Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3974

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-11-2017
Datum publicatie
17-11-2017
Zaaknummer
15/1696 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wajong-uitkering en de toeslag kunnen worden herzien indien deze ten onrechte of tot een te hoog bedrag zijn verleend. Schending inlichtingenplicht kan in midden blijven. Voor het aannemen van een dringende reden is niet vereist dat sprake is van een psychiatrisch toestandsbeeld in engere zin. Conclusies zorgvuldige onderzoek deskundige worden onderschreven. Hieruit volgt niet dat terugvorderingsbesluit dusdanige ernstige sociale of psychische gevolgen voor appellant heeft dat hij als gevolg daarvan in een onaanvaardbare situatie terecht is gekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/1696 Wajong

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 29 januari 2015, 14/3374 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 15 november 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.C.J. Aarts, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2016.

Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. C.A.M.J. de Wit, advocaat.

Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

Het onderzoek is heropend. Partijen hebben nadere reacties overgelegd.

Vervolgens heeft de Raad een psychiater als deskundige benoemd. Deze deskundige, psychiater J.J.D. Tilanus, heeft op 7 juli 2017 rapport uitgebracht, waarop partijen hebben gereageerd.

Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant ontvangt een Wajong-uitkering, alsmede een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW).

1.2.

Op de vragenlijst Wajong van 2 december 2011 heeft appellant vermeld dat hij vanaf

3 januari 2011 bij [bedrijf] werk in loondienst verricht. Deze werkzaamheden zijn beëindigd op 31 oktober 2013.

1.3.

Bij afzonderlijke besluiten van 19 maart 2014 is met ingang van 1 januari 2011 de (uitbetaling van de) Wajong-uitkering verlaagd en de toeslag stopgezet. Bij een derde besluit van 19 maart 2014 is een bedrag van bruto € 11.519,67 teruggevorderd vanwege ten onrechte ontvangen Wajong-uitkering en toeslag in de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 oktober 2013 in verband met het niet (tijdig) doorgeven van inkomsten uit arbeid (terugvorderingsbesluit).

1.4.

Bij beslissing op bezwaar van 22 augustus 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij is vastgesteld dat appellant per 1 september 2014 geen aflossingscapaciteit heeft. Omdat wel sprake is van eigen vermogen (woning), zal over een jaar opnieuw beoordeeld worden hoe de terugvordering terugbetaald kan worden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat het beroep van appellant zich niet richt tegen het door het Uwv vastgestelde recht op uitkering en toeslag per 1 januari 2011 en dat appellant ook de hoogte van het teruggevorderde bedrag niet heeft betwist. Ter beoordeling ligt voor de terugvordering van de onverschuldigd uitbetaalde uitkering en toeslag. Het Uwv was in ieder geval sinds eind 2011 bekend dat appellant inkomsten uit arbeid genoot. Uit het feit dat het Uwv appellant hierna niet tijdig op de hoogte heeft gebracht van het feit dat deze inkomsten gevolgen konden hebben voor het recht op uitkering en toeslag, kon appellant niet het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat hij (dus) recht bleef houden op het (volledige) bedrag aan Wajong-uitkering en toeslag. Voorts kan en moet het appellant redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat hij na 1 januari 2011 ten onrechte of te veel uitkering ontving, nu hij gemiddeld 15 uur per week ging werken. Het Uwv is verplicht de onverschuldigd betaalde uitkering en toeslag terug te vorderen en kan alleen bij dringende redenen (gedeeltelijk) af zien van terugvordering. Volgens de rechtbank is een dringende reden niet voldoende aannemelijk gemaakt. Een beroep op de financiële omstandigheden van appellant levert, nu het Uwv de aflossingscapaciteit van appellant per

