Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3902

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-11-2017
Datum publicatie
14-11-2017
Zaaknummer
16/1160 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:231, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank wordt gevolgd in het oordeel dat het bestreden besluit op een voldoende medische grondslag berust. Betrokkene wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat de psychische klachten zijn onderschat. De beperkingen van betrokkene zijn, vooral wegens gevolgen van nieuw voorgeschreven medicatie, aangevuld. Geen aanleiding voor het inschakelen van een deskundige. Mate van arbeidsongeschiktheid is op een voldoende aantal functies gebaseerd. Uitgaande van deze functies is de mate van arbeidsongeschiktheid ook juist bepaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/1160 WIA, 16/1181 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

8 januari 2016, 15/2230 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 8 november 2017

PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. E.R. Lambooy, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding, waaronder wettelijke rente. Het Uwv heeft eveneens hoger beroep ingesteld.

Partijen hebben verweerschriften ingediend en nader op elkaars standpunten gereageerd.

Het Uwv heeft op verzoek medische gegevens ingezonden.

Het onderzoek ter zitting in beide zaken heeft gevoegd plaatsgevonden op 16 augustus 2017. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Lambooy. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene heeft gewerkt als software ontwikkelaar. In 2007 is hij een periode ziek geweest als gevolg van prostaat-, hart-, vaat-, arm-, schouder- en rugklachten en gevoelens van somberheid/depressie. Hij heeft in de loop van 2007 hervat bij een andere werkgever en is met ingang van 9 juni 2008 na een aanrijding opnieuw uitgevallen met whiplash-, angst- en paniekklachten, een slaapstoornis en soortgelijke klachten als in 2007.

1.2.

Betrokkene is met ingang van 7 juni 2010 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen

(Wet WIA). De mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 49%. Met ingang van

7 mei 2012 ontvangt betrokkene een vervolguitkering op grond van de Wet WIA, waarbij hij is ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55%.

1.3.

Op 30 mei 2014 heeft betrokkene zich met ingang van 26 mei 2014 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld wegens PTSS, depressie, paniek, vermoeidheid, slaapproblemen en bijwerking als gevolg van gewijzigde medicatie. Hij heeft informatie van zijn huisarts en behandelend psycholoog bijgevoegd. Na onderzoek door een aan het Uwv verbonden arts heeft het Uwv bij besluit van 24 juli 2014 vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene niet is gewijzigd. In bezwaar tegen dat besluit heeft betrokkene informatie van zijn huisarts en behandelend psycholoog, neuroloog en uroloog ingezonden evenals een op zijn verzoek uitgebracht expertiserapport van psychiater M. Kazemier van 14 januari 2015. Bij besluit van 27 februari 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 24 juli 2014 ongegrond verklaard. Aan dat besluit liggen rapporten ten grondslag van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 23 januari 2015 en

20 februari 2015 en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 29 januari 2015 en

26 februari 2015.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het Uwv opgedragen opnieuw op het bezwaar van betrokkene te beslissen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. Volgens de rechtbank hoefde de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van Kazemier en de in beroep ingezonden aanvullende informatie van de huisarts, de behandelend psycholoog en de orthopeed geen aanleiding te zien om betrokkene verdergaand beperkt te achten en is dat standpunt in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 26 oktober 2015 afdoende gemotiveerd. De rechtbank heeft daarom geen reden gezien een deskundige te benoemen, zoals door betrokkene was verzocht. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het Uwv onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de functies met de SBC-codes 111180, 271093, 267050 en 111171 op het punt “verhoogd persoonlijk risico” (item 1.9.9) passend zijn. Daartoe heeft zij overwogen dat in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van

23 januari 2015 bij 1.9.9 is vermeld dat cliënt is aangewezen op werk zonder verhoogd persoonlijk risico en dat in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van

23 januari 2015 is vermeld dat betrokkene beperkt is in beroepsmatig autorijden en in werkzaamheden waarbij hij op zeer risicovolle plekken werkt waarbij opperste concentratie wordt vereist ter voorkoming van veiligheidsproblemen, terwijl in de functie met SBC-code 111180 wordt gewerkt met een soldeerbout, in de functie met SBC-code 271093 vingers in een machine bekneld kunnen raken en in de functies met de SBC-codes 267050 en 111171 met (potentieel) gevaarlijk gereedschap wordt gewerkt.

