Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3919

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-11-2017
Datum publicatie
13-11-2017
Zaaknummer
15/4963 WIA-T
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:3692, Overig
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Het bestreden besluit 2 berust op een onvoldoende concrete en deugdelijke onderbouwing en is derhalve ontoereikend gemotiveerd. Om te kunnen komen tot een finale beslechting van het geschil is er aanleiding om met toepassing van artikel 8:51d van de Awb het Uwv opdracht te geven dit gebrek in bestreden besluit 2 te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 4963 WIA-T, 17/4931 WIA-T

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank

Zeeland-West-Brabant van 27 mei 2015, 14/6161 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 10 november 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.H. Pijpelink, advocaat, hoger beroep ingesteld en een rapport van drs. R.L. Kloots, bedrijfsarts, van 8 januari 2016 aan de Raad gezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift, met een reactie van een verzekeringsarts bezwaar en beroep op het rapport van Kloots, ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 december 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Pijpelink. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Veldman.

Het onderzoek is heropend.

Het Uwv heeft op 2 juni 2017 een nieuwe beslissing op bezwaar ingezonden. Namens appellante zijn tegen het besluit van 2 juni 2017 beroepsgronden aangevoerd, waarop is gereageerd door het Uwv met het inzenden van een verzekeringsgeneeskundig rapport.

Het onderzoek ter zitting heeft andermaal plaatsgevonden op 29 september 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. A.J. Nieuwenhuijse, kantoorgenoot van mr. Pijpelink.

Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Heijnen-Veldman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is werkzaam geweest als keukenassistente. Zij heeft zich op 27 april 2012 ziek gemeld met schouderklachten. Bij besluit van 12 maart 2014 heeft het Uwv, na medisch en arbeidskundig onderzoek, vastgesteld dat voor appellante geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat zij met ingang van 25 april 2014 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 2 september 2014 (bestreden besluit 1), onder verwijzing naar rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft, kort gezegd, de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep gesteld dat zij zich meer beperkt acht dan het Uwv heeft aangenomen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellante gewezen op een rapport van bedrijfsarts Kloots.

3.2.

Het Uwv heeft aanleiding gezien om terug te komen van het eerder ingenomen standpunt. Bij de nieuwe beslissing op bezwaar van 2 juni 2017 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 25 april 2014 recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering. Appellante is daarbij aangemerkt als volledig arbeidsongeschikt.

3.3.

Naar aanleiding van bestreden besluit 2 heeft appellante te kennen gegeven dat haar arbeidsongeschiktheid niet alleen volledig maar ook duurzaam is, zodat zij in aanmerking had moeten worden gebracht voor een IVA-uitkering. Appellante heeft er op gewezen dat verbetering van haar belastbaarheid niet of nauwelijks is te verwachten. Zij heeft onverminderd en voortdurend last van beperkingen veroorzaakt door de medische behandelingen, onder andere chemotherapie, die zij in haar jeugd heeft moeten ondergaan. Voorts heeft appellante aangevoerd dat het Uwv bij het vaststellen van de kosten in bezwaar ten onrechte is uitgegaan van een zaak van gemiddeld gewicht. Naar haar mening moet de zaak als zwaar worden aangemerkt.

3.4.

Het Uwv heeft zich, onder verwijzing naar een rapport van zijn verzekeringsarts bezwaar en beroep van 24 juli 2017, op het standpunt gesteld dat de arbeidsongeschiktheid van appellante niet duurzaam is, zodat zij niet in aanmerking komt voor een IVA-uitkering. Ten aanzien van de proceskosten heeft het Uwv betoogd dat de zaak als van gemiddeld gewicht moet worden aangemerkt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Nu appellante met bestreden besluit 2 in aanmerking is gebracht voor een WIA-uitkering, staat vast dat bestreden besluit 1 en de aangevallen uitspraak, waarbij een oordeel is gegeven over bestreden besluit 1, niet in stand kunnen blijven. Het Uwv is met bestreden besluit 2 niet geheel tegemoet gekomen aan het beroep van appellante, zodat op grond van de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep van rechtswege tegen dit besluit is gericht.

4.2.

