Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3972

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-11-2017
Datum publicatie
16-11-2017
Zaaknummer
15/7197 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:6186, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ZW-uitkering terecht beëindigd. Toetsing aan arrest Korošec. Zorgvuldigheid van de besluitvorming. Equality of arms. Inhoudelijke beoordeling. Geen twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling. Het Uwv heeft voldoende gemotiveerd dat de aan de EZWb ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/7197 ZW

Datum uitspraak: 15 november 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 10 september 2015, 15/1410 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Heek hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Heek. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. M.W.L. Clemens.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft na zijn ziekmelding op 4 januari 2013 wegens rugklachten ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen van het Uwv. Het laatste werk dat appellant voor die ziekmelding heeft verricht, was in de functie van CV-installatiemonteur voor gemiddeld 40 uur per week.

1.2.

In het kader van de zogenoemde eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsarts appellant op 6 maart 2014 gezien. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 25 maart 2014. Een arbeidsdeskundige heeft vijf functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant nog 70,42% van zijn zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 22 april 2014 vastgesteld dat appellant met ingang van 23 mei 2014 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 29 januari 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 16 januari 2015 en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 23 januari 2015 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn klachten en beperkingen heeft onderschat. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft appellant rapporten van 12 november 2015 en 13 juni 2017 van medisch adviseur
E.C. van der Eijk ingezonden en van 27 maart 2017 van medisch adviseur en orthopedisch chirurg J. Oemar. Van der Eijk heeft er daarbij op gewezen dat de behandelend sector, waaronder Oemar, uitgaat van de diagnose Failed Back Surgery Syndroom (FBSS) en niet van aspecifieke lage rugklachten. Hij heeft verzocht om een medisch deskundige in te schakelen, waarbij hij een beroep heeft gedaan op een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 oktober 2015, ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212 (Korošec). Appellant heeft gesteld dat de geselecteerde functies wegens de door Van der Eijk voorgestane aanvullende beperkingen niet geschikt zijn voor hem.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit, onder verwijzing naar rapporten van 14 december 2015 en 13 september 2017 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Onder het maatmaninkomen wordt verstaan het inkomen dat een verzekerde zou hebben verdiend, als hij niet ziek zou zijn geworden. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van
30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).

4.2.

In zijn uitspraak van 30 juni 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2226) heeft de Raad, gelet op het arrest Korošec, de uitgangspunten uiteengezet voor de toetsing door de bestuursrechter van de beoordeling door verzekeringsartsen van het Uwv. Dat leidt in dit geding tot het volgende.

Stap 1: zorgvuldigheid van de besluitvorming

4.3.

Het onderzoek door de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep is voldoende zorgvuldig geweest. Daarbij is van belang dat uit de rapporten van de verzekeringsartsen van het Uwv blijkt dat het dossier is bestudeerd, dat appellant is onderzocht, dat informatie van de behandelend sector bij de beoordeling van de belastbaarheid van appellant is meegewogen en dat daarover op inzichtelijke wijze is gerapporteerd. Er zijn geen aanknopingspunten waaruit afgeleid zou kunnen worden dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij het onderzoek en bij de beoordeling van de medische situatie gegevens heeft gemist.

Stap 2: equality of arms

4.4.

Er is geen reden om aan te nemen dat appellant belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van zijn standpunt dat het Uwv zijn lichamelijke beperkingen heeft onderschat. Appellant heeft in de procedures in bezwaar, bij de rechtbank en in hoger beroep uitgebreid gebruik gemaakt van de mogelijkheid om nadere stukken in te dienen over zijn fysieke situatie. Er zijn geen aanwijzingen dat medische informatie ontbreekt. De eigen onderzoeksbevindingen van de verzekeringsartsen en de ingediende informatie is kenbaar betrokken bij de beoordeling van de arbeidsmogelijkheden van appellant. Uit het arrest Korošec volgt niet dat de rechter uit een oogpunt van equality of arms gehouden zou zijn in een situatie als hier aan de orde, waarin de verzekeringsartsen van het Uwv inzichtelijk de informatie van de behandelend artsen hebben betrokken, zodat deze door de rechter kan worden getoetst, een medisch deskundige te benoemen.

