Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3898

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-10-2017
Datum publicatie
20-11-2017
Zaaknummer
15/2738 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet melden van op geld waardeerbare activiteiten. Geen sprake van vrijwilligersactiviteiten. Het recht op bijstand is niet schattenderwijs vast te stellen. De bijstand is terecht ingetrokken en teruggevorderd. De boete op basis van draagkracht is verlaagd. Terecht bruto terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 2738 WWB, 16/1472 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland van 9 maart 2015, 14/696 (aangevallen uitspraak 1) en 28 januari 2016, 15/2712 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

Datum uitspraak: 31 oktober 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. F. Boukich, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

De zaken zijn gevoegd ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 29 november 2016. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), laatstelijk naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Naar aanleiding van een signaal van de afdeling Burgerzaken van de gemeente Utrecht dat appellanten volgens Woningbouwvereniging [naam woningbouwvereniging] met onbekende bestemming zouden zijn vertrokken, de woning zou worden onderverhuurd en appellant zou hebben verklaard dat hij veel in het buitenland is omdat hij voorzitter is van een stichting, heeft op 25 juni 2013 een gesprek met appellanten plaatsgevonden. Daarbij heeft appellant verklaard dat hij penningmeester is van de Stichting [naam stichting 1] ([naam stichting 1]) en voorzitter van de [naam stichting 2] ([stichting 2]), dat hij niet naar het buitenland is geweest en dat appellanten op het door hen opgegeven adres wonen.

1.3.

Naar aanleiding van het gesprek op 25 juni 2013 heeft Team Handhaving van de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling, Werk en Inkomen van de gemeente Utrecht een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. Daarbij is onder meer onderzoek verricht op internet en is informatie opgevraagd bij het Centraal Justitieel Incassobureau. Daarnaast zijn appellanten verzocht diverse gegevens te overleggen en vragen te beantwoorden over de door appellant verrichte werkzaamheden voor beide stichtingen. Appellanten hebben diverse gegevens overgelegd maar niet alle gevraagde gegevens. Verder zijn appellanten uitgenodigd voor gesprekken op 3 oktober 2013 en 14 oktober 2013. Appellanten zijn op beide gesprekken, zonder voorafgaand bericht, niet verschenen. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 23 oktober 2013.

1.4.

De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest bij besluit van

7 november 2013 de bijstand van appellanten vanaf 2 juli 2011 in te trekken en de over de periode van 2 juli 2011 tot en met 30 september 2013 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 40.995,98 van appellanten terug te vorderen.

1.5.

Bij besluit van 19 december 2013 heeft het college appellanten een boete opgelegd van

€ 35.550,-.

1.6.

Bij besluit van 30 januari 2014 (bestreden besluit 1) heeft het college, voor zover van belang, de bezwaren tegen de besluiten van 7 november 2013 en 19 december 2013 ongegrond verklaard. Het college heeft aan bestreden besluit 1 ten grondslag gelegd dat appellanten hun inlichtingenverplichting hebben geschonden door bij het college geen melding te maken van de vergaande betrokkenheid van appellant bij [naam stichting 1] en [stichting 2] en van de vele werkzaamheden die hij voor deze stichtingen in Nederland en in het buitenland heeft verricht en die op geld waardeerbaar waren. Als gevolg van deze schending van de inlichtingenverplichting kan het recht op bijstand van appellanten niet worden vastgesteld.

1.7.

Bij besluit van 1 januari 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 mei 2015 (bestreden besluit 2), heeft het college de terugvordering over het jaar 2013 gebruteerd tot een bedrag van € 14.450,89.

2. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, bestreden besluit 1 vernietigd voor zover het de boete betreft, het besluit van

19 december 2013 herroepen en de boete op € 3.000,- vastgesteld. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Aangevallen uitspraak 1

Intrekking en terugvordering

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 2 juli 2011, de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, tot en met 7 november 2013, de datum van het intrekkingsbesluit.

4.2.

Het besluit tot intrekking van de bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand zou hebben gehad.

4.4.

Appellanten bestrijden dat zij de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden. Daartoe hebben zij aangevoerd dat geen sprake was van commerciële activiteiten maar van vrijwilligerswerk waaruit geen inkomsten zijn genoten. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.4.1.

Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de onderzoeksbevindingen voldoende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door niet te melden dat appellant op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht voor [naam stichting 1] en [stichting 2].

4.4.2.

Uit internetonderzoek is gebleken dat [naam stichting 1] commerciële activiteiten aanbiedt, zoals het maken van filmopnames tijdens evenementen. In een ongedateerde brief naar aanleiding van vragen van het college (brief) heeft appellant voorts zelf verklaard dat hij ook werkzaamheden verricht als (assistent) cameraman en helpt met de editing enzovoort. Van dergelijke werkzaamheden blijkt ook uit berichten die appellant op Facebook heeft geplaatst, bijvoorbeeld op 10 mei 2013: “Leuke en interessante draaidag gehad voor [naam zender]” ([zender]), waarbij een foto is te zien waarop appellant als cameraman fungeert en op 4 mei 2013: “Na hard werken en ondertitelen nu eindelijk online. De eerste aflevering van het programma (…).” Over zijn betrokkenheid bij [naam stichting 1] heeft appellant in de brief voorts, behalve dat hij penningmeester is, verklaard dat hij ook vrijwilliger is “in de vorm van het aantrekken van jongeren van de straat om aan te sluiten bij onze projecten, onderhoud van de werkplek, en een bijdrage leveren aan alle andere taken binnen de stichting”. Ook staat het telefoonnummer van appellant vermeld als telefoonnummer waarmee telefonisch contact kan worden opgenomen met [naam stichting 1].

