Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3980

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-11-2017
Datum publicatie
17-11-2017
Zaaknummer
16/5282 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mandaatverlening. Het besluit van 11 december 2015 is door een ander persoon in mandaat genomen dan het bestreden besluit zodat geen sprake is van strijd met artikel 10:3, derde lid, van de Awb. Naar het oordeel van de Raad heeft de korpschef terecht geoordeeld dat de in 4.2.4 genoemde stukken geen aanleiding hadden moeten zijn om terug te komen van het besluit van 16 mei 2013, zodat de korpschef het verzoek van appellant van 25 november 2015 mocht afwijzen met verwijzing naar dat besluit. Ook is bestreden besluit niet evident onredelijk. Ook de overige door appellant aangevoerde gronden slagen niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2017/350
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/5282 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van
30 juni 2016, 16/627 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

Datum uitspraak: 16 november 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft [naam] hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door [naam]. De korpschef heeft zich, zonder bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam als [naam functie a] bij de voormalige politieregio [regio] , thans de Eenheid [eenheid] .

1.2.

Over de periode van 1 januari 2010 tot 1 december 2012 is van het functioneren van appellant een beoordeling vastgesteld. Bij besluit van 16 mei 2013 heeft de korpschef het verzoek om bevordering naar de functie van senior Gebiedsgebonden Politie afgewezen op de grond dat appellant niet voldoet aan het vereiste van een beoordeling boven de norm. Bij besluit van 15 januari 2014 heeft de korpschef de bezwaren van appellant tegen de vastgestelde beoordeling en het besluit van 16 mei 2013 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van appellant bij uitspraak van 10 oktober 2014 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is door de Raad bij uitspraak van 19 november 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:4117) bevestigd.

1.3.

Op 25 november 2015 heeft appellant verzocht om heroverweging van het besluit van 15 januari 2014. Dit verzoek is bij besluit van 11 december 2015, gehandhaafd bij besluit van 9 februari 2016 (bestreden besluit), afgewezen op de grond dat het besluit van 15 januari 2014 inmiddels in rechte vaststaat en niet is gebleken dat appellant nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren heeft gebracht als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), op grond waarvan van dat besluit dient te worden teruggekomen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft de aangevallen uitspraak in hoger beroep bestreden op de hierna te bespreken gronden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft aangevoerd dat het bestreden besluit gelet op het bepaalde in artikel 10:3 van de Awb onbevoegd is genomen. Hierin wordt appellant niet gevolgd.

4.1.1.

Op grond van artikel 10:3, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan mandaat verlenen, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich tegen de mandaatverlening verzet. Op grond van het derde lid wordt mandaat tot het beslissen op een bezwaarschrift of op een verzoek als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, van de Awb niet verleend aan degene die het besluit waartegen het bezwaar zich richt, krachtens mandaat heeft genomen. De Raad vermag niet in te zien dat de aard van de bevoegdheid om te beslissen op een verzoek om terug te komen van een in rechte vaststaand besluit zich tegen mandaatverlening verzet. Daarnaast stelt de Raad vast dat het besluit van 11 december 2015 door een ander persoon in mandaat is genomen dan het bestreden besluit, zodat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat geen sprake is van strijd met artikel 10:3, derde lid, van de Awb. Appellant wordt evenmin gevolgd in zijn betoog dat de rechtbank met dat oordeel de schijn van partijdigheid heeft gewekt dan wel dat anderszins sprake is van strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

4.2.

Appellant heeft betoogd dat de korpschef het verzoek van 25 november 2015 ten onrechte heeft afgewezen op de grond dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Dit betoog slaagt niet.

4.2.1.

Het verzoek van appellant van 25 november 2015 is een verzoek om terug te komen van het in rechte vaststaande besluit van 16 mei 2013 dat bij besluit van 15 januari 2014 is gehandhaafd. Niet in geschil is dat de korpschef dit verzoek met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb heeft afgewezen.

