Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3896

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-11-2017
Datum publicatie
13-11-2017
Zaaknummer
16/6140 AW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek tot doorstroming naar de functie van senior GGP. Appellant voldoet niet aan de voorwaarde dat zijn functievervulling als geheel ten minste als ‘goed’ is gewaardeerd, zodat geen sprake is van een beoordeling boven de norm als bedoeld in het loopbaanbeleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/6140 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het beroep tegen het besluit van de korpschef van politie van 15 augustus 2016

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

Datum uitspraak: 9 november 2017

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak van 26 mei 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:2022) heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 31 december 2014 (14/395) vernietigd, het beroep tegen het besluit van 14 januari 2014 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd en met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat tegen het door de korpschef nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

Bij besluit van 15 augustus 2016 heeft de korpschef het bezwaar ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek om bevordering gehandhaafd.

Namens appellant heeft mr. K. Kromhout beroep ingesteld tegen het besluit van

15 augustus 2016.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken in het geding gebracht.

Mr. Kromhout heeft namens appellant gereageerd op het verweerschrift en de nadere stukken.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kromhout. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M.A.C. Theunissen en K. Dunnink.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de uitspraak van 26 mei 2016. Volstaan wordt hier met het volgende.

1.2.

Appellant is werkzaam als hoofdagent (generalist GGP), met als neventaak motorrijder bij het team [naam team].

1.3.

Appellant heeft verzocht om doorstroming (bevordering) naar de functie van senior GGP. Dit verzoek is afgewezen bij besluit van 17 december 2012. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellant niet voldoet aan de voorwaarde dat zijn functievervulling als geheel ten minste als ‘goed’ is gewaardeerd, zodat geen sprake is van een beoordeling boven de norm als bedoeld in het loopbaanbeleid.

1.4.

Na een beoordelingsgesprek op 20 december 2012 is ten aanzien van appellant op

29 januari 2013 een beoordeling vastgesteld. De beoordeling is op de hoofdbestanddelen ‘klantvriendelijkheid’ en ‘stressbestendigheid’ als ‘goed’ gewaardeerd, op de hoofdbestanddelen ‘initiatief’, ‘inlevingsvermogen’ en ‘gezag’ als ‘voldoende’ en op het hoofdbestanddeel ‘samenwerken’ als ‘matig’. De functievervulling als geheel is als ‘krappe voldoende’ beoordeeld. Bij dit oordeel heeft de korpschef de daling van de bonnenproductie van appellant in 2012 betrokken.

1.5.

Bij besluit van 14 januari 2014 heeft de korpschef het bezwaar tegen de vastgestelde beoordeling van 29 januari 2013 in zoverre gegrond verklaard dat het beoordelingstijdvak wordt geacht te lopen van 31 oktober 2010 tot 31 oktober 2012, het abusievelijk opgenomen (niet bestaande) zevende hoofdbestanddeel komt te vervallen en de kwalificatie ‘krappe voldoende’ wordt gewijzigd in ‘voldoende’. Voor het overige is het bezwaar tegen de beoordeling ongegrond verklaard. Tevens is het bezwaar tegen het besluit tot afwijzing van het verzoek om bevordering van 17 december 2012 ongegrond verklaard.

1.6.

De rechtbank heeft bij de uitspraak van 31 december 2014 het beroep tegen het besluit van 14 januari 2014 ongegrond verklaard.

1.7.

In zijn uitspraak van 26 mei 2016 heeft de Raad geoordeeld dat bij het hoofdbestanddeel ‘samenwerken’ geen toereikende onderbouwing is gegeven van het negatieve oordeel. Ten aanzien van de functievervulling als geheel is een nadere onderbouwing nodig betreffende de bonnenproductie van appellant.

2. Bij het ter uitvoering van de uitspraak van de Raad genomen besluit van 15 augustus 2016 (bestreden besluit) heeft de korpschef het bezwaar gericht tegen het hoofdbestanddeel ‘samenwerking’ gegrond verklaard en de score ‘matig’ gewijzigd in ‘voldoende’. Ten aanzien van de functievervulling als geheel is een nadere onderbouwing gegeven betreffende de bonnenproductie. Er is geen aanleiding om de score bij het hoofdbestanddeel ‘functievervulling in het geheel’ aan te passen. Omdat deze is beoordeeld met een score van ‘voldoende’ beschikt appellant niet over een beoordeling boven de norm. Nu appellant bovendien niet beschikt over verwachte geschiktheid voor senior GGP blijft de afwijzing van het verzoek om bevordering gehandhaafd.

