Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3916

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-11-2017
Datum publicatie
14-11-2017
Zaaknummer
15/7157 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/7157 ZW, 16/5969 ZW

Datum uitspraak: 10 november 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van

14 september 2015, 15/4149 (aangevallen uitspraak 1) en van 2 augustus 2016, 16/1900 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.C.M. van Schijndel, advocaat, de hoger beroepen ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Schijndel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is werkzaam geweest als agrarisch medewerkster voor 38 uur per week. Haar dienstverband is op 17 mei 2014 geëindigd. Appellante heeft zich op 28 augustus 2014 ziek gemeld met lichamelijke klachten. Op dat moment ontving zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).

1.2.

Op 10 februari 2015 heeft appellante het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellante per 11 februari 2015 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van agrarisch medewerkster. Het Uwv heeft bij besluit van 10 februari 2015 vastgesteld dat appellante per 11 februari 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 28 april 2015 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. Aan dit bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 28 april 2015 ten grondslag.

1.3.

Appellante heeft vanaf 11 februari 2015 weer een WW-uitkering ontvangen. Zij heeft zich opnieuw ziek gemeld op 1 juli 2015 met lichamelijke en psychische klachten.

1.4.

Op 6 oktober 2015 heeft appellante het spreekuur bezocht van de verzekeringsarts, die haar per 30 oktober 2015 weer geschikt heeft geacht voor de arbeid in de functie van agrarisch medewerkster. Het Uwv heeft bij besluit van 27 oktober 2015 vastgesteld dat appellante per 30 oktober 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 4 februari 2016 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard. Aan dit bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 4 februari 2016 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak 1 het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak 2 is het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3.1.

In de hoger beroepen heeft appellante aangevoerd dat haar klachten en beperkingen zijn onderschat. Haar voornaamste klachten betreffen haar rechterarm en -schouder. De behandelend orthopedisch chirurg heeft de diagnose subacromiaal pijnsyndroom gesteld en op 25 maart 2015 een injectie in de rechterschouder gegeven. Door de pijnklachten en vermoeidheidsklachten, waarvoor de diagnose fibromyalgie is gesteld, heeft appellante somberheidsklachten gekregen, zoals blijkt uit verklaringen van i-Psy van 15 juli 2015 en

14 oktober 2015. Al haar klachten samen maken dat zij op 11 februari 2015 en op

30 oktober 2015 haar werk als agrarisch medewerkster niet kon verrichten. Appellante acht zich ondersteund door haar huisarts, die in een brief van 1 april 2015 als zijn opvatting heeft gegeven dat appellante voor onbepaalde tijd ongeschikt is om te werken.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraken bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid. In het geval van appellante staat vast dat het werk van agrarisch medewerkster, zoals appellante dit heeft verricht, de maatgevende arbeid is.

4.2.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak 1 uitvoerig gemotiveerd dat uit de onderzoeken van de verzekeringsartsen voldoende gegevens naar voren zijn gekomen voor de beoordeling van de arbeidsgeschiktheid van appellante per 11 februari 2015 voor de maatgevende arbeid en dat alle beschikbare gegevens van de behandelaars van appellant kenbaar bij die beoordeling is betrokken. De rechtbank heeft ook uitvoerig gemotiveerd waarom uit de in beroep ingebrachte informatie van i-Psy van 15 juli 2015 niet kan worden afgeleid dat deze artsen van de belastbaarheid van appellante een onjuist beeld hebben gehad.

4.3.

De overwegingen van de rechtbank in de aangevallen uitspraak 1 worden geheel onderschreven. Appellante heeft in haar hoger beroep tegen deze uitspraak geen relevante nieuwe medische gegevens ingebracht. De brief van de fysiotherapeut van 31 januari 2017 betreft een beschrijving van waarnemingen op 25 januari 2017 en bevat geen gegevens over de situatie op 11 februari 2015. Het hogerberoepschrift van appellante is goeddeels een herhaling van het beroepschrift dat zij bij de rechtbank heeft ingediend. Appellante heeft ter zitting nogmaals gewezen op de brief van haar huisarts. Omdat de huisarts in zijn brief van

1 april 2015 niet heeft toegelicht waarom volgens hem appellante ongeschikt is “voor een onbepaalde periode om te werken” doet deze opvatting geen afbreuk aan de wel met verwijzing naar de gegevens van behandeld specialisten onderbouwde opvatting van de verzekeringsartsen van het Uwv. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het Uwv bestreden besluit 1 terecht op de rapporten van de verzekeringsartsen heeft gebaseerd.

4.4.

In de rapporten die ten grondslag liggen aan bestreden besluit 2 hebben de verzekeringsartsen de vraag of de belastbaarheid van appellante na de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid per 11 februari 2015 is afgenomen ontkennend beantwoord. Uit de informatie van i-Psy van 14 oktober 2015 blijkt niet dat de diagnose depressie, eenmalig, matig is aangepast na aanvang van de behandeling in juni 2015. Het oordeel van de rechtbank dat er geen medische informatie is waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de verzekeringsartsen de medische toestand van appellante per 30 oktober 2015 verkeerd hebben ingeschat, wordt onderschreven. Ook hier geldt dat het hogerberoepschrift goeddeels een herhaling is van het bij de rechtbank ingediende beroepschrift en relevante nieuwe medische gegevens niet zijn ingebracht. Het oordeel van de rechtbank dat medische grondslag van bestreden besluit 2 niet ondeugdelijk is, is juist.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat de hoger beroepen niet slagen. De aangevallen uitspraken zullen worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van L. Boersma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 november 2017.

(getekend) M. Greebe

(getekend) L. Boersma

KS