Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3881

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-11-2017
Datum publicatie
09-11-2017
Zaaknummer
15/5078 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:5099, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het Uwv op goede gronden heeft vastgesteld dat appellant met ingang van 7 november 2014 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij met de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende functies meer dan 65% van het maatmaninkomen kan verdienen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5078 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
17 juli 2015, 15/1205 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 1 november 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak 16/5047 ZW plaatsgevonden op
9 augustus 2017. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk via een uitzendbureau werkzaam geweest als hulp medewerker bakkerij. Op 7 oktober 2013 heeft hij zich ziek gemeld met cardiale klachten. Het Uwv heeft appellant in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een arts van het Uwv appellant op 4 augustus 2014 gezien. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 1 september 2014. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet in staat is zijn eigen werk te verrichten, vervolgens drie functies geselecteerd en op basis van de lonen berekend dat appellant nog 92,18% van zijn zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 29 september 2014 vastgesteld dat appellant met ingang van 7 november 2014 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 12 februari 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 februari 2015 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de artsen van het Uwv niet de juiste waarde hebben gehecht aan de beschikbare medische informatie. Appellant acht zich meer beperkt dan door de artsen van het Uwv is aangenomen en hierdoor niet in staat om in ieder geval twee van de drie geduide functies te verrichten. In de functies
productiemedewerker industrie en schoonmaker/poetser personenauto’s wordt volgens appellant de belastbaarheid op het aspect ‘probleem oplossen’ overschreden.

3.2.

Het Uwv heeft in verweer gesteld dat de arbeidsdeskundige in zijn rapport van
25 september 2014 gemotiveerd heeft vermeld waarom de functies ondanks de signalering op het aspect ‘probleem oplossen’ geschikt te achten zijn voor appellant. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).

4.2.

Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat een zorgvuldig medisch onderzoek is ingesteld en dat de beperkingen van appellant door het Uwv juist zijn vastgesteld. Van belang wordt geacht dat appellant door een arts van het Uwv op het spreekuur is gezien, dat deze arts een anamnese heeft afgenomen en hij appellant zowel lichamelijk als psychisch heeft onderzocht. Uit het rapport van deze arts blijkt dat zij tijdens haar onderzoek op lichamelijk gebied, behoudens een verhoogde bloeddruk, geen bijzonderheden heeft vastgesteld. Bij psychisch onderzoek heeft zij evenmin bijzonderheden gesignaleerd. Gelet op haar bevindingen uit onderzoek heeft deze arts aanleiding gezien appellant beperkt te achten voor gevaar opleverende situaties, (frequent licht) tillen, traplopen, klimmen, koude, deadlines en productiepieken en nachtdiensten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant, in het kader van zijn heroverweging in bezwaar, op de hoorzitting gezien en heeft de in bezwaar verkregen informatie van de radioloog en cardioloog bij zijn heroverweging betrokken. De informatie van de cardioloog is geen aanleiding geweest om appellant meer beperkt te achten nu hieruit blijkt dat sprake is van een stabiele cardiale situatie, goede revalidatie en een normale bloeddruk. De bevindingen van de radioloog zijn evenmin aanleiding geweest voor aanscherping van de FML nu appellant zich eerst na de datum in geding bij de huisarts heeft gemeld met rugklachten.

4.3.

In de ruim voorhanden zijnde informatie van de behandelend sector, noch in wat appellant heeft aangevoerd wordt aanleiding gevonden voor twijfel aan de juistheid van de door de artsen van het Uwv vastgestelde beperkingen zoals neergelegd in de FML.

4.4.

Uitgaande van de juistheid van de in de FML opgenomen beperkingen wordt met de rechtbank geoordeeld dat de belasting in de geselecteerde functies, te weten productiemedewerker industrie (SBC-code 111180), medewerker tuinbouw (SBC-code 111010) en schoonmaker auto’s (SBC-code 111111), de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de arbeidsdeskundige in zijn rapport van 25 september 2014, in combinatie met de toelichtingen opgenomen in de Resultaat Functiebeoordeling van 25 september 2014, inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom appellant, ondanks de in een aantal functies voorkomende signaleringen, waaronder het aspect ‘probleem oplossen’, in staat geacht kan worden de hem voorgehouden functies te vervullen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat, gelet op zijn arbeidsverleden in routinematig werk, de probleemoplossende aspecten zijn belastbaarheid te boven gaan.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het Uwv op goede gronden heeft vastgesteld dat appellant met ingang van 7 november 2014 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij met de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende functies meer dan 65% van het maatmaninkomen kan verdienen. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit terecht ongegrond verklaard. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en F.M.S. Requisizione en
A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 november 2017.

(getekend) J.S. van der Kolk

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

SS