Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:396

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-01-2017
Datum publicatie
13-02-2017
Zaaknummer
15/3076 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. Hoofdverblijf niet voor gehele periode aannemelijk

gemaakt. Opdracht nieuwe besluitvorming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/3076 WWB

Datum uitspraak: 24 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

27 maart 2015, 14/3168 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van [plaatsnaam] (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.M.H.E.G. Lemmens, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht het college te veroordelen tot vergoeding van schade.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Lemmens. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door P.H.J.M. Kalmar.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 1 januari 1997 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Appellante woonde ten tijde hier van belang op het adres [adres] (uitkeringsadres).

1.2.

Naar aanleiding van twee anonieme meldingen dat appellante op het uitkeringsadres samenwoont met [naam] (B), heeft de Sociale Recherche [plaatsnaam] (sociale recherche) onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek verricht, waarnemingen gedaan en op 26 maart 2014 een huisbezoek afgelegd aan het uitkeringsadres. Tijdens het huisbezoek hebben appellante en B beiden een verklaring afgelegd. Verder hebben medewerkers van de sociale recherche op 26 maart 2014 een gesprek gevoerd met de dochter van B en haar vriend. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 25 april 2014.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

29 april 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 september 2014 (bestreden besluit), voor zover hier van belang, de bijstand van appellante met ingang van 1 april 2013 in te trekken en de over de periode van 1 april 2013 tot en met 28 februari 2014 gemaakte kosten van bijstand en de langdurigheidstoeslag 2014 tot een bedrag van in totaal € 12.501,94 van appellante terug te vorderen. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellante met B een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd, zonder daarvan melding te doen aan het college.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante betwist dat zij vanaf 1 april 2013 een gezamenlijke huishouding met B heeft gevoerd. Appellante verwijst in dat verband onder meer naar de in beroep overgelegde verklaring van de ex-echtgenote van B van 27 juni 2014. Appellant meent dat deze verklaring, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, niet in tegenspraak is met wat de dochter van B op 26 maart 2014 heeft verklaard. Verder verwijst appellante naar een in beroep overgelegd overzicht uit de agenda van B. Appellante wijst er voorts op dat in het rapport van 25 april 2014 onder

“M. Overweging” wordt vermeld dat op grond van de waarnemingen en het onderzoek tot

25 januari 2014 niet kan worden vastgesteld wat de exacte woonsituatie van appellante is. Ten slotte stelt appellante dat haar verklaring en de verklaring van B op onjuiste wijze zijn uitgelegd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geding is de vraag of er voldoende feitelijke grondslag is voor het standpunt van het college dat appellante in de te beoordelen periode van 1 april 2013 tot en met 29 april 2014 (datum intrekkingsbesluit) een (verzwegen) gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met B.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert. Van een gezamenlijke huishouding is op grond van artikel 3, derde lid, van de WWB sprake indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Hoofdverblijf

4.4.

De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Appellante en B stonden in de te beoordelen periode niet op hetzelfde adres ingeschreven. Dat gegeven staat op zichzelf niet in de weg aan het hebben van een hoofdverblijf in dezelfde woning op één van die adressen (arrest van de Hoge Raad van 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:556).

4.5.

Anders dan de rechtbank heeft overwogen, bieden de bevindingen van het onderzoek door de sociale recherche geen toereikende grondslag voor de conclusie dat B reeds vanaf

1 april 2013 zijn hoofdverblijf in de woning van appellante heeft gehad. Daartoe is het volgende van belang.

4.5.1.

Het college heeft voor de beoordeling of sprake was van een gezamenlijke huishouding doorslaggevende betekenis toegekend aan de door appellante en B op 26 maart 2014 ten overstaan van de sociale recherche afgelegde verklaringen. Op de vraag sinds wanneer B hoofdverblijf bij haar heeft, heeft appellante verklaard dat dit sinds oktober 2013 is. Op de vraag of B kleding en andere persoonlijke spullen bij appellante in de woning heeft, heeft appellante verklaard dat B volgens haar in september of oktober 2013 zijn meubels in haar woning heeft gezet. Nadat aan appellante tijdens het gesprek werd voorgehouden dat B had verklaard dat hij sinds januari of februari 2013 een relatie met appellante heeft, dat de situatie zoals deze nu is al sinds maart of april 2013 zo is en hij sinds die tijd voornamelijk bij appellante is en deelt in de kosten, heeft appellante geantwoord dat dit klopt.