1 september 2014 op nihil heeft vastgesteld met de mededeling dat over een jaar opnieuw zal worden beoordeeld hoe de vordering kan worden terugbetaald en de bij een invordering in acht te nemen beslagvrije voet, geen dringende reden op om van terugvordering af te zien. In de ter zitting door de begeleidster van appellant toegelichte sociale en psychische gevolgen van de terugvordering voor appellant, waaronder suïcidale uitingen, is evenmin een dringende reden gelegen aangezien niet onderbouwd is dat sprake is van een daadwerkelijke psychische of medische noodsituatie.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij de inlichtingenplicht niet heeft geschonden, omdat hij zijn werkzaamheden tijdig heeft gemeld bij het Uwv. Verder heeft appellant aangevoerd dat sprake is van een dringende reden waardoor afgezien moet worden van terugvordering, omdat het terugvorderingsbesluit onaanvaardbare sociale en financiële consequenties heeft. Hiertoe voert appellant aan dat verkoop van zijn woning dreigt en dat hij psychische klachten heeft, waaronder suïcidale gedachten.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

3.3.

Bij besluit van 2 november 2015 (invorderingsbesluit) heeft het Uwv kenbaar gemaakt dat appellant zijn eigen vermogen moet gebruiken om de terugvordering te betalen. Na een verzoek om opschorting heeft het Uwv op 19 november 2015 kenbaar gemaakt dat appellant tot nader bericht zijn eigen vermogen niet hoeft aan te wenden. Nadat appellant financiële gegevens heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling dat hij niet over de financiële mogelijkheden beschikt om zijn eigen vermogen aan te wenden, heeft het Uwv op 1 augustus 2016 vastgesteld dat niet zal worden overgegaan tot het aanwenden van het eigen vermogen van appellant. De terugvordering blijft bestaan en jaarlijks zal een inkomensonderzoek verricht worden waarbij de vraag of de overwaarde van de woning verzilverd kan worden onderdeel is van het vaststellen van de aflossingscapaciteit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In het midden kan blijven of appellant, naar hij stelt, in januari en maart 2011 telefonisch melding bij het Uwv heeft gemaakt van de werkzaamheden bij [bedrijf] en daarom de inlichtingenplicht niet heeft geschonden. De Wajong-uitkering en de toeslag kunnen immers ook worden herzien indien deze anderszins ten onrechte of tot een te hoog bedrag zijn verleend. Niet in geschil is dat als gevolg van de arbeidsinkomsten van appellant de Wajong-uitkering vanaf 1 januari 2011 tot een te hoog bedrag is verleend en de toeslag ten onrechte is verstrekt. Het kon appellant voorts redelijkerwijs duidelijk zijn dat hij als gevolg van deze arbeidsinkomsten te veel Wajong-uitkering en toeslag ontving. Het Uwv heeft de Wajong-uitkering en de toeslag daarom terecht met terugwerkende kracht herzien respectievelijk beëindigd.

4.2.

Voor het toepasselijke wettelijke kader ten aanzien van de terugvordering wordt verwezen naar de overwegingen 10 en 11 van de aangevallen uitspraak. Daaraan wordt toegevoegd dat ingevolge artikel 3:56, zesde lid, van de Wet Wajong en artikel 20, vijfde lid, van de TW het Uwv kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

4.3.

Dringende redenen als hier bedoeld kunnen op grond van vaste rechtspraak slechts zijn gelegen in de onaanvaardbaarheid van de financiële en/of sociale gevolgen die een terugvordering heeft (zie onder meer de uitspraak van 6 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2514).

4.4.

De financiële situatie van appellant geeft geen aanleiding voor het aannemen van een dringende reden. Daarvoor is van belang dat het Uwv op 1 augustus 2016 heeft vastgesteld dat appellant zijn woning niet hoeft aan te wenden voor terugbetaling van de terugvordering, maar dat de terugvordering blijft bestaan en jaarlijks een inkomensonderzoek verricht zal worden naar de aflossingscapaciteit waaronder de vraag of de overwaarde van de woning verzilverd kan worden. Hierdoor zijn de financiële gevolgen van de terugvordering voor appellant aanmerkelijk verzacht.

4.5.1.

