Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3912

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-11-2017
Datum publicatie
14-11-2017
Zaaknummer
15/2643 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering overbruggingsregeling AOW toe te kennen i.v.m. ontvangen AOW-toeslag partner. Nu de herziening van de AOW-leeftijd in een geval als dat van appellante de rechterlijke toets kan doorstaan, valt niet in te zien waarom het later invoeren van de Tijdelijke regeling, waarbij voor schrijnender gevallen een overbruggingsuitkering is ingevoerd, ten opzichte van appellante in strijd zou zijn met het zorgvuldigheidsbeginsel. Dat de gemachtigde van appellante met zijn hoger beroep een principiëler benadering voor ogen had, neemt niet weg dat hier slechts de beoordeling van het bestreden besluit en dus het effect daarvan voor appellante voorligt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2018/29
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/2643 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 17 maart 2015, 14/4928 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 10 november 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft haar echtgenoot, [naam echtgenoot], hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van appellante heeft nog een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2017. Appellante is – met voorafgaand bericht – niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. N. Zuidersma.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is geboren [in] 1948. De Svb heeft haar met ingang van 23 februari 2013 een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend.

1.2.

Appellante heeft de Svb op 27 februari 2014 verzocht haar een overbruggingsuitkering toe te kennen op grond van de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW (Tijdelijke regeling). De Svb heeft bij besluit van 7 juli 2014 appellante een overbruggingsuitkering geweigerd op de grond dat haar partner AOW-toeslag ontvangt.

1.3.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 7 juli 2014. Aangevoerd is dat appellante ten gevolge van de wijziging van de AOW eerst een maand na haar 65e verjaardag [in] 2014 AOW-pensioen heeft ontvangen en dat haar echtgenoot vanaf 1 februari 2014 geen toeslag meer ontving. In zoverre is het besluit van 7 juli 2014 feitelijk onjuist. Verder is opgemerkt dat de Tijdelijke regeling eerst op 31 mei 2014 tot stand is gekomen. Dat niet tijdig een passende overgangsregeling voor de latere toekenning van het AOW-pensioen is ingevoerd, is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Nu de Tijdelijke regeling door een inkomsens- en vermogenstoets niet voor iedereen in een compensatie van het later ingaan van het AOW-pensioen voorziet, wordt voorbijgegaan aan het persoonlijke recht dat
AOW-gerechtigden hebben, vaak na gedurende vele jaren premie te hebben betaald. Dit is in strijd met het gelijkheidsbeginsel, aldus appellante.

1.4.

Bij beslissing op bezwaar van 17 oktober 2014 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar ongegrond verklaard. De motivering van de weigering van de overbruggingsuitkering is in zoverre gewijzigd dat appellantes echtgenoot in de maand van
23 januari 2014 tot 23 februari 2014 recht had op AOW-toeslag, maar dat deze toeslag gedurende een deel van deze periode niet tot uitbetaling kwam omdat appellantes inkomsten daarvoor te hoog waren.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. De Raad overweegt het volgende.

3.1.

In hoger beroep is namens appellante niet betwist dat zij volgens de bepalingen van de Tijdelijke regeling niet in aanmerking komt voor de overbruggingsuitkering.

3.2.

De onder 1.3 omschreven gronden, een beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel, zijn in hoger beroep – evenals in eerste aanleg – herhaald. Hetgeen de rechtbank daarover heeft overwogen, wordt onderschreven. Het beroep op deze beginselen en op Europees recht, slaagt niet.

3.3.

Verwezen kan verder worden naar de uitspraak van de Raad van 18 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2609. In die uitspraak is de Raad tot het oordeel gekomen dat de stapsgewijze verhoging van de AOW-leeftijd in het algemeen is toegestaan en dat een tijdelijk verlies aan inkomen (AOW-gat) van één maand geen onevenredig nadeel oplevert voor de pensioengerechtigde, ook niet als deze geen overbruggingsuitkering ontvangt. Hierbij is getoetst aan artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in welke bepaling het eigendomsrecht wordt gewaarborgd. Verder houdt de verhoging van de AOW-leeftijd geen door artikel 14 van het EVRM verboden (leeftijds)discriminatie in.

3.4.

Er is geen aanleiding in het voorliggende geval, waarbij toetsing aan het gelijkheidsbeginsel aan de orde is, anders te oordelen dan in de uitspraak van 18 juli 2016. Appellantes beroep op het gelijkheidsbeginsel kan dus niet slagen.

3.5.

Nu de herziening van de AOW-leeftijd in een geval als dat van appellante de rechterlijke toets kan doorstaan, valt niet in te zien waarom het later invoeren van de Tijdelijke regeling, waarbij voor schrijnender gevallen een overbruggingsuitkering is ingevoerd, ten opzichte van appellante in strijd zou zijn met het zorgvuldigheidsbeginsel. Dat de gemachtigde van appellante met zijn hoger beroep een principiëler benadering voor ogen had, neemt niet weg dat hier slechts de beoordeling van het bestreden besluit en dus het effect daarvan voor appellante voorligt.

3.6.

Uit het onder 3.1 tot en met 3.4 overwogene vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en

M.M. van der Kade en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 november 2017.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) R.H. Budde

IvR