4.4.3.

Uit het internetonderzoek blijkt tevens dat appellant zich in de jaren 2012 en 2013 veelvuldig heeft beziggehouden met het inzamelen van gelden en het organiseren en uitvoeren van diverse projecten voor de [naam stichting 2] in het buitenland. Daarnaast staat het telefoonnummer van appellant vermeld als telefoonnummer waarmee telefonisch contact kan worden opgenomen met [stichting 2]. Appellant heeft in de brief vermeld dat hij alles moet aansturen, mee moet helpen bij het organiseren van benefieten voor arme mensen, het uitdelen van goederen en het bijstaan van de medemensen. Appellant heeft niet betwist dat hij van

28 mei 2013 tot en met 4 juni 2013 voor vrijwilligerswerk in Jordanië is geweest. Op foto’s op de Facebookpagina van [stichting 2] in de periode van juni 2012 tot en met juni 2013 is appellant voorts bij diverse activiteiten van die stichting in verband met projecten in het buitenland te zien. Voorts is appellant te zien op films die zijn opgenomen in het buitenland, zowel op de site van [stichting 2] en de Facebookpagina van [stichting 2].

4.4.4.

Dat appellant bij zijn aanvraag om bijstand melding heeft gemaakt van zijn werkzaamheden als penningmeester van [naam stichting 1] doet aan het vorenstaande niet af. De in 4.4.2 en 4.4.3 omschreven, door appellant verrichte, activiteiten omvatten immers veel meer dan de enkele werkzaamheden van penningmeester. Nu appellanten ook achteraf geen nadere informatie hebben verstrekt en ook anderszins niet met een aanvaardbare, op objectieve en verifieerbare gegevens berustende reconstructie van deze activiteiten zijn gekomen, is het niet mogelijk om schattenderwijs tot een nadere vaststelling van het recht op bijstand te komen. Dat beide stichtingen hebben geweigerd de gevraagde financiële gegevens te overleggen, komt voor rekening en risico van appellanten.

4.5.

Uit 4.3 en 4.4 volgt dat het college gehouden was om met toepassing van artikel 54,

derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de aan appellanten verleende bijstand met ingang van 2 juli 2011 in te trekken en de over de periode van 2 juli 2011 tot en met 30 september 2013 gemaakte kosten van bijstand van hen terug te vorderen. Het hoger beroep slaagt in zoverre niet.

Boete

4.6.

Voor een weergave van de relevante wetgeving en uitgangspunten bij de beoordeling van de evenredigheid van een bestuurlijke boete wordt verwezen naar de overwegingen 5.1 tot en met 5.11 van de uitspraak van de Raad van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:12, en de tekst van artikel 18a van de Participatiewet en artikel 2 en 2a van het Boetebesluit socialezekerheidswetten, zoals deze per 1 januari 2017 luiden.

4.7.

Uit 4.4 volgt dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2451), brengt dit niet mee dat de schending van de inlichtingenverplichting en het gehanteerde benadelingsbedrag ook in dit geding over de opgelegde boete zonder meer een vaststaand gegeven is, omdat het daarbij gaat om een bestraffende sanctie. In wat appellanten hebben aangevoerd bestaat geen aanleiding om, in afwijking van wat hiervoor in 4.4 is overwogen, te oordelen dat appellanten de inlichtingenverplichting niet hebben geschonden. Daarvan kan hen een verwijt worden gemaakt. Gelet hierop was het college in beginsel gehouden met toepassing van artikel 18a van de WWB een boete op te leggen van ten hoogste het vastgestelde benadelingsbedrag.

Verwijtbaarheid

4.8.

Uit artikel 5:41 van de Awb volgt dat een boete eerst wordt opgelegd indien belanghebbende de overtreding is te verwijten. In dit geval had het appellanten redelijkerwijs duidelijk moeten dat de werkzaamheden voor [naam stichting 1] en [stichting 2] in Nederland en in het buitenland relevant zijn voor (de voortzetting van) de bijstand. De schending van de inlichtingenverplichting is appellanten dan ook te verwijten.

4.9.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat geen sprake is van verzwarende omstandigheden, noch van verminderde verwijtbaarheid. Gelet hierop moet bij de afstemming van de boete op het aspect verwijtbaarheid worden uitgegaan van ‘gewone’ verwijtbaarheid. Dit leidt volgens vaste rechtspraak (zie onder meer de in 4.6 genoemde uitspraak) tot een boete van 50% van het benadelingsbedrag.

4.10.

Wat appellanten hebben aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid als bedoeld in artikel 2a, tweede lid, van het Boetebesluit.