Vastgesteld wordt dat tussen partijen niet langer in geschil is dat appellante volledig arbeidsongeschikt is. Partijen verschillen uitsluitend van mening over de duurzaamheid van haar arbeidsongeschiktheid.

4.3.

Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek en zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Ingevolge het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op langere termijn een geringe kans op herstel bestaat.

4.4.

Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2012:BX8628) volgt uit de wetgeschiedenis dat de verzekeringsarts zich een oordeel dient te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin artikel 4 van de Wet WIA, waarbij hij een inschatting dient te maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de betrokken verzekerde. Bij het maken van deze inschatting kan het beoordelingskader worden gehanteerd genaamd “Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen” (beoordelingskader). Ingevolge dit beoordelingskader worden arbeidsbeperkingen duurzaam genoemd:

1. als verbetering van de belastbaarheid is uitgesloten of

2. als verbetering van de belastbaarheid niet of nauwelijks is te verwachten.

Voorts bevat het beoordelingskader, voor zover van belang, het volgende:

“De verzekeringsarts spreekt zich uit over de prognose van de arbeidsbeperkingen van cliënt, uitgaande van de medische situatie zoals die is op het moment van de beoordeling. De verzekeringsarts doorloopt hierbij de volgende stappen:

Stap 1: De verzekeringsarts beoordeelt of verbetering van de belastbaarheid is uitgesloten. Dat is het geval als sprake is van:

a. een progressief ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden of

b. een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden.

Stap 2: Als verbetering van de belastbaarheid niet is uitgesloten beoordeelt de verzekeringsarts in hoeverre die verbetering in het eerstkomende jaar kan worden verwacht. De verzekeringsarts gaat na of één van de volgende twee mogelijkheden aan de orde is:

a. er is een redelijke of goede verwachting dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden;

b. verbetering van de belastbaarheid is niet of nauwelijks te verwachten.

Als voor de keuze tussen 2.a en 2.b doorslaggevende argumenten ontbreken gaat de verzekeringsarts uit van een redelijke of goede verwachting dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden.”

4.5.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich in het rapport van 24 juli 2017 op het standpunt gesteld dat de arbeidsbeperkingen van appellante op 25 april 2014 niet duurzaam waren, omdat inmiddels bekend is dat appellante vanaf 21 maart 2016 weer arbeidsmogelijkheden had.

4.6.

Ter zitting van 29 september 2017 heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij de onderbouwing van de conclusie dat er geen sprake is van duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen niet op de juiste wijze het beoordelingskader heeft gevolgd. Desgevraagd heeft het Uwv te kennen gegeven dat hieruit moet worden opgemaakt dat het standpunt dat appellante per 25 april 2014 geen recht heeft op een

IVA-uitkering een toereikende motivering ontbeert.

4.7.

In het licht van de onder 4.4 genoemde rechtspraak in samenhang met de verklaring van het Uwv ter zitting van 29 september 2017, is er aanleiding voor het oordeel dat het standpunt van het Uwv dat de beperkingen op de in geding zijnde datum niet duurzaam waren niet berust op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die op de in geding zijnde datum van 25 april 2014 bij appellante aan de orde waren. Bij de beoordeling van de duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen in retrospectief dient de vraag of appellante op 25 april 2014 duurzaam arbeidsongeschikt was te worden beantwoord aan de hand van de gegevens die bekend zijn over haar gezondheidstoestand op die datum, de verwachting die de behandelend artsen op dat moment hadden van een behandeling die zij hadden ingezet dan wel de redenen die zij toen hadden om een mogelijke behandeling achterwege te laten.

4.8.

Gelet op hetgeen in 4.1 tot en met 4.7 is overwogen, moet worden geoordeeld dat bestreden besluit 2 op een onvoldoende concrete en deugdelijke onderbouwing berust en derhalve ontoereikend is gemotiveerd. Om te kunnen komen tot een finale beslechting van het geschil is er aanleiding om met toepassing van artikel 8:51d van de Awb het Uwv opdracht te geven dit gebrek in bestreden besluit 2 te herstellen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 2 juni 2017 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 november 2017.

(getekend) M. Greebe

(getekend) I.G.A.H. Toma

KS