Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3893

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-11-2017
Datum publicatie
20-11-2017
Zaaknummer
17/5827 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek om voorlopige voorziening: kortsluiting. De aanvraag om bijstand is terecht afgewezen op de grond dat de vermogenspositie van verzoekster niet duidelijk is vanwege de verkoop van onroerend goed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 5827 PW, 17/6110 PW-VV

Datum uitspraak: 7 november 2017

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 17 augustus 2017, 17/4991 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb van 4 september 2017

Partijen:

[Verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens verzoekster heeft mr. Ü. Arslan, advocaat, hoger beroep ingesteld. Mr. C. Moustaïne, advocaat, heeft zich als opvolgend gemachtigde gesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2017. Namens verzoekster is verschenen mr. Moustaïne. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J. Logan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Verzoekster ontving sinds 17 maart 2005 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet. Bij besluit van 11 juli 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

24 oktober 2016, heeft het college de bijstand ingetrokken met ingang van 7 februari 2014 en de over de periode van 7 februari 2014 tot en met 31 mei 2016 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 28.728,51 van verzoekster teruggevorderd. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat verzoekster voor de helft eigenaar is van een woning in Turkije, waarvan de waarde is vastgesteld op € 93.000,-. De helft hiervan (€ 46.500,-) moet aan het vermogen van verzoekster worden toegerekend. Hierdoor heeft zij geen recht op bijstand. Bij uitspraak van 21 juni 2017 heeft de rechtbank Den Haag het tegen het besluit van 24 oktober 2016 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Verzoekster heeft tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld.

1.2.

Op 2 maart 2017 heeft verzoekster een aanvraag om bijstand ingediend. Namens verzoekster is toegelicht dat verzoekster haar eigendomsaandeel in de woning heeft overgedragen aan haar zoon.

1.3.

Bij besluit van 10 maart 2017 heeft het college de aanvraag om bijstand afgewezen op de grond dat geen sprake is van gewijzigde omstandigheden.

1.4.

Bij besluit van 10 juli 2017 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 10 maart 2017 onder een gewijzigde motivering ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat verzoekster in de periode van

7 februari 2014 tot 29 augustus 2016 voor de helft eigenaar was van een woning in Turkije, zodat deze woning voor de helft bestanddeel vormde van haar vermogen. Uit een door verzoekster overgelegde Turks eigendomsbewijs blijkt dat zij haar eigendomsaandeel in de woning op 29 augustus 2016 heeft overgedragen aan haar zoon. Er is dan ook sprake van een gewijzigde omstandigheid. Verzoekster heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat zij niet over het vermogen kon beschikken, dan wel dat zij haar aandeel in de woning om niet heeft overgedragen. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert, zodat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Verzoekster heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2.

Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

4.3.

Verzoekster heeft, gelet op haar ter zitting uiteengezette financiële situatie waaruit blijkt dat zij geen inkomen heeft, een spoedeisend belang bij haar verzoek.

4.4.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de onder 4.2 bedoelde situatie zich voordoet en ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

4.5.

De hier te beoordelen periode loopt van 2 maart 2017 tot en met 10 maart 2017.

4.6.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van de bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De aanvrager dient duidelijkheid te verschaffen over zijn inkomenssituatie, zo nodig ook over de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.7.

Tussen partijen is in geschil of verzoekster voldoende duidelijkheid heeft verschaft over de verkoopprijs bij overdracht van haar eigendomsaandeel in de woning in Turkije.

4.8.

Bij de onder 1.1 bedoelde uitspraak van de rechtbank Den Haag is onherroepelijk vastgesteld dat verzoekster mede-eigenaar was van een woning in Turkije en dat de helft van deze woning met een taxatiewaarde van € 93.000,- bestanddeel vormde van het vermogen van verzoekster. Vaststaat voorts dat zij haar eigendomsaandeel in de woning op 29 augustus 2016 heeft overgedragen aan haar zoon. Op het door verzoekster overgelegde eigendomsbewijs is vermeld dat de helft van het aandeel op naam van verzoekster stond en door verkoop op naam van haar zoon is gezet. Voorts is als koopsom vermeld 81.000,- TL. Dit rechtvaardigt de vooronderstelling dat de woning daadwerkelijk door middel van verkoop is overgedragen met betaling van een koopprijs. De stelling van verzoekster dat zij haar eigendomsaandeel in de woning om niet heeft overgedragen aan haar zoon komt niet overeen met wat op de officiële akte is vermeld en deze enkele stelling is onvoldoende om vast te stellen dat de overdracht zonder geldelijke tegenprestatie is geschied.

4.9.

Gelet op de discrepantie tussen enerzijds de stelling van verzoekster dat zij haar eigendomsaandeel in de woning om niet heeft overgedragen en anderzijds de koopsom die is vermeld op het eigendomsbewijs, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat verzoekster onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over de opbrengst bij de verkoop van haar eigendomsaandeel in de woning in Turkije. Nu de vermogenspositie van verzoekster onduidelijk is gebleven, kan het recht op bijstand over de te beoordelen periode niet worden vastgesteld. De subsidiaire stelling van verzoekster dat voor de vaststelling van het recht op bijstand een interingsberekening kan worden gemaakt waarbij fictief moet worden uitgegaan van de op het eigendomsbewijs vermelde koopsom, kan niet slagen, juist omdat onduidelijk is gebleven wat de opbrengst van de verkoop van het eigendomsaandeel was.

4.10.

Uit 4.5 tot en met 4.9 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Er bestaat dan ook geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek daartoe zal worden afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen af.

Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 november 2017.

(getekend) Y.J. Klik

(getekend) A.M. Pasmans

HD