Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3955

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-11-2017
Datum publicatie
20-11-2017
Zaaknummer
15/7545 WWB
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:1707
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Verzwegen gezamenlijke huishouding. Voldoende feitelijke grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 7545 WWB, 15/7546 WWB

Datum uitspraak: 14 november 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank [woonplaats] van

29 september 2015, 15/1050 en 15/1553 (aangevallen uitspraken)

Partijen:

[Appellante 1] (appellante 1) en [Appellante 2] (appellante 2), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M.K. Bhadai, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting in de zaken heeft gevoegd plaatsgevonden op 21 augustus 2017. Namens appellanten is verschenen mr. Bhadai. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.H. Buizert.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante 1 ontving sinds 9 oktober 2006 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellante 1 staat ingeschreven in de basisregistratie personen (BRP) op het adres [uitkeringsadres] te [woonplaats] (uitkeringsadres). Appellante 2 staat in de BRP ingeschreven op het adres [adres 1] te [woonplaats] (adres 1).

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding in augustus 2012, onder meer dat appellanten samenwonen op het uitkeringsadres en dat appellante 1 werkzaam is als [functie], heeft een sociaal rechercheur van de afdeling Bijzonder Onderzoek van de gemeente Den Haag (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante 1 verleende bijstand. Vervolgens is door de sociale recherche een strafrechtelijk onderzoek naar sociale zekerheidsfraude ingesteld. De sociale recherche heeft onder meer dossieronderzoek verricht, openbare bronnen, waaronder internet, geraadpleegd en bankafschriften bekeken. Voorts heeft op 14 februari 2014 een doorzoeking van de woningen van appellanten plaatsgevonden, is buurtonderzoek verricht en zijn appellanten op 4 maart 2014 verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van de afdeling Bijzonder Onderzoek van 12 mei 2014. Het strafrechtelijk onderzoek naar sociale zekerheidsfraude is afgesloten met een proces-verbaal uitkeringsfraude van 19 mei 2014.

1.3.

De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest bij besluiten van 27 maart 2014, 20 mei 2014 en 21 mei 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

12 januari 2015 (bestreden besluit 1), de bijstand van appellante 1 met ingang van 1 maart 2014 te beëindigen en de algemene en bijzondere bijstand van appellante 1 over de periode van 5 augustus 2008 tot en met 28 februari 2014 in te trekken. Verder heeft het college de gemaakte kosten van bijstand over deze periode tot een bedrag van € 76.212,31 van appellante 1 teruggevorderd, welk bedrag vervolgens is gebruteerd tot een bedrag van

€ 99.061,24. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten sinds 5 augustus 2008 een gezamenlijke huishouding voeren op het uitkeringsadres zonder dat appellante 1 daarvan melding heeft gemaakt bij het college. Voorts heeft appellante 1 sinds juli 2011 werkzaamheden als [functie] verricht en daaruit inkomsten ontvangen. Dit heeft zij evenmin aan het college gemeld.

1.4.

Bij besluiten van 20 mei 2014 en 21 mei 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

12 januari 2015 (bestreden besluit 2), heeft het college de onder 1.3 vermelde bedragen mede van appellante 2 teruggevorderd. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellanten een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en dat appellante 2 hoofdelijk aansprakelijk is voor de terugbetaling van de over de periode van 5 augustus 2008 tot en met 28 februari 2014 aan appellante 1 ten onrechte betaalde bijstand.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank het beroep van appellante 1 tegen bestreden besluit 1 en het beroep van appellante 2 tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich tegen de aangevallen uitspraken gekeerd. Appellanten betwisten dat zij een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Daartoe is aangevoerd dat appellante 1 niet aan haar verklaringen kan worden gehouden. De aanhouding door de politie in de vroege ochtend van 4 maart 2014 en de mededeling van de politie dat appellante 1 drie dagen kon worden vastgehouden, hebben een grote impact op haar gehad. Appellante 1 heeft daarop klakkeloos verklaard en de verklaringen ondertekend, zodat zij snel naar huis, naar haar dochter, kon terugkeren. Verder hebben appellanten aangevoerd dat de afgelegde verklaringen ontoereikend zijn voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding. Zo is de frequentie van de gezamenlijke activiteiten onduidelijk gebleven. Appellanten betwisten verder dat appellante 1 werkzaamheden als [functie] heeft verricht en daaruit inkomsten heeft ontvangen. Daartoe is aangevoerd dat appellante 2 deze werkzaamheden heeft verricht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 5 augustus 2008, de ingangsdatum van de intrekking bijstand, tot en met 27 maart 2014, de datum van het besluit tot intrekking bijstand per

1 maart 2014.

