Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3889

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-11-2017
Datum publicatie
13-11-2017
Zaaknummer
17/1896 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Werknemer Belastingdienst die verzuimd heeft aangifte te doen in verband met nevenwerkzaamheden. Eigen verantwoordelijkheid. Onjuiste aangiften voor de inkomstenbelasting en het niet doen van aangiften voor de omzetbelasting terecht aangemerkt als plichtsverzuim. Met de rechtbank oordeelt de Raad dat het plichtsverzuim toerekenbaar is, zodat de staatssecretaris bevoegd was om een disciplinaire straf op te leggen. Hoge eisen mogen worden gesteld aan de integriteit van ambtenaren met oog op aanzien en geloofwaardigheid van Belastingdienst. Geldt ook voor ambtenaren die geen specifieke fiscale functie hebben, vaste rechtspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 1896 AW

Datum uitspraak: 9 november 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

26 januari 2017, 16/4378 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Zwarenstein, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote, mr. Zwarenstein en dr. E. Nederlof . De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Fokkens-Kuiper, T. Boonstra, A. Kiesbrink en X. Derussy.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was vanaf 1 april 2000 werkzaam bij de Belastingdienst/ [naam afdeling] , laatstelijk in de functie van [functie A] .

1.2.

Op 24 juli 2010 is appellant desgevraagd toestemming verleend voor het verrichten van nevenwerkzaamheden op het gebied van (handel in) motoren en motor-onderdelen.

1.3.

Op 12 augustus 2015 heeft het Bureau Integriteit en Veiligheid van de FIOD de directeur [naam afdeling] gemeld dat appellant op 11 augustus 2015 is aangehouden en in verzekering gesteld, wegens de verdenking van het plegen van een fiscaal delict.

1.4.

Op 19 augustus 2015 heeft een gesprek plaatsgevonden van W (plaatsvervangend directeur [naam afdeling] ), O (juridische zaken) en B (vakpoolmanager/leidinggevende) met appellant, waarbij appellant heeft verklaard dat hij verzuimd heeft aangifte omzetbelasting te doen, in verband met zijn nevenwerkzaamheden betreffende de aan- en verkoop van motoren en onderdelen daarvan. Vervolgens is appellant geschorst en is hem de toegang tot de gebouwen ontzegd. Op 16 september 2015 heeft opnieuw een gesprek met appellant plaatsgevonden, deze keer met de door W ingestelde commissie van onderzoek. Van voornoemde gesprekken zijn verslagen opgesteld die aan appellant zijn voorgelegd. Appellant heeft enkele aanvullingen gegeven op het gespreksverslag van 16 september 2015. Op 28 september 2015 heeft de commissie een rapportage opgesteld.

1.5.

Bij brief van 11 september 2015 is aan W het fiscale nadeel voor de Inkomensheffing en de Omzetbelasting uiteengezet. Hieruit blijkt onder meer dat appellant over de periode van 2010 tot en met 2014 een bedrag van in totaal € 184.958,- niet in de aangifte Inkomensheffing heeft aangegeven, wat leidt tot een totaalbedrag van € 59.548,- aan ten onrechte niet betaalde Inkomensheffing. Voorts zijn appellant naheffingsaanslagen omzetbelasting over de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 maart 2015 opgelegd wegens het niet doen van aangifte omzetbelasting. Op 18 november 2015 is nadere fiscale informatie bekendgemaakt wat heeft geleid tot aanpassing van de eerder genoemde bedragen in respectievelijk € 173.604,- en

€ 54.243,-. Voor wat betreft de omzetbelasting beloopt de totale enkelvoudige schuld

€ 11.149,- te vermeerderen met een verzuimboete van € 12.300,-.

1.6.

Op 25 november 2015 is appellant wegens het doen van onjuiste aangiften Inkomensheffing over de jaren 2010 tot en met 2014 door de politierechter van de rechtbank Overijssel veroordeeld tot een werkstraf van 240 uur, waarvan 120 uur voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Aan de straf is de voorwaarde verbonden dat appellant zich onder behandeling laat stellen voor zijn gokverslaving en psychische problematiek. Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld.

1.7.

Nadat de staatssecretaris het voornemen daartoe bekend had gemaakt en appellant op

13 januari 2016 zijn zienswijze heeft gegeven, heeft de staatssecretaris bij besluit van
21 januari 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 21 juni 2016 (bestreden besluit), aan appellant wegens plichtsverzuim de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant zich heeft schuldig gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim doordat hij over de jaren 2010 tot en met 2014 onjuiste aangiften Inkomensheffing heeft ingediend en dat hij heeft verzuimd aangiften Omzetbelasting te doen voor de periode 1 januari 2010 tot en met 12 maart 2015.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan de hem verweten gedragingen en dat dit is aan te merken als plichtsverzuim. Uit de door hem afgelegde verklaringen blijkt dat hij zich ervan bewust was dat hij aangifte diende te doen van zijn inkomsten uit de handel in motoren en motoronderdelen. Vooralsnog kan worden uitgegaan van de juistheid van het vastgestelde fiscale nadeel. Het ligt op de weg van appellant om aannemelijk te maken dat van andere bedragen moet worden uitgegaan. Appellant is hierin niet geslaagd. Als het fiscale nadeel lager blijkt te zijn, doet dit overigens niet af aan het feit dat appellant jarenlang zijn fiscale verplichtingen op belangrijke punten niet is nagekomen. Het plichtsverzuim acht de rechtbank voorts toerekenbaar. Daarbij acht de rechtbank de conclusie uit het Pro Justitia Rapport van psycholoog J.P.M. van der Leeuw, dat appellant licht verminderd toerekeningsvatbaar is te achten, op overtuigende wijze gemotiveerd. Het onderzoek is zorgvuldig uitgevoerd en de conclusie kan worden gedragen door de bevindingen. In het door appellant ingediende PSY-rapport van psychiater

E. Nederlof ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de conclusie van

Van der Leeuw. Daarbij heeft de rechtbank tevens de eigen verklaringen van appellant in aanmerking genomen, waaruit naar voren komt dat hij de ontoelaatbaarheid van zijn gedrag inzag en in staat was om dat gedrag achterwege te laten. De rechtbank is van oordeel dat de straf niet onevenredig is aan de aard en de ernst van het plichtsverzuim, ook niet als wordt uitgegaan van de door Nederlof vastgestelde sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid. Bij ambtenaren van de Belastingdienst mogen immers zeer hoge eisen worden gesteld aan de integriteit, in het bijzonder voor wat betreft het nakomen van eigen fiscale verplichtingen, ook wanneer de ambtenaar geen fiscale functie heeft. Van belang is dat appellant over meerdere jaren niet of onvolledig belastingaangifte heeft gedaan.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad stelt vast dat appellant de aan hem verweten gedragingen niet ontkent. Appellant is echter van mening dat de benadelingsbedragen lager zijn omdat hij in de betreffende jaren geen of weinig winst heeft gemaakt, er geen rekening is gehouden met in het verleden gedane investeringen en er bovendien nog procedures lopen met betrekking tot de navorderingsaanslagen. Hij leefde in de veronderstelling dat zijn nevenwerkzaamheden konden worden beschouwd als hobby, in verband waarmee geen aangifte voor de omzet- en inkomenstenbelasting behoefde te worden gedaan. Voor zover appellant hiermee beoogt te stellen dat geen sprake is van plichtsverzuim, volgt de Raad hem hierin niet. Daargelaten dat de hoogte van het benadelingsbedrag als zodanig niet aan hem is verweten en dat appellant zijn standpunt dienaangaande heeft kunnen inbrengen in het kader van de fiscale procedure(s) inzake de navorderingsaanslagen, had het appellant bekend kunnen en moeten zijn dat hij de verdiensten uit de handel in motoren en motoronderdelen had moeten opnemen in zijn aangiften voor de inkomstenbelasting over de betreffende jaren en, daaruit voortvloeiend, dat een en ander ook voor de omzetbelasting had moeten worden aangegeven. Dat de Belastingdienst zelf niet voorziet in scholing van medewerkers voor hun fiscale verplichtingen, ontslaat appellant niet van zijn eigen verantwoordelijkheid daarvoor. De staatssecretaris heeft het doen van onjuiste aangiften voor de inkomstenbelasting en het niet doen van aangiften voor de omzetbelasting dan ook terecht aangemerkt als plichtsverzuim.

4.2.1.

Bij de vraag of plichtsverzuim is aan te merken als toerekenbaar plichtsverzuim is volgens vaste rechtspraak van belang of de ambtenaar de ontoelaatbaarheid van het verweten gedrag heeft kunnen inzien en overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen.

4.2.2.

De vraag of het plichtsverzuim is aan te merken als toerekenbaar plichtsverzuim is volgens vaste rechtspraak een vraag naar de juridische kwalificatie van het betrokken feitencomplex. Voor de toerekenbaarheid is niet van doorslaggevende betekenis of het gedrag psychopathologisch verklaarbaar is, maar of appellant de ontoelaatbaarheid van dat gedrag heeft ingezien en overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen. Heeft het plichtsverzuim zich over een lange periode afgespeeld, dan wordt sneller aangenomen dat de ambtenaar het besef moet hebben gehad van het laakbare van zijn gedrag. Ook is van belang of het gaat om herhaald gedrag.

