Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:392

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-02-2017
Datum publicatie
03-02-2017
Zaaknummer
15/5352 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1)Aanwijzing als herplaatsingskandidaat berust op goede gronden. Boventalligheid in de functie. In deze specifieke situatie mocht de raad van bestuur afzien van het overleg met de sociale partners. Daarbij is van belang dat de raad van bestuur onweersproken heeft gesteld dat in de praktijk sinds 2010 voor het bepalen van een boventalligheidsvolgorde alleen nog het anciënniteitsbeginsel of het afspiegelingsbeginsel wordt gehanteerd. De raad van bestuur heeft appellante dus op juiste gronden aangewezen als herplaatsingskandidaat. 2) Het tijdelijk opdragen van andere werkzaamheden. Gezien de toetsingsmaatstaf kan niet worden geconcludeerd dat de tijdelijke werkzaamheden in het kader van het project digitale facturatie niet redelijkerwijs aan appellante konden worden opgedragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2017/58
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5352 AW, 15/8102 AW

Datum uitspraak: 2 februari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Gelderland van

23 juni 2015, 15/2506, 15/1541 (aangevallen uitspraak 1) en van 23 juni 2015, 15/2509, 15/2508 (aangevallen tussenuitspraak) en 12 november 2015, 15/2508 (aangevallen

uitspraak 2)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van Bestuur van het Kadaster (raad van bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.J.M. Waasdorp hoger beroep ingesteld.

De raad van bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 16/3189 AW en 16/3190 AW, plaatsgevonden op 22 december 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door

mr. Waasdorp en C. van der Lande. De raad van bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C.J. van den Brekel, mr. T.M.H. Voorbraak-Stolwijk en S.T.A. Besten.

Na de behandeling ter zitting zijn de zaken weer gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was van 23 maart 2007 tot 1 november 2007 werkzaam als [functie 1] bij het Kadaster op basis van een uitzendovereenkomst. Van 1 november 2007 tot 1 november 2009 was appellante middels een aanstelling voor bepaalde tijd aangesteld als [functie 2] bij het Kadaster. Deze aanstelling is bij besluit van 9 oktober 2009 verlengd tot 15 maart 2010. Van 15 maart 2010 tot 15 september 2010 heeft appellante via een uitzendbureau bij het Kadaster gewerkt en daarna via Manpower Payroll Solutions, via een payroll-constructie. Met ingang van 1 januari 2014 is de inzet van appellante via Manpower Payroll Solutions beëindigd.

1.2.

Bij de uitspraak van de Raad van 17 april 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1297) heeft de Raad vastgesteld dat appellante ingaande 15 maart 2010 een aanstelling heeft voor onbepaalde tijd bij het Kadaster.

1.3.

Bij brief van 24 juli 2014 heeft de raad van bestuur aan appellante bevestigd dat zij met terugwerkende kracht vanaf 15 maart 2010 een aanstelling heeft voor onbepaalde tijd bij het Kadaster.

1.4.

Bij besluit van 10 oktober 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 februari 2015 (bestreden besluit 1), heeft de raad van bestuur aan appellante met ingang van 14 oktober 2014 tijdelijke werkzaamheden opgedragen in het kader van het project digitale facturatie. Daarbij heeft de raad van bestuur opgemerkt dat appellante ten gevolge van de uitspraak van de Raad van 17 april 2014 weliswaar een aanstelling voor onbepaalde tijd heeft bij het Kadaster, maar dat er geen formatieruimte is en structureel te weinig werk is bij de afdeling [afdeling] waar appellante tot 1 januari 2014 werkzaam was. Ook treft de raad van bestuur voorbereidingen om op de afdeling [afdeling] formatieplaatsen te schrappen.

1.5.

Bij besluit van 27 november 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 2 april 2015 (bestreden besluit 2), heeft de raad van bestuur appellante met ingang van 1 december 2014 aangemerkt als herplaatsingskandidaat. Daarbij heeft de raad van bestuur opgemerkt dat de situatie van appellante waarbij zij is aangesteld in vaste dienst zonder beschikbaarheid van een formatieplaats zich het beste laat vergelijken met de situatie van boventalligheid als gevolg van het vervallen van een functie, zodat de bepalingen inzake boventalligheid analoog worden toegepast.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak 1 is, met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht, het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard en is haar verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

2.2.

