Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3986

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-11-2017
Datum publicatie
17-11-2017
Zaaknummer
16/3541 AOR
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verweerder stelt dat niet is gebleken dat appellante in omstandigheden heeft verkeerd als bedoeld in de AOR. De Raad volgt verweerder in dit standpunt. Geen gegevens beschikbaar waaruit meemaken gebeurtenissen in de zin van de AOR blijkt behalve de eigen verklaring van appellante. Zeer jonge leeftijd appellante destijds en ontbreken van concrete details. Geen grond dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan. Niet voorbij gaan aan onvolkomenheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0936
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/3541 AOR

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

Datum uitspraak: 16 november 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 12 mei 20016, kenmerk BZ01928413 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2017. Daar is appellante verschenen bijgestaan door mr. Van Berkel. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.L. van de Wiel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is geboren in 1944 in het toenmalige Nederlands-Indië. In juni 2015 heeft zij verzocht om toekenningen op grond van de AOR.

1.2.

Bij besluit van 30 oktober 2015, na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder de aanvraag afgewezen op de grond dat in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk is gemaakt dat appellante in omstandigheden heeft verkeerd in de zin van de AOR.

2. Naar aanleiding van wat partijen in beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.

2.1.

Op grond van artikel 1 van de AOR - zoals aangevuld bij Ordonnantie van 5 november 1945 (Ned. Ind. Stb. 1946, 118) - wordt onder oorlogsletsel verstaan, voor zover hier van belang:

het lichamelijk, dan wel geestelijk letsel, ziekte daaronder begrepen, hetwelk aan een persoon is overkomen

- als gevolg van een actie van de vijand, van enige handeling of nalatigheid van een onderdeel of lid van de weermacht of van de burgerlijke hulpdiensten in tijd van feitelijke oorlog, dan wel van maatregelen of omstandigheden welke met de oorlogsvoering onverbrekelijk samenhangen;

- gedurende internering, krijgsgevangenschap, gedwongen tewerkstelling, of gedurende gevangenschap, vooronderzoek dan wel aanhouding, als gevolg van verdenking wegens daden, welke gericht waren tegen de bevelen van het Japanse bezettingsleger en niet vallen onder het gewone strafrecht;

- in de periode vanaf 15 augustus 1945 (tot 13 januari 1954, zoals later is bepaald) als gevolg van tegen hem gerichte actie van de bedrijvers van de ongeregeldheden, welke na de capitulatie van Japan in Nederlands-Indië zijn ontstaan, dan wel als gevolg van de maatregelen tot herstel van de orde en rust genomen.

2.2.

Verweerder stelt dat niet is gebleken dat appellante in omstandigheden heeft verkeerd als bedoeld in de AOR.

2.3.

De Raad volgt verweerder in dit standpunt. Buiten de eigen verklaring van appellante zijn geen gegevens beschikbaar waaruit blijkt dat zij gebeurtenissen in de zin van de AOR heeft meegemaakt. Voor de stelling dat appellante door haar vader soms alleen werd gelaten en dat zij dan zelf voor onderdak diende te zorgen bieden de gedingstukken geen houvast. Ook is niet duidelijk wanneer dit zich zou hebben afgespeeld. Het lijkt daarbij niet waarschijnlijk dat appellante op de zeer jonge leeftijd die zij destijds had, zelf voor haar onderdak moest en kon zorgen. Wat betreft het getuige zijn van het oppakken van haar vader heeft appellante geen concrete details kunnen verstrekken.

2.4.

Voor de conclusie dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan bestaat geen grond. Een onderzoek naar het relatiedossier van de jongste broer van de vader van appellante heeft verweerder achterwege mogen laten. Het relaas van appellante zoals vermeld in het sociaal rapport biedt immers geen houvast voor de veronderstelling dat de broer van haar vader bij de door appellante gestelde gebeurtenissen aanwezig is geweest. In beroep is nog een verklaring overgelegd van mevrouw [A]. Die verklaring bevat echter te veel onvolkomenheden om daarin een bevestiging te kunnen zien van de door appellante gestelde gebeurtenissen. In aanmerking genomen dat appellante niet de gehele periode van de Japanse bezetting en de Bersiapperiode in Soerabaja verbleef, kan deze verklaring onmogelijk volledig kloppen. Anders dan namens appellante is bepleit kan aan deze onvolkomenheden niet voorbij worden gegaan.

2.5.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep moet ongegrond worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 november 2017.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) J. Tuit

HD