3. Appellant heeft zich in beroep op de hierna te bespreken gronden tegen het bestreden besluit gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De beoordeling

4.1.

Indien een ambtenaar opkomt tegen de op een onderdeel van de beoordeling gegeven score van een voldoende niveau, ligt het volgens vaste rechtspraak (uitspraak van

5 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:90) op zijn weg om aannemelijk te maken dat de op dit onderdeel gegeven waardering niet op voldoende gronden berust.

4.2.

De korpschef heeft ter onderbouwing van zijn standpunt over de bonnenproductie van appellant erop gewezen dat de productie van 53 bonnen in 2012, ondanks het verweer van een bonnenstop van twee maanden en zes weken uitval wegens ziekte, in schril contrast staat met het aantal van 349 bonnen over een periode van negen maanden in 2009, alsook tot de gemiddelde productie van 150 bonnen op jaarbasis door collega’s in het basisteam die geen motorrijder zijn en de 200 bonnen op jaarbasis van een collega-motorrijder. Dit grote verschil wordt niet gecompenseerd door het organiseren en coördineren van verkeerscontroles, hiertoe heeft appellant geen initiatieven laten zien. Niet gezegd kan worden dat appellant zelf actie heeft ondernomen om het aantal bonnen naar boven bij te stellen dan wel bespreekbaar te maken. De korpschef ziet geen aanleiding om de score ‘voldoende’ op het hoofdbestanddeel ‘functievervulling in het geheel’ aan te passen. Hieraan is in het verweerschrift en ter zitting nog toegevoegd dat er ten aanzien van de bonnenproductie geen harde eis gold. Wel bestond de afspraak dat er gemiddeld één bon per werkdag werd geschreven. Door collega’s die veel op straat waren en zeker voor motorrijders was deze norm eenvoudigweg te halen. Zelfs bij het in beschouwing nemen van de periode van de bonnenstop en de afwezigheid wegens ziekte heeft appellant niet meer dan gemiddeld zeven bonnen per maand uitgeschreven, wat volgens de korpschef niet is gecompenseerd met een andere rol of taakaccent.

4.3.

De Raad is van oordeel dat de korpschef tot de conclusie heeft kunnen komen dat de bonnenproductie van appellant in 2012 substantieel is gedaald en niet toereikend was. Er is geen sprake van een harde norm, maar er kan wel worden uitgegaan van een richtsnoer van één bon per dag. Rekening houdend met zowel de gemiddelde productie van collega’s in het basisteam als die van een collega-motorrijder wijkt de bonnenproductie van appellant in 2012 hiervan, zelfs met inachtneming van een periode van ziekte en een bonnenstop, substantieel af. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat er andere oorzaken zijn die de daling van de bonnenproductie kunnen verklaren. Ten aanzien van het met regelmaat spontaan organiseren van verkeerscontroles wordt appellant niet zozeer verweten dat hij deze niet zou hebben georganiseerd maar dat als hij dit op regelmatige basis zou hebben gedaan, hij veel meer dan 53 bonnen zou hebben uitgeschreven, daar de ervaring leert dat verkeerscontroles altijd verkeersboetes opleveren. De stelling van appellant dat hij collega’s begeleidde tijdens verkeerscontroles en dat de bonnen op naam van deze collega’s zijn uitgeschreven, vindt geen steun in de stukken. Tot slot is niet ontkend dat appellant wel eens de rol van nachtcoördinator heeft vervuld, maar nu van een structurele vervulling van die rol geen sprake is geweest, kan ook dit de daling van de bonnenproductie niet verklaren.

De afwijzing van het verzoek om bevordering

4.4.

Appellant heeft aangevoerd dat hij met twee keer een score ‘goed’ en vier keer een score ‘voldoende’ op de eerste zes hoofdbestanddelen beschikt over een beoordeling boven de norm.

4.5.

De voormalige politieregio Noord- en Oost-Gelderland heeft de vereisten voor bevordering naar de functie van senior GGP nader geconcretiseerd met de afspraak dat voor een beoordeling ‘boven de norm’ de functievervulling als geheel ten minste als ‘goed’ is gewaardeerd.

4.6.

De functievervulling als geheel is in het geval van appellant gewaardeerd als ‘voldoende’. Van een beoordeling ‘boven de norm’ is dan ook geen sprake. Appellant voldoet niet aan de voorwaarden om voor bevordering in aanmerking te komen. Het verzoek om bevordering is op goede gronden afgewezen.

5. Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond dient te worden verklaard.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

H. Benek als leden, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 november 2017.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) A. Mansourova

HD