Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3982

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-11-2017
Datum publicatie
17-11-2017
Zaaknummer
16/4418 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het moet als een omissie van de wetgever worden beschouwd dat bij de wijziging van artikel 34 van de WW en de invoering van artikel 3:5 van het AIB niet expliciet in het Besluit is geregeld dat ziekengeld in mindering moet worden gebracht op de aansluitende uitkering. Gelet daarop en in aanmerking genomen het uitgangspunt dat verlies van inkomen niet dubbel behoort te worden gecompenseerd, prevaleert de bedoeling van de wetgever dat met de wijziging van artikel 34 van de WW en de invoering van artikel 3:5 van het AIB geen wijziging is beoogd. Ziekengeld valt onder het begrip inkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2017/351
NJB 2017/2243
TAR 2018/11
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/4418 AW

Datum uitspraak: 16 november 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

27 mei 2016, 15/733 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant], geëmigreerd, laatst bekende woonplaats [woonplaats] (appellant)

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (minister)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Mr. J.M. Tason Avila, advocaat, heeft de gronden van het hoger beroep aangevuld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2017. Voor appellant is verschenen mr. Tason Avila. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. R.L.J.J. Vereijken.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een meer uitgebreide weergave van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.2.

Appellant was werkzaam als [functie] bij het Ministerie van [naam ministerie]. Met ingang van 1 april 2011 is hem eervol ontslag verleend. In de periode van 24 augustus 2010 tot 21 november 2011 is appellant arbeidsongeschikt geweest in de zin van de Ziektewet (ZW). Met ingang van 21 november 2011 is hem een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend. De WW-uitkering is per

25 december 2013 beëindigd wegens het verstrijken van de maximale uitkeringsduur.

1.3.

Bij besluit van 31 januari 2012 is appellant meegedeeld dat hij op grond van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk (Besluit), zolang zijn

WW-uitkering duurt, recht heeft op een aanvullende bovenwettelijke uitkering en dat die uitkering wegens de hoogte van de WW-uitkering niet tot uitbetaling komt. Tevens is appellant meegedeeld dat hij na afloop van de aanvullende uitkering tot en met 29 november 2014 recht heeft op een aansluitende uitkering.

1.4.

Op 19 december 2013 heeft appellant zich ziek gemeld. Bij besluit van 12 juni 2014 is appellant meegedeeld dat hem geen ziekengeld wordt toegekend, omdat hij vanaf

19 december 2013 niet arbeidsongeschikt is in de zin van de ZW. Bij besluit van 17 juni 2014 is hem met ingang van 26 december 2013 ziekengeld toegekend. Bij besluit van 27 augustus 2014 is appellant meegedeeld dat, ofschoon hem te kennen is gegeven dat hij per 19 december 2013 niet arbeidsongeschikt is in de zin van de ZW, niettemin ziekengeld is betaald tot 12 juni 2014 en dat het ziekengeld pas met ingang van 12 juni 2014 wordt beëindigd omdat het appellant niet duidelijk kan zijn geweest dat hij voor die datum als arbeidsgeschikt werd beschouwd.

1.5.

Op 1 juli 2014 heeft appellant een aanvraag ingediend om een aansluitende uitkering. Bij besluit van 10 september 2014 is appellant meegedeeld dat hij van 12 juni 2014 tot en met

29 november 2014 recht heeft op een aansluitende uitkering.

1.6.

Bij besluit van 16 december 2014 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar tegen het besluit van 10 september 2014 gegrond verklaard, in die zin dat de einddatum van de aansluitende uitkering is bepaald op 3 december 2014. Volgens de minister heeft appellant vanaf 26 december 2013 tot 12 juni 2014 weliswaar recht op een aansluitende uitkering, maar komt die uitkering niet tot uitbetaling omdat het ziekengeld dat appellant in die periode heeft ontvangen op de aansluitende uitkering in mindering moet worden gebracht. Hij wijst er in dit verband op dat in artikel 8, tweede lid, van het Besluit artikel 34 van de WW van overeenkomstige toepassing is verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij stelt zich op het standpunt dat het ziekengeld dat hij van 26 december 2013 tot 12 juni 2014 heeft ontvangen niet op grond van artikel 8, tweede lid, van het Besluit in verbinding met artikel 34 van de WW op de aansluitende uitkering in mindering mag worden gebracht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Artikel 8 van het Besluit betreft het recht op aansluitende uitkering. In het tweede lid van dat artikel is onder meer bepaald dat de paragrafen 1 tot en met 3 van hoofdstuk II van de WW van overeenkomstige toepassing zijn op de aansluitende uitkering. Daartoe behoorde ten tijde hier van belang artikel 34 van de WW. In het derde lid van artikel 8 van het Besluit is onder meer bepaald dat in afwijking van het tweede lid, artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de WW niet van overeenkomstige toepassing is op de aansluitende uitkering.