4.2.

Een besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

Op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de ten tijde in geding geldende WWB, voor zover hier van belang, wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert. Voor het antwoord op de vraag of sprake is van een gezamenlijke huishouding is van belang of sprake is van gezamenlijk hoofdverblijf en of sprake is van wederzijdse zorg.

4.4.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat appellante 1 aan haar op 4 maart 2014 afgelegde verklaringen kan worden gehouden. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van

26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) mag een betrokkene, ook indien hij later van een afgelegde verklaring terugkomt, in het algemeen aan de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en vervolgens zonder enig voorbehoud ondertekende verklaring worden gehouden. Appellante 1 heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich zodanige bijzondere omstandigheden voordoen dat op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. Appellante 1 heeft op 4 maart 2014 uitvoerige en gedetailleerde verklaringen afgelegd. Daarbij heeft zij tevens verklaard door de verbalisanten heel goed en netjes te zijn behandeld, wat de gemachtigde van appellanten ter zitting nog eens heeft bevestigd. Appellante 1 heeft vervolgens - na doorlezen van haar verklaringen - volhard in haar verklaringen en deze verklaringen op iedere bladzijde ondertekend.

4.5.

Voorts heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de onderzoeksbevindingen voldoende feitelijke grondslag bieden voor het oordeel dat in de te beoordelen periode sprake was van een gezamenlijk hoofdverblijf op het uitkeringsadres en dat sprake was van wederzijdse zorg. Evenals de rechtbank wordt hierbij doorslaggevende betekenis toegekend aan de door appellanten, afzonderlijk van elkaar, op 4 maart 2014 afgelegde verklaringen. Zo heeft appellante 1 onder meer verklaard dat appellante 2 op 5 augustus 2008 in haar leven is gekomen, dat zij op 9 september 2009 zijn getrouwd, dat zij niet voor de wet zijn getrouwd omdat dat gevolgen zou hebben voor haar uitkering, dat appellante 2 voor haar zorgt, met haar meegaat naar het ziekenhuis en alles voor haar doet, dat appellante 2 op het uitkeringsadres slaapt en dat haar administratie op adres 1 ligt. Voorts heeft appellante 1 verklaard dat zij en haar dochter sinds 2008 hun dagelijks leven met appellante 2 doorbrengen, dat zij samenwonen. Verder heeft zij verklaard dat zij het huishouden doet en kookt, dat zij en appellante 2 samen, maar ook om en om boodschappen doen en betalen en dat appellante 2 wast en strijkt. Appellante 1 heeft tevens verklaard dat appellante 2 eet, woont en slaapt op het uitkeringsadres en haar werk doet op adres 1 en dat zij, appellante 1, gebruik maakt van de bankpas van appellante 2 om boodschappen te doen. Appellante 2 heeft verklaard dat zij op adres 1 werkt en de rest van de tijd bij appellante 1 is, dat zij samen eten en boodschappen doen en dat appellante 1 gebruik maakt van haar auto. Verder heeft appellante 2 verklaard dat appellante 1 altijd kookt en dat zij, appellante 2, altijd wast, strijkt en de kleding opbergt. Ook heeft zij verklaard wel eens op adres 1 te slapen, maar zij weet niet hoe vaak, dat er persoonlijke spullen van haar liggen op het uitkeringsadres en dat de administratie van appellante 1 op adres 1 ligt. Appellante 2 heeft verder verklaard dat appellante 1 sinds 5 augustus 2008 in haar leven is, dat dit een serieuze relatie is die in 2008 is gestart, dat zij hoofdzakelijk op het uitkeringsadres verblijft, dat alle boodschappen daar staan, dat er geen koelkast is op adres 1 en dat de twee woningen zijn aangehouden in verband met de ruimte.

4.6.

Nu er in de te beoordelen periode sprake is van een gezamenlijke huishouding op het uitkeringsadres behoeven de aangevoerde gronden ten aanzien van het standpunt van het college dat appellante 1 gedurende een deel van de te beoordelen periode inkomsten uit arbeid heeft ontvangen, geen bespreking.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat de hoger beroepen van appellanten niet slagen. De aangevallen uitspraken moeten daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer als voorzitter en J.H.M. van de Ven en

M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 november 2017.

(getekend) A. Stehouwer

(getekend) J. Tuit

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding

HD