3.1.

Betrokkene heeft in hoger beroep opnieuw de medische grondslag van het bestreden besluit bestreden. Er is onvoldoende rekening gehouden met de ernst en de aard van de diverse lichamelijke en met name psychische klachten. De rechtbank heeft volgens betrokkene ten onrechte geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep afdoende heeft gemotiveerd dat het rapport van Kazemier niet hoeft te worden gevolgd. Hij acht zich, zoals volgens hem ook door Kazemier wordt gesteld, meer beperkt. Hij onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat een aantal geselecteerde functies niet passend is.

3.2.

Het Uwv heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank bestreden dat een aantal van de geselecteerde functies niet passend is. De rechtbank heeft onvoldoende de nadere rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 26 februari 2015 en 30 oktober 2015 in aanmerking genomen. Volgens het Uwv is betrokkene niet beperkt ten aanzien van concentratie en is van de door de rechtbank genoemde functies met de SBC-codes 267050 en 111171 wel degelijk het aspect 1.9.9 toegelicht. Ook is toegelicht dat in de functies met de SBC-codes 111180 en 271093 geen sprake is van risicovolle werkplekken. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te vernietigen en het inleidend beroep alsnog ongegrond te verklaren.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank wordt gevolgd in het oordeel dat het bestreden besluit op een voldoende medische grondslag berust. In het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van

20 februari 2015 zijn inzichtelijk en gemotiveerd de bevindingen van de huisarts, behandelend uroloog en behandelend neuroloog, zoals deze in verschillende brieven van die artsen naar voren komen, weergegeven. Uit die gegevens en de beoordeling daarvan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep kan niet worden afgeleid dat die arts bevindingen uit de behandelend sector heeft gemist of deze onvoldoende in de beoordeling heeft betrokken. De langjarige urologische klachten zijn door de uroloog in zijn brief van 30 juli 2014 geduid als chronic pelvic pain syndroom. Somatische afwijkingen zijn volgens de uroloog niet vastgesteld. In zijn brief van 5 augustus 2014 heeft de behandelend neuroloog Rosso na een MRI en een EMG-onderzoek vermeld dat sprake is van tendomyogene pijn. Kazemier vermeldt in zijn rapport van 14 januari 2015 dat het ernstig disfunctioneren van betrokkene niet voldoende somatisch verklaard kan worden. Ook de oudere gegevens over de gezondheidsklachten van betrokkene zijn, zo blijkt uit het rapport van de arts van het Uwv van 22 juli 2014 en het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van

20 februari 2015, kenbaar in de beoordeling betrokken. Dat geldt ook voor de gestelde vermoeidheidsklachten/slaaptekort. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft met verwijzing naar de informatie van de uroloog vermeld dat bekend is dat betrokkene in de nacht meerdere keren behoefte heeft om zijn urine te lozen.

4.2.

Betrokkene wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat de psychische klachten zijn onderschat. In het rapport van 20 februari 2015 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep informatie van psycholoog Pesch van 27 mei 2014 en van de huisarts van onder meer

14 oktober 2014 betrokken, evenals de expertise van Kazemier. De beperkingen van betrokkene zijn, vooral wegens gevolgen van nieuw voorgeschreven medicatie, aangevuld. Betrokkene wordt beperkt geacht in beroepsmatig autorijden en werkzaamheden waarbij hij op zeer risicovolle plekken werkt, waarbij opperste concentratie wordt geëist ter voorkoming van veiligheidsproblemen. Kazemier heeft de door de psycholoog gestelde diagnose PTSS niet bevestigd. Volgens Kazemier is op basis van het vastgestelde beeld sprake van een somatisch symptoomstoornis, met daarnaast een persisterende depressieve stoornis met angstige spanning (voorheen dysthymie) en een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis. Hij concludeert dat een toename van klachten niet kan worden geobjectiveerd. Kazemier stelt beperkingen op het gebied van concentratie, werktempo, inzicht in eigen kunnen, vervoer en stresserend werk. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 20 februari 2015 alle door Kazemier genoemde beperkingen beoordeeld en geconcludeerd dat die beperkingen, met inachtneming van een extra beperking ter voorkoming van veiligheidsproblemen, door de artsen van het Uwv zijn aangenomen en in de rapporten en de FML van 23 januari 2015 afdoende zijn weergegeven. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende betekenis heeft toegekend aan het rapport van Kazemier. Kazemier heeft geen toename van beperkingen geobjectiveerd behoudens een door hem geuite mogelijke verergering van klachten door de wijziging in medicatie. Dat aspect is in de extra gestelde beperking, zo blijkt uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 20 februari 2015, tot uitdrukking gebracht. Er zijn in de voorhanden gegevens geen aanknopingspunten om te oordelen dat de beperkingen in de FML van 23 januari 2015 zijn onderschat. Gelet op dit oordeel is er geen aanleiding voor het inschakelen van een deskundige, zoals door betrokkene is verzocht. Geconcludeerd wordt dat de FML van 23 januari 2015 terecht als basis is gehanteerd voor de beoordeling of de aan betrokkene voorgehouden functies passend zijn.