4.5.2.

Anders dan het college heeft gesteld, biedt de verklaring van appellante geen ondersteuning voor de door het college gehanteerde aanvangsdatum van 1 april 2013 van het hoofdverblijf van B op het adres van appellante. B heeft namelijk verklaard dat hij appellante in februari 2013 heeft leren kennen en dat hij vanaf maart of april 2013 steeds vaker bij appellante verbleef. Anders dan de sociale recherche appellante heeft voorgehouden, heeft B dus niet verklaard dat hij sinds die tijd voornamelijk bij appellante verbleef en deelt in de kosten. Nu appellante bovendien op de vraag sinds wanneer B hoofdverblijf bij haar heeft in eerste instantie heeft geantwoord dat dit sinds oktober 2013 is, valt niet uit te sluiten dat appellante bij het antwoord dat het klopt, het hebben van een relatie met B voor ogen heeft gestaan en dus niet het hoofverblijf van B in haar woning.

4.5.3.

Ook de overige onderzoeksgegevens bieden onvoldoende steun voor de conclusie dat het hoofdverblijf van B op het adres van appellante op 1 april 2013 is aangevangen. Zo heeft de dochter van B op 26 maart 2014 verklaard dat B vanaf ongeveer de zomer van 2013 meer bij appellante heeft verbleven dan in hun woning. De ex-echtgenote van B heeft op 27 juni 2014 schriftelijk verklaard dat B tot 23 september 2013 bij haar heeft gewoond en dat hij na 23 september 2013 bij zijn dochter is gaan wonen.

4.6.

De onder 4.5.1 weergegeven verklaring van appellante, bezien in samenhang met de onder 4.5.3 weergegeven verklaringen van de dochter en de ex-echtgenote van B, bieden wel voldoende grondslag voor de conclusie dat B met ingang van de maand oktober 2013 zijn hoofdverblijf in de woning van appellante had. Anders dan appellante heeft gesteld, zijn in de weergave van haar eigen verklaring geen aanknopingspunten gelegen die ruimte bieden voor een uitleg dat appellante de vraag “sinds wanneer heeft uw vriend zijn hoofdverblijf bij u?” heeft begrepen als vraag vanaf wanneer zij een relatie met B heeft. Hierbij is van belang dat blijkens de weergave van het gesprek aan appellante het begrip hoofdverblijf is uitgelegd waarna uitdrukkelijk is gevraagd sinds wanneer B zijn hoofdverblijf bij appellante had. De conclusie dat B vanaf oktober 2013 zijn hoofdverblijf in de woning van appellante had, vindt voorts steun in het feit dat tijdens het huisbezoek op 26 maart 2014 kleding, verzorgingsspullen, werkspullen en meubels van B in de woning van appellante zijn aangetroffen en in de waarnemingen die in de periode van 3 december 2013 tot en met

25 maart 2014 zijn verricht. Daarbij is vrijwel altijd een van de op naam van B gestelde voertuigen in de nabijheid van de woning van appellante gezien, en is ook B in en nabij de woning van appellante gezien. Voorts is, blijkens het rapport van de sociale recherche, bij verschillende waarnemingen gezien dat B het huis van appellante binnen ging of verliet met gebruikmaking van een sleutel. Ook deze waarnemingen ondersteunen de conclusie van het college dat B in die periode zijn hoofdverblijf had op het adres van appellante. Het door appellante overgelegde overzicht uit de agenda van B, wat daarvan zij, biedt onvoldoende aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen. Aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding is daarom voldaan.

Wederzijdse zorg

4.7.

Het tweede criterium is de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

4.8.

De gedingstukken bieden voldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat vanaf 1 oktober 2013 tevens voldaan is aan het vereiste van wederzijdse zorg. Daarbij wordt belang gehecht aan de verklaringen van appellante en B. Uit die verklaringen komt naar voren dat appellante B heeft opgevangen omdat hij het moeilijk had, dat B af en toe meebetaalde aan de vaste lasten van de woning, dat B de televisie in de woonkamer heeft gekocht, dat appellante en B boodschappen voor elkaar deden, dat appellante en B gezamenlijk de maaltijden gebruikten, dat appellante de was deed, de was streek en kookte, dat B soms ook kookte, meehielp in de huishouding en klusjes in huis deed en dat B een kamer in de woning heeft opgeknapt en ingericht als werkkamer, zodat hij daar, naar eigen zeggen, fatsoenlijk kon werken. Verder komt uit de verklaringen van appellante en B naar voren dat zij in oktober 2013 samen in Turkije op vakantie zijn geweest en dat B deze vakantie heeft betaald. Dat geen sprake is geweest van financiële verstrengeling, zoals appellante heeft gesteld, is, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, niet relevant. Die stelling behoeft daarom geen verdere bespreking.

Conclusie

4.9.

Uit 4.5 tot en met 4.8 volgt dat appellante en B vanaf 1 oktober 2013 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. De tussenconclusie in het rapport van 25 april 2014 onder “M. Overweging” maakt dat niet anders. Appellante heeft van de gezamenlijke huishouding geen melding gemaakt bij het college. Dit betekent dat appellante vanaf 1 oktober 2013 niet als zelfstandig subject van bijstand kon worden aangemerkt en dus geen recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Het college was daarom gehouden de bijstand vanaf

1 oktober 2013 en de langdurigheidstoeslag 2014 in te trekken. Voorts was het college gehouden de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 oktober 2013 tot en met

28 februari 2014 en de langdurigheidstoeslag 2014 van appellante terug te vorderen.

4.10.

Uit 4.5 volgt tevens dat geen toereikende grondslag bestaat voor de intrekking en de terugvordering van de bijstand van appellante over de periode van 1 april 2013 tot en met

30 september 2013. De rechtbank heeft dat niet onderkend. Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover dit besluit betrekking heeft op de intrekking van de bijstand van appellante over de periode van 1 april 2013 tot en met 30 september 2013, en, in aanmerking genomen dat een terugvorderingsbesluit als ondeelbaar moet worden beschouwd, ook de terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Tevens zal de Raad het besluit van 29 januari 2014 herroepen, voor zover het betrekking heeft op de intrekking van de bijstand over de periode van 1 april 2013 tot en met 30 september 2013, aangezien aan dit besluit in zoverre hetzelfde gebrek kleeft als aan het bestreden besluit en niet aannemelijk is dat dit gebrek kan worden hersteld.

4.11.

Aangezien de bestuurlijke lus zich niet verdraagt met het rechtsmiddel van beroep in cassatie dat openstaat tegen de toepassing door de Raad van het begrip gezamenlijke huishouding, zal het college opgedragen worden een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 29 april 2014, voor zover het betrekking heeft op de terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 oktober 2013 tot en met 28 februari 2014. Het college zal in zoverre een nieuwe berekening moeten maken. Wel bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

4.12.

Het verzoek om vergoeding van geleden schade in de vorm van wettelijke rente over de na te betalen bijstand over de periode van 1 april 2013 tot en met 30 september 2013 is voor toewijzing vatbaar. Voor de wijze waarop het college de rente dient te berekenen, verwijst de Raad naar de uitspraak van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958. Voor zover de terugvordering reeds is geëffectueerd en tot terugbetaling is overgegaan dient het college daarover de wettelijke rente te vergoeden.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 990,- in bezwaar, € 990,- in beroep en € 990,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.970,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de intrekking van bijstand over de

periode van 1 april 2013 tot en met 30 september 2013 en de terugvordering in stand zijn

gelaten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 8 september 2014 gegrond en vernietigt dat besluit

voor zover het betreft de intrekking van bijstand over de periode van 1 april 2013 tot en met

30 september 2013 en de terugvordering;

- herroept het besluit van 29 april 2014 voor zover het betreft de intrekking over de periode

van 1 april 2013 tot en met 30 september 2013 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de

plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 8 september 2014;

- veroordeelt het college tot vergoeding van schade aan appellante op de wijze als aangeduid

in rechtsoverweging 4.12;

- draagt het college op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te

nemen met betrekking tot de terugvordering;

- bepaalt dat tegen het nieuw te nemen besluit op bezwaar slechts beroep kan worden

ingesteld bij de Raad;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige, voor zover aangevochten;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.970,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut als voorzitter en J.H.M. van de Ven en

G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2017.

(getekend) E.C.R. Schut

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD