Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3926

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-11-2017
Datum publicatie
14-11-2017
Zaaknummer
16/6225 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering pgb. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant de betalingen, op één betaling van € 500,- na, aan zijn zorgverlener in het jaar 2013 contant heeft verricht. Dit betekent dat appellant niet heeft voldaan aan de in artikel 2.6.9, eerste lid, aanhef en onder j, van de Rsa opgenomen verplichting tot girale betaling. Het Zorgkantoor was daarom bevoegd om het pgb voor het jaar 2013 lager vast te stellen. Nu het Zorgkantoor in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot het lager vaststellen van het pgb gebruik heeft kunnen maken, heeft het Zorgkantoor aan appellant onverschuldigd een bedrag van € 4.990,55 aan voorschotten betaald en is het tot terugvordering daarvan bevoegd. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de door appellant aangevoerde omstandigheden niet meebrengen dat het Zorgkantoor niet redelijkerwijs tot terugvordering heeft kunnen overgaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/6225 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

23 augustus 2016, 16/1219 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (Zorgkantoor)

Datum uitspraak: 8 november 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.J. Menger, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 september 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn moeder [naam moeder] en mr. Menger. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Gezer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant is op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere

Ziektekosten (AWBZ) geïndiceerd voor de zorgfunctie Begeleiding Individueel. Bij besluit van 13 december 2012 heeft het Zorgkantoor op grond van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) aan appellant voor het jaar 2013 een netto persoonsgebonden budget (pgb) verleend van € 5.740,55.

1.2.

Bij brief van 21 april 2015 heeft het Zorgkantoor het door appellant over de periode

1 juli 2013 tot en met 31 december 2013 verantwoorde bedrag van € 2.900,- afgekeurd, omdat vanaf 1 januari 2012 geen contante betalingen meer uit het pgb mogen plaatsvinden.

1.3.

Bij besluit van 22 april 2015 heeft het Zorgkantoor het pgb voor het gehele jaar 2013

vastgesteld op nihil en een bedrag van € 5.740,55 aan teveel betaalde voorschotten van appellant teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 19 januari 2016 (bestreden besluit 1) heeft het Zorgkantoor het door appellant tegen de brief van 21 april 2015 gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard. Het Zorgkantoor heeft een girale betaling van € 500,- aan de zorgverlener van appellant alsnog goedgekeurd.

1.5.

Bij besluit van 4 april 2016 (bestreden besluit 2) heeft het Zorgkantoor het door appellant tegen het besluit van 22 april 2015 gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard. Het Zorgkantoor heeft het pgb voor het gehele jaar 2013 alsnog vastgesteld op € 750,- en een bedrag van € 4.990,55 aan teveel betaalde voorschotten van appellant teruggevorderd. In het kader van de belangenafweging heeft het Zorgkantoor overwogen dat het belang van de handhaving van de niet nagekomen verplichtingen prevaleert boven het belang van appellant, omdat niet is aangetoond dat het toegekende pgb voor 2013 volledig is besteed aan

AWBZ-zorg. Gesteld noch gebleken is van omstandigheden die redelijkerwijs in de weg hebben kunnen staan aan het nakomen van de verplichtingen. Voorop staat dat de verantwoording van de besteding van het pgb de eigen verantwoordelijkheid is van de budgethouder. Verder is niet gebleken dat de terugvordering onaanvaardbare gevolgen voor appellant heeft. Appellant kan een betalingsregeling treffen en bij de invordering wordt rekening gehouden met de beslagvrije voet.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen de bestreden besluiten ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond is verklaard. Appellant voert aan dat geen evenredige belangenafweging heeft plaatsgevonden, waarbij hij heeft benadrukt dat geen sprake is van fraude, dat het slechts een geringe slordigheid in de administratie betreft en dat de omvang van de zorg en de hiervoor gemaakte kosten in 2013 gelijk zijn aan de omliggende jaren. Appellant heeft verder gewezen op de gevolgen die de terugvordering gelet op zijn lage inkomen voor hem heeft.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

In artikel 2.6.9, eerste lid, van de Rsa is opgenomen welke verplichtingen aan de verzekerde bij de verlening van een pgb worden opgelegd. Op grond van artikel 2.6.9, eerste lid, aanhef en onder j, van de Rsa verricht de verzekerde uitsluitend girale betalingen aan de zorgverlener.

4.1.2.

Op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de subsidie lager worden vastgesteld indien de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. Op grond van artikel 4:95, vierde lid, tweede volzin, van de Awb kunnen onverschuldigd betaalde voorschotten worden teruggevorderd.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant de betalingen, op één betaling van € 500,- na, aan zijn zorgverlener in het jaar 2013 contant heeft verricht. Dit betekent dat appellant niet heeft voldaan aan de in artikel 2.6.9, eerste lid, aanhef en onder j, van de Rsa opgenomen verplichting tot girale betaling. Het Zorgkantoor was daarom bevoegd om het pgb voor het jaar 2013 lager vast te stellen.

4.3.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (vergelijk de uitspraak van 1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9635) moet het Zorgkantoor de bevoegdheid om pgb’s lager vast te stellen uitoefenen met inachtneming van het geschreven en het ongeschreven recht, daaronder begrepen de in artikel 3:4 van de Awb neergelegde verplichting tot evenredige belangenafweging.

4.4.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de door appellant aangevoerde omstandigheden niet maken dat moet worden geoordeeld dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid tot zijn belangenafweging heeft kunnen komen. Appellant heeft zijn zorgverlener contant betaald, terwijl dit op grond van artikel 2.6.9, eerste lid, aanhef en onder j, van de Rsa sinds 1 januari 2012 niet meer is toegestaan en appellant daarop in het onder 1.1 genoemde besluit op is gewezen. Uit de verstrekte verantwoording kan niet worden opgemaakt dat meer dan € 500,- is betaald voor verleende zorg. Dat de zorg in 2013 wat betreft de omvang en de betalingen gelijk zou zijn geweest aan omliggende jaren, maakt niet dat daarmee is vastgesteld dat daadwerkelijk betalingen hebben plaatsgevonden voor zorg waarvoor het pgb is verleend. Verder kan het Zorgkantoor ook buiten situaties van fraude overgaan tot een lagere vaststelling van het pgb namelijk in een geval als deze waarin de administratie onvoldoende is.

4.5.

Nu het Zorgkantoor in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot het lager vaststellen van het pgb gebruik heeft kunnen maken, heeft het Zorgkantoor aan appellant onverschuldigd een bedrag van € 4.990,55 aan voorschotten betaald en is het tot terugvordering daarvan bevoegd. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de door appellant aangevoerde omstandigheden niet meebrengen dat het Zorgkantoor niet redelijkerwijs tot terugvordering heeft kunnen overgaan.

4.6.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevochten, te worden bevestigd.

5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en D.S. de Vries en L.M. Tobé als leden, in tegenwoordigheid van S.L. Alves als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 november 2017.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) S.L. Alves

RB