Bij de aangevallen tussenuitspraak is - samengevat en voor zover hier van belang - overwogen dat appellante vanaf 15 maart 2010 een aanstelling heeft voor onbepaalde tijd, in de functie van [functie 2] en dat met ingang van 1 januari 2014 boventalligheid is ontstaan in deze functie. Op grond van het Sociaal Beleid moet de manager bij boventalligheid in overleg met alle medewerkers bezien welke oplossing kan worden gevonden. Bij het ontbreken van overeenstemming dient de boventalligheid te worden vastgesteld conform de geldende boventalligheidsvolgorde. Nu dit overleg niet heeft plaatsgevonden, terwijl bovendien onvoldoende inzichtelijk is gemaakt dat appellante op grond van de te hanteren boventalligheidsvolgorde als herplaatsingskandidaat dient te worden aangewezen, is volgens de rechtbank sprake van een gebrek in bestreden besluit 2. De raad van bestuur is met de aangevallen tussenuitspraak in de gelegenheid gesteld om dit gebrek te herstellen. Daarbij heeft de rechtbank bestreden besluit 2 geschorst, voor zover dat ziet op de aanwijzing van appellante als herplaatsingskandidaat met ingang van 1 december 2014, voor zover aan die aanwijzing voor haar plichten verbonden zijn, tot zes weken na de verzending van de einduitspraak.

2.3.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad van bestuur bij brief van 17 augustus 2015 het bestreden besluit 2 aanvullend gemotiveerd.

2.4.

Bij de aangevallen (eind)uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellante gegrond verklaard, het bestreden besluit 2 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Daaraan is ten grondslag gelegd dat de raad van bestuur het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek voldoende heeft hersteld. De raad van bestuur is bij de medewerkers van de afdeling [afdeling] nagegaan of de bereidheid bestond hun formatieplaats op te geven. Deze bereidheid was er niet. Voorts heeft de raad van bestuur genoegzaam aannemelijk gemaakt dat appellante op basis van zowel het anciënniteitsbeginsel als het afspiegelingsbeginsel als herplaatsingskandidaat dient te worden aangewezen.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.

Ten aanzien van de aanwijzing als herplaatsingskandidaat

3.1.

Vast staat dat de werkzaamheden van appellante als [functie 2], die zij sinds

23 maart 2007 heeft verricht, met ingang van 1 januari 2014 feitelijk zijn beëindigd en dat zij vanaf dat moment feitelijk geen deel meer uitmaakte van de formatieruimte van de afdeling [afdeling]. Voorts staat vast dat appellante door de onder 1.2 genoemde uitspraak van de Raad, achteraf bezien vanaf 15 maart 2010 een aanstelling had voor onbepaalde tijd. Niet in geschil is dat het hier ging om een aanstelling in de functie van [functie 2].

3.2.

Doordat appellante vanwege de uitspraak van de Raad van 17 april 2014 terugviel in de formatie van de afdeling [afdeling], kan de Raad niet anders dan concluderen dat door deze feitelijke gang van zaken boventalligheid in de functie van [functie 2] is ontstaan. Immers, er waren meer mensen voor de functie [functie 2] dan formatieruimte. Uit de uitspraak van de Raad van 17 april 2014 volgt niet dat de raad van bestuur gehouden was extra formatieruimte te creëren. Niet gebleken is dat daartoe op andere gronden een verplichting bestond. Daarbij geldt dat op grond van vaste rechtspraak van de Raad aan de raad van bestuur een ruime vrijheid toekomt bij het bepalen van de inrichting van zijn organisatie en dat, anders dan appellante heeft betoogd, voldoende duidelijk is dat de door de raad van bestuur gemaakte keuzes op zakelijke en objectieve gronden berusten (uitspraak van 5 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:286).

3.3.