4.3.1.

Een FML moet worden gelezen in samenhang met het verzekeringsgeneeskundig rapport waarin deze mogelijkheden en beperkingen in hun onderlinge samenhang zijn beoordeeld, gemotiveerd en beschreven (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2016:3450). Dit betekent dat de FML van 23 januari 2015 gelezen moet worden in samenhang met de in de rapporten van 23 januari 2015 en 20 februari 2015 door de verzekeringsarts bezwaar en beroep beschreven bevindingen en de door deze arts nader gegeven toelichtingen in het rapport van 30 november 2016.

4.3.2.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapporten van 29 januari 2015 en aanvullend op 26 februari 2015 geconcludeerd dat betrokkene in staat is een zestal geselecteerde functies te vervullen. Hij heeft zijn standpunt naar aanleiding van wat in beroep was aangevoerd in een rapport van 30 oktober 2015 nader toegelicht. In zijn rapport van

14 september 2016 heeft hij nogmaals nader toegelicht dat de functies met SBC-codes 111180, 271093, 267050 en 111171 de belastbaarheid van betrokkene niet overschrijden.

4.3.3.

Het standpunt van het Uwv wordt gevolgd dat de functie met SBC-code 267050 passend is. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van

14 september 2016 nogmaals afdoende gemotiveerd dat in die functie geen pneumatische en elektrische apparaten worden gehanteerd – die apparaten worden in het betreffende bedrijf vervaardigd – maar dat gebruik gemaakt wordt van handgereedschap zoals een buig/kniptang en pincet. Een door betrokkene verondersteld verhoogd persoonlijk risico in die functie blijkt niet uit de functieomschrijving en de vermelde belastende factoren. Ook van de functie met SBC-code 111180 kan niet worden gezegd dat in verband met het hanteren van een soldeerbout sprake is van een niet passende functie. Dat betrokkene niet in staat is om een soldeerbout in een houder te plaatsen kan uit de gestelde beperkingen niet worden afgeleid. Uit de door de arbeidsdeskundige gegeven toelichting – het gaat om het terugplaatsen van een soldeerpen bij zittend werk waarin routinematig enkelvoudige taken worden uitgevoerd zonder interventies van buitenaf – kan evenmin worden afgeleid dat sprake is van een verhoogd persoonlijk risico zoals in de FML is bedoeld. Anders dan de rechtbank wordt geoordeeld dat het Uwv de passendheid van deze functies afdoende heeft gemotiveerd. Aangezien betrokkene geen gronden heeft aangevoerd tegen twee van de zes functies, te weten de functies met SBC-codes 516080 en 315120, en de functies met SBC-codes 267050 en 111180 passend worden geacht, is de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid op een voldoende aantal functies gebaseerd. Uitgaande van deze functies is de mate van arbeidsongeschiktheid ook juist bepaald. De vraag of de overige ter discussie gestelde functies passend zijn behoeft daarom geen verdere bespreking.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3.3 volgt dat het bestreden besluit afdoende is gemotiveerd. Het hoger beroep van het Uwv slaagt. Het hoger beroep van bertrokkene slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en het beroep zal alsnog ongegrond worden verklaard. Gelet op dit oordeel zal het verzoek om schadevergoeding worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 27 februari 2015 ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en E.W. Akkerman en

F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 november 2017.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) J.W.L. van der Loo

RH