Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3937

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-11-2017
Datum publicatie
15-11-2017
Zaaknummer
16/3151 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening dubbele kinderbijslag naar een enkelvoudige kinderbijslag. De Raad constateert dat [A] in de periode in geding continu gezamenlijk woonde met appellante en/of haar echtgenoot, zij het dat dit gezamenlijk wonen zich voltrok op twee verschillende locaties. Appellante verbleef vijf nachten per week bij [A] en hetzelfde gold voor haar echtgenoot. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat [A] niet tot het huishouden van appellante behoorde. Aan de grens van 46 dagen per kwartaal die de Svb beleidsmatig heeft gehanteerd, komt de Raad in dit geval niet toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2018/25
USZ 2018/20
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/3151 AKW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

4 april 2016, 15/4313 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 10 november 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F. van der Wielen hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Wielen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz.

OVERWEGINGEN

1. Appellante woont op [woonplaats] met haar partner en hun drie kinderen. Het oudste kind, [A], geboren [in] 2002, is met ingang van het schooljaar 2014-2015 naar de middelbare school in [plaatsnaam] gegaan. Met ingang van augustus 2014 beschikt appellante over woonruimte in [plaatsnaam]. In schoolweken verblijven de ouders beurtelings met [A] aldaar. Appellante gaat op maandag vanaf [woonplaats] met [A] naar [plaatsnaam] en reist op woensdag weer terug naar [woonplaats]. Zij werkt die dagen aan de wal. Op woensdag wordt appellante afgelost door haar partner, die van woensdagavond tot en met vrijdag bij [A] is. Op vrijdagmiddag reizen [A] en haar vader naar [woonplaats]. Het gezin woont in de weekenden gezamenlijk op [woonplaats].

2. In maart 2015 heeft appellante de Svb verzocht haar in aanmerking te brengen voor dubbele kinderbijslag ten behoeve van [A]. Bij besluit van 28 april 2015 heeft de Svb aan appellante meegedeeld dat zij vanaf het tweede kwartaal van 2015 geen recht heeft op dubbele kinderbijslag maar op enkelvoudige kinderbijslag voor [A] omdat appellante of haar partner ten minste 46 dagen per kwartaal bij [A] verblijven. Bij besluit van 7 september 2015 (bestreden besluit) heeft de Svb de bezwaren van appellante tegen het besluit van

28 april 2015 ongegrond verklaard. Vermeld is dat het bestreden besluit ziet op het vierde kwartaal van 2014 tot en met het tweede kwartaal van 2015.

3. De rechtbank heeft geoordeeld dat [A] met ingang van augustus 2014 tot het huishouden van appellante is blijven behoren nu [A] alle dagen van de week met ten minste een van haar ouders woont. De situatie van appellante is om die reden niet vergelijkbaar met die van andere verzekerden, wier kind in een kostgezin verblijft of wier kind met meerdere kinderen in een huis woont, waarbij verschillende ouders achtereenvolgens een dag per week in het huis verblijven. Appellante vergelijkt zich ten onrechte met die verzekerden die wel in aanmerking komen voor dubbele kinderbijslag.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

In geschil is of appellante in aanmerking komt voor dubbele kinderbijslag ten behoeve van [A] op grond van artikel 7, zesde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). Dat artikellid bepaalde voor zover van belang en vanaf 1 januari 2015 dat het bedrag aan kinderbijslag wordt verdubbeld indien de verzekerde per kalenderkwartaal een bepaalde bijdrage levert aan het onderhoud van het kind en het kind niet tot het huishouden van de verzekerde noch als eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind tot het huishouden van een ander behoort in verband met – kort gezegd – het volgen van onderwijs, waarbij de verzekerde in een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen deel van Nederland woont. In het Besluit uitvoering kinderbijslag is in artikel 15 vastgelegd dat het hier [de waddeneilanden] betreft. Voor 1 januari 2015 gold voor het ontvangen van dubbele kinderbijslag eveneens de voorwaarde dat het kind in verband met het volgen van onderwijs niet tot het huishouden van de verzekerde behoorde.

4.2.

De Svb heeft zich op het standpunt gesteld dat appellante niet voor dubbele kinderbijslag in aanmerking komt omdat niet is voldaan aan de voorwaarde dat het kind niet tot het huishouden van de verzekerde behoorde. [A] behoorde wel tot het huishouden van appellante omdat er ten minste 46 dagen per kwartaal een ouder verblijft bij [A], aldus de Svb.

4.3.

De Raad ziet zich gesteld voor de vraag of de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat [A] tot het huishouden van appellante is blijven behoren. Ingevolge vaste rechtspraak ziet de term huishouden naar algemeen spraakgebruik en in de regel ook voor de toepassing van de AKW op de feitelijke situatie van gezamenlijk wonen (ECLI:NL:CRVB:2005:AU6440). Dit heeft de Svb in navolging van deze rechtspraak vastgelegd in Beleidsregel SB1014.

4.4.

De Raad constateert dat [A] in de periode in geding continu gezamenlijk woonde met appellante en/of haar echtgenoot, zij het dat dit gezamenlijk wonen zich voltrok op twee verschillende locaties. Appellante verbleef vijf nachten per week bij [A] en hetzelfde gold voor haar echtgenoot. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat [A] niet tot het huishouden van appellante behoorde. Aan de grens van 46 dagen per kwartaal die de Svb beleidsmatig heeft gehanteerd, komt de Raad in dit geval niet toe.

4.5.

De huidige wettekst biedt geen ruimte om appellante te volgen in haar standpunt dat haar woonplaats op [woonplaats] extra kosten voor de scholing van [A] meebrengt en dat zij zich wat dat betreft in een gelijke positie bevindt als de door haar aangedragen gevallen, genoemd in 3. De regeling van dubbele kinderbijslag in artikel 7 van de AKW is met ingang van 1 januari 2015 door de Wet hervorming kindregelingen (Stb. 2014, 227) herzien. De categorieën verzekerden die om onderwijsredenen in aanmerking komen voor dubbele kinderbijslag, zijn specifieker omschreven. De wetgever heeft er echter niet voor gekozen om bij de aanscherping van de voorwaarden voor dubbele kinderbijslag de eis dat het kind niet tot het huishouden van de verzekerde behoort, te laten vervallen. Weliswaar worden bewoners van bepaalde Waddeneilanden expliciet genoemd in de kamerstukken als groep verzekerden waarvoor geldt dat van het kind niet verlangd kan worden dagelijks heen en weer te reizen naar niet nabijgelegen onderwijs, maar de voorwaarde dat het kind niet tot het huishouden van de verzekerde behoort, is behouden (Kamerstukken II 2013/14, 33 716, nr. 10, p. 8). Gezien deze recente herformulering van artikel 7 van de AKW, zijn er geen aanknopingspunten om dit criterium te laten vervallen of het begrip huishouden anders uit te leggen. Dit betekent dat alleen als [A] niet tot het huishouden van appellante behoort, sprake kan zijn van toekenning van dubbele kinderbijslag.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat de rechtbank het beroep terecht ongegrond heeft verklaard, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en

M.M. van der Kade en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 november 2017.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) R.H. Budde

RH