Hoogte van de boete

4.11.

Onder het benadelingsbedrag, zoals volgt uit artikel 18a, tweede lid van de WWB en ongewijzigd overgenomen in artikel 18a, tweede lid, van de PW, wordt verstaan het bedrag dat ten gevolge van de schending van de inlichtingenverplichting ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen. Hierbij gaat het dus om het bedrag dat, gelet op 4.4, het gevolg is van de door het college aangetoonde schending van de inlichtingenverplichting.

4.12.

Het college heeft aan de onder 1.4 genoemde intrekking en terugvordering van bijstand ten grondslag gelegd dat ten gevolge van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand van appellanten niet (meer) is vast te stellen.

4.13.

Uit 18a, eerste en tweede lid, in samenhang met de in 4.9 vastgestelde mate van verwijtbaarheid volgt dat de boete wordt vastgesteld op 50% van het benadelingsbedrag. Dit is het netto bedrag dat ten gevolge van de schending van de inlichtingenverplichting ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen. Ten aanzien van de hoogte van de boete voor wat betreft de periode van 1 juli 2011 tot 1 januari 2013 moet worden uitgegaan van het sanctieregime van de Verordening maatregelen inkomensvoorzieningen Utrecht 2012 (verordening). Met toepassing van de verordening dient de hoogte van boete over de periode van 2 juli 2011 tot 1 januari 2013 alsnog te worden vastgesteld op € 1.336,87 zijnde 100% gedurende één maand van de voor appellanten op dat moment geldende norm voor gehuwden, wat lager is dan 50% van het benadelingsbedrag van € 23.448,-, zijnde € 11.724,-, over die periode. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het benadelingsbedrag over de periode van

1 januari 2013 tot en met 30 september 2013 bedraagt € 12.105,57, dit leidt tot een boetebedrag over die periode van € 6.052,79. Uitgaande van die boetebedragen

(€ 1.336,87 + € 6.059,79) resulteert dit in een boete van € 7.396,66.

4.14.

Appellanten voeren aan dat de boete, gelet op hun financiële omstandigheden, verder moet worden gematigd. Deze beroepsgrond slaagt. Appellanten ontvangen inmiddels wederom bijstand naar de norm voor gehuwden. In de huidige financiële omstandigheden van appellanten bestaat aanleiding om de boete te matigen. Nu sprake is van gewone verwijtbaarheid, moet bij het vaststellen van de hoogte van de boete in acht worden genomen dat appellanten de boete in twaalf maanden kunnen voldoen. Dit betekent dat de boete moet worden bepaald op 12 x 10% van € 1.409,31, zijnde de norm voor gehuwden ten tijde van deze uitspraak.

4.15.

Uit 4.14 volgt dat het hoger beroep ten aanzien van de boete slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover het de hoogte van de vastgestelde boete betreft. Met toepassing van artikel 8:72a van de Algemene wet bestuursrecht zal het bedrag van de boete worden vastgesteld op € 1.691,17, aangezien een boete tot dat bedrag hier passend en geboden is.

Aangevallen uitspraak 2

5.1.

Zoals in 4.4 is vastgesteld zijn appellanten de op hen ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB rustende inlichtingenverplichting niet nagekomen. Voorts staat vast dat appellanten het over het jaar 2013 teruggevorderde bedrag niet uiterlijk op 31 december 2013 hebben betaald. Hieruit volgt dat het college bevoegd was op grond van artikel 58, vijfde lid, van de WWB het bedrag van de terugvordering te verhogen met de op de terugvordering betrekking hebbende kosten (brutering).

5.2.

Het college heeft de over het kalenderjaar 2013 verschuldigde loonbelasting en premies afgedragen aan de Belastingdienst. Nu voorts de terugvordering niet buiten toedoen van appellanten is ontstaan, heeft het college reeds daarom in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid tot bruto terugvordering van het over 2013 teruggevorderde bedrag. De beroepsgrond dat, gelet op de door appellanten ontvangen uitkeringsspecificaties, het bedrag van de netto terugvordering onjuist is vastgesteld en daarmee ook de brutering, slaagt niet. Dat het bedrag van de netto terugvordering niet overeenstemt met de som van de door appellanten op grond van de uitkeringsspecificaties ontvangen bijstand, valt te verklaren uit het feit dat op de netto uitbetaalde bijstand inhoudingen wegens beslaglegging hebben plaatsgevonden.

5.3.

Uit 5.1 en 5.2 volgt dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 2 niet slaagt, zodat deze uitspraak moet worden bevestigd.

Proceskosten

6. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellanten in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 495,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt aangevallen uitspraak 1 voor zover dit de vaststelling van de boete betreft;

- stelt de boete vast op € 1.691,17 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt

van het besluit van 19 december 2013;

- bevestigt aangevallen uitspraak 1 voor het overige;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 495,-;

- bepaalt dat het college aan appellanten het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 123,-

vergoedt;

- bevestigt aangevallen uitspraak 2.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut als voorzitter en A.M. Overbeeke en

M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2017.

(getekend) E.C.R. Schut

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD