Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3915

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-11-2017
Datum publicatie
14-11-2017
Zaaknummer
15/2110 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Minder dan 35% arbeidsongeschikt. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Nu het Uwv het bestreden besluit pas in hoger beroep van een toereikende medische en arbeidskundige grondslag heeft voorzien, bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/2110 WIA

Datum uitspraak: 10 november 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van
13 februari 2015, 14/1867 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N. Brands, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Brands. Het Uwv heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

Het onderzoek is heropend na de zitting. De door de Raad als deskundige benoemde verzekeringsarts L. Greveling-Fockens heeft op 29 juni 2017 rapport uitgebracht.

Vervolgens heeft het Uwv nadere stukken ingediend.

Appellant heeft zijn zienswijze gegeven.

Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest als monteur zonwering voor 40 uur per week. Hij heeft

zich op 8 februari 2012 ziek gemeld met lichamelijke klachten. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 28 maart 2014 vastgesteld dat appellant met ingang van 5 februari 2014 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat hij in staat moet worden geacht meer dan 65% te verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.

1.2.

Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 maart 2014 is bij besluit van

11 juli 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 8 mei 2014 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 8 juli 2014 ten grondslag.

2.1.

Gedurende de beroepsfase heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in een rapport van 21 oktober 2014 geconcludeerd dat er geen aanleiding bestaat om de voor appellant per
5 februari 2014 (datum in geding) vastgestelde belastbaarheid aan te passen. In een rapport van 23 oktober 2014 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de geschiktheid van de geselecteerde functies nader toegelicht.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat aan het bestreden besluit een zorgvuldig medisch onderzoek ten grondslag ligt en dat met de beperkingen van appellant rekening is gehouden in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 27 februari 2014. Ervan uitgaande dat de functionele mogelijkheden juist zijn vastgesteld, is het de rechtbank voorts niet gebleken dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van appellant overschrijdt.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant medische stukken ingebracht. Dit betreft onder meer een brief van orthopeed Schuppers van 14 april 2015, een medisch dossier orthopedie ZGT Hengelo, een beoordeling door polikliniek Revalidatie van het Röpcke-Zweers Ziekenhuis van 31 augustus 2015 en diverse scan’s/foto’s. Appellant heeft onder verwijzing naar de ingebrachte medische informatie gesteld dat sprake is van samenhang tussen zijn knie-, heup- en rugklachten en dat de FML een te optimistisch beeld geeft van zijn mogelijkheden om arbeid te verrichten. Appellant is van mening dat zijn medische situatie onvoldoende zorgvuldig is onderzocht en dat een deskundige moet worden benoemd.

3.2.

Het Uwv heeft een rapport ingebracht van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van
17 februari 2016, waarin deze verzekeringsarts aangeeft dat op basis van de ingebrachte stukken geen beperkingen aan de rug worden aangenomen. Voor zover sprake is van beperkingen aan de rug, wordt hieraan voldoende tegemoet gekomen met de beperkingen die voor de heup zijn gegeven. Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

3.3.

Op verzoek van de Raad heeft verzekeringsarts Greveling-Fockens een expertise verricht en op 29 juni 2017 daarvan rapport uitgebracht. De deskundige komt na onderzoek tot de conclusie dat bij appellant op 5 februari 2014 sprake is geweest van coxartrose van de heupen, voornamelijk aan de rechterzijde, van degeneratieve afwijkingen van de lumbale wervelkolom, van status na bypassoperatie in 2010 en status na fractuur van de knieschijf in 2008. Op basis hiervan kan de deskundige zich verenigen met de belastbaarheid zoals neergelegd in de FML van 27 februari 2014, behalve op de beoordelingspunten buigen en frequent buigen tijdens het werk. Op deze items is appellant meer beperkt te achten. Buigen is beperkt tot 60 graden en frequent buigen is licht beperkt, waarbij de toelichting dat dit incidenteel tot 90 graden mogelijk is dient te vervallen.

3.4.

Het Uwv heeft in zijn brief van 25 juli 2017 geconcludeerd dat, na aanpassing van de medische en arbeidskundige grondslag, er geen aanleiding is het eerder ingenomen standpunt te wijzigen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de aangepaste FML van
11 juli 2017 alsnog opgenomen dat appellant, naast de eerder aangenomen beperkingen, beperkt is ten aanzien van beoordelingspunt 4.10 (buigen). Bij beoordelingspunt 4.11 (frequent buigen tijdens het werk) is de toelichting vervallen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in een nader rapport van 20 juli 2017 vermeld dat, doordat de FML is aangepast, van de eerder geselecteerde functies de functies van medewerker montage
(SBC-code 264122) en medewerker operations A (SBC-code 111010) niet langer geschikt zijn omdat men in die functies meer dan 60 graden buigt. Ook de functie wikkelaar transformatoren (SBC-code 267050) is om die reden niet langer geschikt. Daarvoor in de plaats heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep binnen dezelfde SBC-code een vergelijkbare functie wikkelaar geselecteerd (met functienummer 3621.0051.019). De resterende functies van soldering technician (SBC-code 111180) en productiemedewerker (SBC-code 111071) heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep nog wel geschikt geacht. Aan de hand van wat appellant kan verdienen in deze functies in vergelijking tot zijn maatmaninkomen, heeft de arbeidsdeskundige vastgesteld dat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid minder dan 35% blijft.

3.5.

Appellant heeft in een reactie van 2 augustus 2017 te kennen gegeven dat hij geen aanleiding ziet te twijfelen aan de bevindingen van de deskundige.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat het bestreden besluit berust op een toereikend gemotiveerde medische grondslag en of terecht is vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van
5 februari 2014 minder dan 35% is.

4.2.

In hoger beroep heeft appellant diverse medische stukken ingebracht. Teneinde een oordeel te kunnen geven over de fysieke belastbaarheid van appellant rond de datum in geding heeft verzekeringsarts Greveling-Fockens op verzoek van de Raad een verzekeringsgeneeskundige expertise verricht en van haar bevindingen uit onderzoek en conclusies een rapport uitgebracht. Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Vormen de daartegen aangevoerde bezwaren een gemotiveerde betwisting, dan moet de rechter zodanig motiveren dat daarbij inzicht wordt gegeven in de aan het oordeel van de rechter ten grondslag liggende gedachtegang, waardoor deze voor anderen controleerbaar en aanvaardbaar wordt.

4.3.

Appellant heeft de bevindingen van de deskundige onderschreven.

4.4.

Het rapport van verzekeringsarts Greveling-Fockens geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek, is inzichtelijk en consistent gemotiveerd en komt de Raad overtuigend voor. De Raad ziet geen aanleiding haar conclusies niet te volgen. Daarbij is van belang dat verzekeringsarts Greveling-Fockens naast eigen onderzoek alle beschikbare medische informatie heeft bestudeerd.

4.5.

Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde beperkingen, wordt vastgesteld dat de ten behoeve van het bestreden besluit uiteindelijk geselecteerde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn. Het Uwv heeft de geschiktheid van deze voorbeeldfuncties voor appellant in de arbeidskundige rapporten van 8 juli 2014,
23 oktober 2014 en 20 juli 2017 afdoende toegelicht.

4.6.

De overwegingen 4.1 tot en met 4.5 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Nu het Uwv het bestreden besluit pas in hoger beroep van een toereikende medische en arbeidskundige grondslag heeft voorzien, bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op

€ 990,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 1.237,50 voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 2.227,50.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van €2.227,50;

  • -

    bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 november 2017.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) L.H.J. van Haarlem

SS