Nu sprake was van een situatie van boventalligheid in de functie van [functie 2], is het vervolgens de vraag of appellante degene is die mocht worden aangewezen als herplaatsingskandidaat. Hoewel appellante kan worden toegegeven dat strikt genomen geen sprake was van een reorganisatie, is de Raad met de raad van bestuur en de rechtbank van oordeel dat in deze specifieke situatie van boventalligheid, aansluiting moet worden gezocht bij de bepalingen in bijlage H1 van Kadaster Arbeidsvoorwaarden Nieuwe Stijl (KANS) inzake het aanwijzen van herplaatsingskandidaten bij reorganisatie. Hierin is bepaald dat in geval van boventalligheid de manager in overleg met alle medewerkers zal bezien welke oplossing kan worden gevonden. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de instrumenten uit het flankerend beleid. Als de manager er niet in slaagt om met de medewerkers tot overeenstemming te komen, dient de boventalligheid te worden vastgesteld conform de met de sociale partners voor die situatie nader overeen te komen boventalligheidsvolgorde. De medewerker die op grond hiervan boventallig wordt, wordt vervolgens aangewezen als herplaatsingskandidaat. Appellante is aangewezen als herplaatsingskandidaat, omdat geen van de andere medewerkers op de afdeling bereid was vrijwillig zijn plek op te geven, en appellante degene was die zowel op grond van het anciënniteitsbeginsel als het afspiegelingsbeginsel als herplaatsingskandidaat moest worden aangewezen. De Raad kan de raad van bestuur hierin volgen. Het betoog van appellante dat ten onrechte geen overleg heeft plaatsgevonden met de sociale partners over een boventalligheidsvolgorde, leidt niet tot een ander oordeel. In deze specifieke situatie mocht de raad van bestuur afzien van het overleg met de sociale partners. Daarbij is van belang dat de raad van bestuur onweersproken heeft gesteld dat in de praktijk sinds 2010 voor het bepalen van een boventalligheidsvolgorde alleen nog het anciënniteitsbeginsel of het afspiegelingsbeginsel wordt gehanteerd. De raad van bestuur heeft appellante dus op juiste gronden aangewezen als herplaatsingskandidaat. Wat appellante in dit verband overigens heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.

3.4.

Hieruit volgt dat het hoger beroep van appellante tegen de aangevallen tussenuitspraak en aangevallen uitspraak 2 niet slaagt. Deze uitspraken komen voor bevestiging in aanmerking, voor zover aangevochten.

Ten aanzien van het tijdelijk opdragen van andere werkzaamheden

3.5.

Op grond van artikel 8:6, eerste lid, van het Algemeen kadaster ambtenarenreglement nieuw (Akarn) kan de ambtenaar worden verplicht tijdelijk andere werkzaamheden te verrichten dan die welke hij gewoonlijk verricht, mits die werkzaamheden hem redelijkerwijs kunnen worden opgedragen.

3.6.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 10 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:906) heeft het bestuursorgaan beoordelingsvrijheid bij de keuze van de tijdelijk door de ambtenaar te verrichten werkzaamheden en kan bij dergelijke tijdelijke werkzaamheden niet snel gezegd worden dat deze niet redelijkerwijs opgedragen kunnen worden. Met inachtneming van deze toetsingsmaatstaf kan niet worden geconcludeerd dat de tijdelijke werkzaamheden in het kader van het project digitale facturatie niet redelijkerwijs aan appellante konden worden opgedragen. Daarvoor is onvoldoende dat appellante zelf stelt dat er wel voldoende werk op de afdeling [afdeling] voorhanden was. Wat appellante in dit verband verder heeft aangevoerd kan niet leiden tot een ander oordeel, nu deze gronden in wezen betrekking hebben op het aanwijzen van appellante als herplaatsingskandidaat.

3.7.

Het hoger beroep van appellante tegen aangevallen uitspraak 1 slaagt dan ook niet, zodat deze uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt aangevallen uitspraak 1, de aangevallen tussenuitspraak en, voor zover aangevochten, aangevallen uitspraak 2.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van L.L. van den IJssel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2017.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) L.L. van den IJssel

HD