Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3939

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-11-2017
Datum publicatie
16-11-2017
Zaaknummer
16/7149 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:7637, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging WGA-vervolguitkering terecht, maar per andere datum. Geen twijfel aan de juistheid van het medisch oordeel. Geen aanknopingspunten dat appellante de voor haar geselecteerde functies niet kan vervullen. Intrekking van een recht op uitkering kan niet eerder plaatsvinden dan zes weken na de dag waarop de beslissing op bezwaar is bekendgemaakt. In het geval van appellante betekent dit, naar tussen partijen niet in geschil is, dat de intrekking van de

WGA-vervolguitkering eerst kan plaatsvinden met ingang van 15 maart 2016, zijnde zes weken nadat het besluit van 1 februari 2016 aan appellante bekend is gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/7149 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

7 oktober 2016, 16/1751 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[Belanghebbende] (belanghebbende)

Datum uitspraak: 10 november 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F.S. Jansen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en rapporten ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2017. Namens appellante is

mr. Jansen verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede. Belanghebbende heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als productiemedewerkster. Zij heeft zich per 19 december 2011 ziek gemeld wegens lichamelijke klachten bij bestaande psychische klachten. Het Uwv heeft appellante met ingang van 16 december 2013 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 35,23%. Het bezwaar van belanghebbende tegen dit besluit is door het Uwv ongegrond verklaard.

1.2.

Bij besluit van 22 september 2015 heeft het Uwv, zonder voorafgaand medisch en arbeidskundig onderzoek, vastgesteld dat de loongerelateerde WGA-uitkering van appellante op 16 december 2015 eindigt en dat appellante met ingang van die datum in aanmerking komt voor een WGA-vervolguitkering.

1.3.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Naar aanleiding van dit bezwaar heeft het Uwv een actueel medisch en arbeidskundig onderzoek verricht. De verzekeringsarts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 11 december 2015. De arbeidsdeskundige heeft op basis daarvan vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante 26,76% bedraagt. Het Uwv heeft op 11 januari 2016 een voornemen tot wijziging van het besluit van 22 september 2015 aan belanghebbende en appellante bekendgemaakt. In dit voorgenomen besluit is te kennen gegeven dat, in verband met arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%, de WGA-vervolguitkering van appellante zal worden ingetrokken. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen dit voorgenomen besluit.

1.4.

Bij besluit van 1 februari 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door belanghebbende tegen het besluit van 22 september 2015 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en heeft het Uwv, in lijn met de conclusies in de voorgenomen beslissing van

11 januari 2016, het besluit van 22 september 2015 ingetrokken, bepaald dat de

WGA-vervolguitkering op 14 maart 2016 eindigt en dat het verhaal op belanghebbende van de WGA-vervolguitkering per 16 december 2015 wordt beëindigd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Zij heeft daartoe overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij rapporten van 6 april 2016 en

4 mei 2016 toereikend heeft toegelicht waarom de door appellante in beroep ingebrachte medische stukken en wat appellante dienaangaande heeft gesteld hem geen aanleiding hebben gegeven om het medisch standpunt te wijzigen. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellante per 16 december 2015 geen recht heeft op een WGA-uitkering en dat de intrekking van de WGA-uitkering van appellante terecht heeft plaatsgevonden per 14 maart 2016.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante herhaald dat het Uwv haar medische belastbaarheid heeft overschat en dat zij de voor haar geselecteerde functies niet kan vervullen.

3.2.

Het Uwv heeft, onder verwijzing naar rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, om bevestiging van de aangevallen uitspraak verzocht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling

4.1.

De rechtbank heeft met juistheid de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven. In wat appellante heeft aangevoerd wordt geen aanleiding gezien tot twijfel aan de juistheid van het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegen. De arts P. Menco heeft op basis van eigen onderzoek en na raadpleging van de huisarts de beperkingen van appellante vastgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bij rapporten van 6 april 2016, 4 mei 2016 en 22 februari 2017 toereikend toegelicht waarom de gedurende de procedure ingebrachte medische stukken en wat appellante in beroep en hoger beroep heeft aangevoerd, hem geen argumenten hebben gegeven het ingenomen standpunt over de belastbaarheid van appellante te wijzigen. Appellante heeft in hoger beroep geen medische stukken ingebracht die haar standpunt kunnen onderbouwen dat zij ernstiger beperkt is.

4.2.

Uitgaande van de juistheid van de voor appellante vastgestelde beperkingen in de FML van 11 december 2015 zijn er geen aanknopingspunten dat appellante de voor haar geselecteerde functies niet kan vervullen.

4.3.

Ter zitting bij de Raad is aan de orde gekomen dat de beëindiging van de

WGA-vervolguitkering van appellante per 14 maart 2016 niet in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 117, eerste lid, van de Wet WIA. In voornoemd artikel is bepaald dat in een geval als hier voorligt, intrekking van een recht op uitkering niet eerder kan plaatsvinden dan zes weken na de dag waarop de beslissing op bezwaar is bekendgemaakt. In het geval van appellante betekent dit, naar tussen partijen niet in geschil is, dat de intrekking van de

WGA-vervolguitkering eerst kan plaatsvinden met ingang van 15 maart 2016, zijnde zes weken nadat het besluit van 1 februari 2016 aan appellante bekend is gemaakt. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Raad zal het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dit besluit vernietigen voor zover daarin is bepaald dat de WGA-vervolguitkering op 14 maart 2016 eindigt. De Raad zal zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat er voor appellante met ingang van 15 maart 2016 geen recht meer bestaat op een uitkering op grond van de Wet WIA en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

5. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante, deze worden begroot op € 990,- in beroep en € 990,- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 1 februari 2016, voor zover daarin

is bepaald dat de WGA-vervolguitkering op 14 maart 2016 eindigt;

- bepaalt dat er voor appellante met ingang van 15 maart 2016 geen recht meer bestaat op een

uitkering op grond van de Wet WIA en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het

vernietigde deel van het besluit van 1 februari 2016;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.980,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 november 2017.

(getekend) R.E. Bakker

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

RB