Stap 3: inhoudelijke beoordeling

4.5.

Er is geen aanleiding voor een ander oordeel over de inschatting van de belastbaarheid van appellant op 23 mei 2014 door het Uwv dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft gegeven. De verzekeringsarts heeft overtuigend en navolgbaar uiteengezet dat appellant aspecifieke lage rugklachten zonder radiculaire verschijnselen heeft. Een CT-scan van

28 februari 2013 liet een fraai geconsolideerde continuïteit van het lumbale niveau zien, bij het afwezig zijn van een evident radiculair beeld. Op een MRI van 24 oktober 2014 is volledige botdoorbouw lumbaal bij het afwezig zijn van wortelcompressie vastgesteld. Juist bij personen met dit soort klachten is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep het actief gaan oefenen en het zoveel mogelijk in beweging zijn de oplossing van hun klachten. Het is volgens hem niet voor niets dat de Sint Maartenskliniek een actief revalidatieprogramma aanraadde. Ook orthopedisch chirurg J.L.M. Van Loon raadde dringend operatieve revisie af en gewichtsreductie, stoppen met roken en zoveel mogelijk bewegen aan. Uit een brief van orthopedisch chirurg A.F.A. van Beurden blijkt dat hij eenzelfde beleid adviseerde. Dat de revalidatie die appellant is gaan volgen nog geen resultaat heeft opgeleverd in de zin van minder klachten en beperkingen, maakt niet dat deze klachten en beperkingen zijn onderschat.

4.6.

In zijn rapport van 13 september 2017 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep navolgbaar toegelicht dat de termen FBSS en aspecifieke rugklachten elkaar niet uitsluiten en zelfs een zeer grote overlap vertonen. Van belang is dat FBSS volgens de literatuur staat voor een aantal aandoeningen die kunnen optreden na een rugoperatie zonder goed resultaat. Dat zou volgens hoogleraar B. Crul het geval zijn bij 10 tot 50% van de rugoperaties. Het gaat volgens Crul vooral om rugoperaties die zonder keiharde indicatie zijn uitgevoerd of operaties met een goede indicatie die niet optimaal zijn verlopen. Wat appellant hierover in hoger beroep heeft aangevoerd, leidt dan ook niet tot het oordeel dat de rugklachten van appellant zijn onderschat. Aan de rapporten van medisch adviseur Van der Eijk kan geen doorslaggevende betekenis worden gehecht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft er in dit verband terecht op gewezen dat Van der Eijk, anders dan met de stelling dat de verzekeringsartsen niet zijn uitgegaan van de juiste diagnose, niet gemotiveerd is ingegaan op de discrepantie tussen de rug- en pijnklachten van appellant en het objectief vastgestelde medisch substraat.

4.7.

De verzekeringsarts hebben de knieklachten van appellant als gevolg van onder meer artrose en meniscusproblematiek bij hun beoordeling betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft met de stelling dat traplopen met deze vorm van rugklachten niet beperkt is en appellant geen bovenbeenatrofie heeft, toereikend gemotiveerd dat appellant in principe kan traplopen. Ook overigens is geen grond voor het oordeel dat in verband met de knieklachten beperkingen hadden moeten worden aangenomen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de knieklachten van appellant pas geruime tijd na de datum in geding zijn verergerd. De stelling van Van der Eijk dat de per 1 juni 2015 en 24 juni 2015 aangenomen beperkingen op onder meer staan en lopen ook al op bij de EZWb hadden moeten worden aangenomen, wordt dan ook niet gevolgd.

4.8.

Geconcludeerd wordt dat wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, onvoldoende is om het inzichtelijk gemotiveerde standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden. Er is, gelet op de voorhanden gegevens, geen twijfel aan de juistheid van die beoordeling zodat ook op deze grond geen aanleiding bestaat om een deskundige te benoemen.

4.9.

Ook wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de EZWb ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn.

5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.9 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 november 2017.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) B. Dogan

KS