4.2.3.

Zoals de Raad reeds eerder heeft geoordeeld (zie bijvoorbeeld de uitspraak van

21 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2813) vormt een verslaving op zichzelf geen verontschuldigende factor bij de beoordeling van onder invloed van die verslaving gepleegd plichtsverzuim. Dit zou slechts anders zijn indien die verslaving moet worden toegeschreven aan een zodanig, niet door die verslaving veroorzaakt, psychisch defect dat appellant niet meer in staat moet worden geacht om zijn wil ten aanzien van zijn gedrag in vrijheid te bepalen.

4.2.4.

Uit de verklaringen van appellant van 19 augustus 2015 en 16 september 2015 blijkt dat appellant wel wist dat hij aangifte moest doen van zijn extra inkomsten. In 2011 “zat het hem al niet lekker”. Hij had deze extra inkomsten echter nodig voor zijn gokverslaving, (welke zoals de Raad begrijpt er in bestaat dat appellant, ondanks slechte resultaten, bleef beleggen via zijn beleggingsrekening bij een bank) en wilde de inkomsten verborgen houden voor zijn vrouw. Volgens vaste rechtspraak mag appellant aan zijn eerst afgelegde verklaringen worden gehouden. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij zijn verklaring niet in vrijheid of onder ontoelaatbare druk heeft afgelegd. Het gespreksverslag van 16 september 2015, waarin de verklaring is weergegeven, is aan hem toegestuurd voor commentaar. Tijdens het gesprek heeft hij niet kenbaar gemaakt dat hij zich onheus behandeld voelde. Ook overigens bestaat geen grond om aan te nemen dat de inhoud van het gespreksverslag niet valide is. De daarin weergegeven verklaring van appellant is uitvoerig, consistent en gedetailleerd. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat, juist gelet op deze verklaringen van appellant, er onvoldoende aanleiding is om te twijfelen aan de uitkomsten van de rapportage van Van der Leeuw, dat sprake is van licht verminderde toerekenbaarheid. Het is niet aannemelijk geworden dat appellant gedurende de gehele periode ieder besef van de ontoelaatbaarheid van zijn gedrag niet heeft kunnen inzien en dienovereenkomstig heeft kunnen handelen.

4.2.5.

Naar aanleiding van appellants standpunt dat de rapportage van Van der Leeuw niet aan de toerekenbaarheid ten grondslag mocht worden gelegd omdat deze onzorgvuldig tot stand zou zijn gekomen, merkt de Raad op dat, nog daargelaten dat op basis van de eigen verklaringen van appellant niet kan worden geconcludeerd dat hij de ontoelaatbaarheid van zijn gedrag niet inzag en niet in staat was zijn gedrag, zoals weergegeven onder 4.2.4, te beëindigen, het rapport van Nederlof evenmin een basis vormt voor de conclusie dat het plichtsverzuim appellant niet kan worden toegerekend. Uit het rapport van Nederlof valt weliswaar op te maken dat de gedragingen van appellant te verklaren zijn vanuit zijn gokverslaving, echter op grond van deze rapportage, alsmede de in hoger beroep ingediende (aanvullende) rapportage van Nederlof van 11 april 2016, kan niet de conclusie worden getrokken dat appellant steeds de ontoelaatbaarheid van zijn gedrag in het geheel niet kon inzien en dienovereenkomstig kon handelen. Met de rechtbank oordeelt de Raad dat het plichtsverzuim toerekenbaar is, zodat de staatssecretaris bevoegd was om een disciplinaire straf op te leggen.

4.3.

Voor de beoordeling van de evenredigheid van de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag is van belang dat met het oog op het aanzien en de geloofwaardigheid van de Belastingdienst hoge eisen mogen worden gesteld aan de integriteit van ambtenaren, in het bijzonder bij het nakomen van hun fiscale verplichtingen. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1670) mag de staatssecretaris deze hoge eisen ook stellen aan ambtenaren die geen specifieke fiscale functie hebben. Vanwege deze hoge eisen is de opgelegde straf niet onevenredig te achten aan het door appellant gepleegde plichtsverzuim. Voor de ernst van het plichtsverzuim weegt mee dat het doen van onjuiste aangiften inkomstenbelasting betrekking heeft op meerdere jaren zodat sprake is van herhaald gedrag. Dat sprake is van verminderde toerekeningsvatbaarheid maakt dit niet anders.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en H. Lagas en H. Benek als leden, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 november 2017.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) A. Mansourova

HD