4.1.2.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW heeft de werknemer die een uitkering op grond van de ZW ontvangt geen recht op uitkering.

4.1.3.

In artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW, zoals dat luidde tot 1 maart 2012, was bepaald dat op de uitkering geheel in mindering worden gebracht inkomsten wegens loonderving.

4.1.4.

Artikel 34 van de WW is met ingang van 1 maart 2012 gewijzigd. Ten tijde hier van belang was in het eerste lid bepaald dat inkomen geheel in mindering wordt gebracht op de uitkering. In het tweede lid was bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wat onder inkomen als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan.

4.1.5.

De in artikel 34, tweede lid, van de WW bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB). In artikel 3:5 van het AIB, zoals dat luidde ten tijde hier van belang, was onder meer geregeld wat onder inkomen als bedoeld in artikel 34 van de WW moet worden verstaan. Ingevolge artikel 3:5, eerste lid, aanhef en onder d, van het AIB wordt een wettelijke buitenlandse uitkering wegens arbeidsongeschiktheid tot het inkomen gerekend.

4.2.1.

In de toelichting op artikel 8, derde lid, van het Besluit (Stb. 1996, 352, p. 15) is vermeld dat met het niet van overeenkomstige toepassing verklaren van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW op de aansluitende uitkering is beoogd te bewerkstelligen dat de aansluitende uitkering doorloopt gedurende de periode dat betrokkene wegens ziekte ongeschikt is om arbeid te verrichten.

4.2.2.

Met de wijziging van artikel 34 van de WW en de invoering van het AIB met ingang van 1 maart 2012 is geen materiële wijziging beoogd. Dit blijkt onder meer uit de toelichting op het AIB, Stb. 2012, 79, p. 26, waarin het volgende is vermeld:

“Artikel 34 van de WW is met het wetsvoorstel harmonisatie en vereenvoudiging socialezekerheidswetgeving gewijzigd. Na inwerkingtreding van het wetsvoorstel harmonisatie en vereenvoudiging staat in artikel 34 van de WW niet meer dat inkomen wegens loonderving in mindering wordt gebracht op de uitkering. In artikel 34 komt te staan dat op de uitkering inkomen in mindering wordt gebracht. In dit besluit is niet overgenomen het begrip ‘inkomen wegens loonderving’ zoals thans genoemd in artikel 34 WW. In de uitvoeringspraktijk is gebleken dat op grond van deze bepaling alleen buitenlandse wettelijke loondervingsuitkeringen in mindering worden gebracht op de WW-uitkering. Om die reden komt deze bepaling niet terug in het onderhavige besluit, maar is vervangen door ‘een buitenlandse wettelijke loondervingsuitkering’. Materieel wijzigt er dus niets ten opzichte van de huidige uitvoeringspraktijk.”

4.3.

De Raad stelt vast dat vóór 1 maart 2012 op grond van artikel 8, tweede lid, van het Besluit in verbinding met artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW ziekengeld op de aansluitende uitkering in mindering moest worden gebracht. Onder ‘inkomsten wegens loonderving’ als bedoeld in laatstgenoemde bepaling is immers ook ziekengeld begrepen. Hierover verschillen partijen niet van mening.

4.4.

De wijziging van artikel 34 van de WW en de invoering van artikel 3:5 van het AIB met ingang van 1 maart 2012 hebben tot gevolg gehad dat volgens de letterlijke tekst van die bepalingen ziekengeld niet onder het begrip inkomen valt. Toepassing van artikel 8, tweede lid, van het Besluit in verbinding met de letterlijke tekst van genoemde bepalingen zou betekenen dat vanaf 1 maart 2012 ziekengeld niet langer in mindering komt op de aansluitende uitkering. Dit spoort echter niet met de bedoeling van de wetgever dat met de wijziging van artikel 34 van de WW en de invoering van artikel 3:5 van het AIB geen materiële wijziging is beoogd.

4.5.

Het moet als een omissie van de wetgever worden beschouwd dat bij de wijziging van artikel 34 van de WW en de invoering van artikel 3:5 van het AIB niet expliciet in het Besluit is geregeld dat ziekengeld in mindering moet worden gebracht op de aansluitende uitkering. Gelet daarop en in aanmerking genomen het uitgangspunt dat verlies van inkomen niet dubbel behoort te worden gecompenseerd, prevaleert de bedoeling van de wetgever dat met de wijziging van artikel 34 van de WW en de invoering van artikel 3:5 van het AIB geen wijziging is beoogd. Met de minister en de rechtbank en anders dan appellant is de Raad dan ook van oordeel dat bij de in artikel 8, tweede lid, van het Besluit voorgeschreven overeenkomstige toepassing van artikel 34 van de WW ziekengeld onder het begrip inkomen valt.

4.6.

De conclusie is dat het hoger beroep geen doel treft en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en J.N.A. Bootsma en H. Benek als leden, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 november 2017.

(getekend) J.J.A. Kooijman

(getekend) C.A.E. Bon

HD