehandeld. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden (uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009).

3.3.

In dit geval is sprake van drie bezwaarschriften. Nu de drie zaken van appellante betrekking hebben op hetzelfde onderwerp en in de rechterlijke fase gezamenlijk zijn behandeld wordt slechts eenmaal het tarief van € 500,- per half jaar gehanteerd. De Raad zal voor de bepaling van de redelijke termijn uitgaan van het oudste bezwaarschrift, zijnde het bezwaarschrift tegen het besluit van 24 oktober 2014. Vanaf de ontvangst van dit bezwaarschrift op 25 november 2014 tot aan de datum van deze uitspraak (16 november 2017) zijn (afgerond) drie jaren verstreken. Er zijn geen bijzondere omstandigheden geweest die een tijdsverloop van meer dan twee jaar rechtvaardigen. De redelijke termijn is dus overschreden met een jaar. Dat leidt tot een schadevergoeding van € 1.000,-. Nu de overschrijding in de bestuurlijke fase zeven maanden bedroeg en die in de rechterlijke fase vijf maanden, dient verweerder van het totaalbedrag 7/12 deel te betalen en de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) 5/12 deel. De Raad zal verweerder veroordelen tot betaling van een schadevergoeding aan appellante tot een bedrag van € 583,-. De Staat der Nederlanden (ministerie van Justitie en Veiligheid) zal worden veroordeeld tot betaling een schadevergoeding tot een bedrag van € 417,-.

4. Er is aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten van appellante, in bezwaar tot een bedrag van € 990,- (dit betreft alleen bestreden besluit 3) en in beroep tot een bedrag van

€ 1.485,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt het bestreden besluit van 30 juni 2015, voor zover de ingangsdatum van de

toegekende voorziening voor huishoudelijke hulp daarbij is bepaald op 1 januari 2013. De

Raad vernietigt het besluit van 30 juni 2015 tevens voor zover het bezwaar tegen het besluit

van 12 januari 2015 daarbij niet-ontvankelijk is verklaard, verklaart het bezwaar in zoverre

ongegrond en bepaalt dat zijn uitspraak op dit punt in de plaats treedt van het vernietigde

gedeelte van het besluit van 30 juni 2015;

- vernietigt het bestreden besluit van 23 december 2015 voor zover het bezwaar tegen het

besluit van 24 oktober 2014 daarbij niet-ontvankelijk is verklaard, verklaart het bezwaar in

zoverre ongegrond en bepaalt dat zijn uitspraak op dit punt in de plaats treedt van het

vernietigde gedeelte van het besluit van 23 december 2015;

- vernietigt het bestreden besluit van 29 maart 2016, behoudens op het punt van niet

toekennen van een vergoeding voor sociaal vervoer per 1 juni 2014;

- draagt verweerder op om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, met inachtneming

van wat in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een

bedrag van € 583,-;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan

appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 417,-;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.475,-;

- bepaalt dat verweerder appellante het door haar betaalde griffierecht van in totaal € 137,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en C.H. Bangma en

M. Kraefft als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 november 2017.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) J. Tuit

HD