4.2.2.

Bij uitspraak van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) heeft ook de Raad zijn rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten op een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit gewijzigd. In een geval als het voorliggende, waarin het bestuursorgaan toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, betekent dit dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is (zie de uitspraak van de Raad van 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115).

4.2.3.

Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

4.2.4.

Ter ondersteuning van zijn verzoek heeft appellant aangevoerd dat uit het verslag gedateerd 19 september 2012 van de vergadering van de ondernemingsraad van de voormalige politieregio [regio] volgt dat de ondernemingsraad niet heeft ingestemd met het voorgenomen besluit van 11 september 2012, maar met de aanvulling op het voorgenomen besluit van 12 september 2012. De brief van de oud-voorzitter van de ondernemingsraad van 7 september 2015 ondersteunt dit in zoverre dat daarin wordt verklaard dat nooit is afgesproken dat sprake is van een beoordeling boven de norm als minstens 24 punten zijn behaald. Daarnaast volgt uit het verslag van de hoorzitting betreffende [A] van

25 september 2013 dat een beoordeling altijd wordt opgemaakt met een toekomstverwachting. Appellant stelt zich op het standpunt dat deze stukken hem tijdens de bezwaar- en

beroepsprocedure in de eerdere procedure niet bekend waren en hem ook niet bekend konden zijn.

4.2.5.

Naar het oordeel van de Raad heeft de korpschef terecht geoordeeld dat de in 4.2.4 genoemde stukken (hierna: overgelegde stukken) geen aanleiding hadden moeten zijn om terug te komen van het besluit van 16 mei 2013, zodat de korpschef het verzoek van appellant van 25 november 2015 mocht afwijzen met verwijzing naar dat besluit. Nog daargelaten - en anders dan appellant betoogt - dat uit de overgelegde stukken niet kan worden afgeleid wat appellant in 4.2.4 heeft betoogd (de Raad verwijst ook naar zijn uitspraak van 29 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2266 over (een deel van) de overgelegde stukken en naar wat de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen over het verslag van de hoorzitting inzake [A] ), betreft het geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Dat appellant pas later met deze stukken bekend is geworden, maakt dit niet anders. Evenmin is er aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

4.3.

Appellant heeft verder aangevoerd dat de korpschef ten onrechte en in strijd met

artikel 7:4, tweede lid, van de Awb voorafgaand aan de hoorzitting niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage heeft gelegd en de rechtbank dit niet heeft onderkend. Dit betoog treft geen doel.

4.3.1.

De Raad begrijpt appellant aldus dat de korpschef de overgelegde stukken in de eerdere procedure al had moeten overleggen. Wat daar ook van zij, het onderhavige geschil ziet op de afwijzing van het verzoek om heroverweging en niet op stukken die betrekking hebben of zouden moeten hebben op de procedure die heeft geleid tot het besluit van 16 mei 2013 waarvan heroverweging wordt verzocht.

4.4.

Ook de overige door appellant aangevoerde gronden slagen niet. De Raad is niet gebleken dat de rechtbank feiten onjuist heeft vastgesteld en daarbij sprake zou zijn van verzinsels. Daarnaast heeft de rechtbank de stukken genoemd in haar rechtsoverweging 3.1 - anders dan appellant betoogt - niet buiten beschouwing hoeven laten, omdat niet is gebleken van enige wettelijke bepaling die zich tegen het overleggen van deze stukken verzet.

4.5.

Verder stelt de Raad vast dat artikel 7:7 van de Awb geen vormvereisten aan het verslag van de hoorzitting stelt. Het enkele feit dat het verslag van de hoorzitting niet is ondertekend of voorzien van een dagtekening, betekent, anders dan appellant kennelijk meent, niet dat in strijd met artikel 7:7 van de Awb is gehandeld.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden zoals overwogen in 4.5, moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 november 2017.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) L.V. van Donk

HD