In het door appellant overgelegde rapport van 20 oktober 2015 van psycholoog M. Loualidi staat vermeld dat appellant op zwakbegaafd niveau functioneert, zich presenteert zonder een acuut psychiatrisch toestandsbeeld in engere zin en er veel psychosociale stressoren aanwezig zijn waardoor hij op dit moment wordt overvraagd. Vanwege de verstandelijke beperking en het gebrek aan adequate copingmechanismen uit dit zich in suïcidale uitspraken, op grond waarvan begeleiding aangewezen is. In het rapport “Vraagverheldering” van het Sociaal Wijkteam [woonplaats] van 28 september 2016 staat vermeld dat de schuld als een zware last op appellant blijft drukken en zorgt voor veel spanningen en negatieve gevoelens die appellant niet van zich kan afzetten, op grond waarvan (tijdelijke) (extra) individuele begeleiding wordt geadviseerd.

4.5.2.

De Raad heeft in de onderbouwde stellingen van appellant over de psychische gevolgen van de terugvordering aanleiding gezien een deskundige psychiater te benoemen om hierover te adviseren. In zijn rapport van 7 juli 2017 vermeldt de deskundige dat, waar in de stukken consistent staat beschreven dat er bij appellant in de afgelopen jaren terugkerend sprake was van suïcidale uitlatingen - waarschijnlijk inderdaad bij tekortschietende copingmechanismen in het kader van de verstandelijke beperking - noch uit de anamnese, noch bij onderzoek of bij de bestudering van de stukken naar voren komt dat er ooit sprake is geweest van een suïcidepoging of (noodzaak tot) acute interventie in verband met suïcidaliteit (bijvoorbeeld acute behandeling of opname), ook niet bij/na eerdere en/of actuele aanzienlijke stressoren. Er worden ook geen aanwijzingen gevonden dat zich bij appellant, bijvoorbeeld in vervolg op stressoren, een comorbide psychiatrische stoornis (zoals een depressie of psychose) heeft voorgedaan. In vervolg op het terugvorderingsbesluit van het Uwv en nadien een juridische procedure is er bij appellant al enige jaren sprake van gevoelens van spanning, wisselende stemmingsklachten, verdriet en boosheid, zodanig dat hij in mindere mate kan genieten van zijn hobby’s en blijkbaar wat meer begeleiding heeft/krijgt van zijn vaste begeleiders. Bij de huidige anamnese worden slaapproblemen en geen psychiatrische klachten of symptomen vermeld/aangegeven en bij onderzoek worden behoudens de intellectuele/verstandelijke beperkingen geen psychiatrische symptomen en/of aanhoudende cognitieve, affectieve of conatieve functiestoornissen geconstateerd. Voor een depressieve stoornis zijn geen aanwijzingen gevonden. Er is actueel niet sprake van psychiatrische symptomen van een aanhoudende ziekelijk-sombere grondstemming en/of duidelijke vermindering van interesse in activiteiten, noch vitaal-depressieve kenmerken, suïcidaliteit of overige symptomatologie. Er worden ook geen aanwijzingen gevonden voor een dysthyme stoornis; er is geen sprake van een sombere stemming die het beloop kent van een dergelijke stoornis. De geconstateerde en door appellant en zijn begeleiders vermelde gevoelens van teleurstelling, verdriet en boosheid, zijn invoelbaar en passend bij de situatie. Daarbij is er ook nog sprake van een adequate dagstructuur en -indeling. Derhalve worden ook geen aanwijzingen voor een aanpassingsstoornis geconstateerd.

4.5.3.

Voor het aannemen van een dringende reden is, anders dan de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 15 december 2015 suggereert, niet vereist dat sprake is van een psychiatrisch toestandsbeeld in engere zin. Beoordeeld dient te worden of appellant als gevolg van de terugvordering in een onaanvaardbare situatie terecht is gekomen. De conclusies van het zorgvuldige onderzoek van de deskundige worden onderschreven. Hieruit volgt niet dat het terugvorderingsbesluit dusdanige ernstige sociale of psychische gevolgen voor appellant heeft dat hij als gevolg daarvan in een onaanvaardbare situatie terecht is gekomen. Dat appellant gevoelens van teleurstelling, verdriet en boosheid ervaart is onvoldoende voor het aannemen van een dringende reden in de hiervoor bedoelde zin.

5. Uit 4.1 tot en met 4.5.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 november 2017.

(getekend) E. Dijt

(getekend) N. van Rooijen

KS