Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3880

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-11-2017
Datum publicatie
09-11-2017
Zaaknummer
16/5047 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:5422, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zorgvuldig en volledig medisch onderzoek. Overwegingen rechtbank hierover worden geheel onderschreven. Met de rechtbank geoordeeld dat geen aanleiding bestaat om aan de juistheid van de door de artsen van het Uwv per datum in geding vastgestelde belastbaarheid van appellant te twijfelen. Stelling in hoger beroep niet nader (medisch) onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/5047 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
15 juli 2016, 15/5994 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 1 november 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, vergezeld van een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep.

Op verzoek van de Raad heeft het Uwv een nader rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak 15/5078 ZW plaatsgevonden op
9 augustus 2017. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.1.

De Raad gaat uit van de feiten zoals vermeld in de overwegingen 1.1 en 1.2 van de uitspraak in de zaak 15/5078 ZW. De Raad volstaat hier met het volgende.

1.2.

Appellant heeft zich op 5 januari 2015, vanuit de situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving, opnieuw ziek gemeld met rug- en beenklachten en cardiale klachten. In verband hiermee heeft hij laatstelijk op 16 juni 2015 het spreekuur bezocht van een sociaal medisch verpleegkundige en een arts van het Uwv. Deze arts heeft appellant per 23 juni 2015 geschikt geacht voor de in het kader van de eerstejaars Ziektewet-beoordeling (EZWb) geselecteerde functies van productiemedewerker industrie, medewerker tuinbouw en schoonmaker auto’s. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 16 juni 2015 vastgesteld dat appellant per 23 juni 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 10 september 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 5 september 2015 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het onderzoek van de verzekeringsartsen zorgvuldig geacht. Daarbij is van belang geacht dat de arts bij het onderzoek op 16 juni 2015 dossierstudie heeft verricht, een anamnese heeft afgenomen en appellant lichamelijk heeft onderzocht. Voorts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de bevindingen van het onderzoek van
16 juni 2015 heroverwogen en bij zijn beoordeling de in bezwaar aangevoerde gronden en ontvangen informatie van de behandelend sector betrokken. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien aan het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt te twijfelen. In de in het dossier voorhanden zijnde medische informatie heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden voor het standpunt dat appellant op de datum in geding meer beperkt was dan waarvan de verzekeringsarts bezwaar en beroep is uitgegaan. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv appellant terecht met ingang van 23 juni 2015 in staat heeft geacht tot het verrichten van zijn arbeid, te weten een van de in het kader van de EZWb geduide functies. De beroepsgrond dat appellant vanwege zijn leeftijd en slechte beheersing van de Nederlandse taal niet in staat is de geduide functies te verrichten slaagt naar het oordeel van de rechtbank, onder verwijzing naar rechtspraak van de Raad, ECLI:NL:CRVB:2012:BX1509, niet.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij in verband met zijn rugklachten toegenomen beperkingen ervaart en voorts dat zijn vermoeidheidsklachten zijn toegenomen. Uit onderzoek is gebleken dat appellant kampt met een aantal afwijkingen aan de wervelkolom. Door zijn klachten acht appellant zich niet in staat om per datum in geding arbeid te verrichten. Twee van de drie geduide functies zijn zonder meer niet geschikt omdat zijn belastbaarheid binnen het aspect ‘probleem oplossen’ wordt overschreden.

3.2.

Het Uwv heeft, onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 6 november 2016, bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na 52 weken ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de EZWb. Het gaat daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste een van de geselecteerde functies (zie de uitspraak van de Raad van 22 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1225).

4.2.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de artsen van het Uwv een voldoende zorgvuldig en volledig medisch onderzoek hebben verricht. De overwegingen die door rechtbank aan dit oordeel ten grondslag zijn gelegd worden geheel onderschreven.

4.3.

De Raad is voorts met de rechtbank van oordeel dat geen aanleiding bestaat om aan de juistheid van de door de artsen van het Uwv per datum in geding vastgestelde belastbaarheid van appellant te twijfelen. Van belang wordt hierbij geacht dat uit de rapporten van de artsen van het Uwv blijkt dat appellant door deze artsen is gezien en dat deze artsen appellant hebben gesproken over zijn medische situatie. Voorts is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep een uitgebreide hoeveelheid informatie van de behandelend sector, waaronder cardioloog, radioloog, neuroloog en anesthesioloog, bij de beoordeling van de belastbaarheid betrokken. Deze informatie is op inzichtelijk wijze in het opgestelde rapport van
5 september 2015 vermeld en afdoende gemotiveerd in de beoordeling betrokken. De bevindingen uit zijn onderzoek zijn voor deze arts aanleiding geweest om appellant, ten opzichte van de EZWb, meer beperkt te achten. Er worden, zo blijkt uit het rapport, meer beperkingen aangenomen ten aanzien van langdurig achtereen zitten, staan, lopen en zware til- en draagmomenten.

4.4.

Appellant heeft in hoger beroep zijn stelling dat zijn klachten zijn toegenomen en hij niet tot arbeid in staat is niet nader onderbouwd en evenmin nadere medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat de artsen van het Uwv medisch gegevens hebben gemist of zijn belastbaarheid hebben onderschat.

4.5.

Onder verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van
5 september 2015 en 6 november 2016 en de ter zitting gegeven nadere toelichting door de gemachtigde van het Uwv wordt geoordeeld dat de rechtbank terecht het standpunt van het Uwv heeft gevolgd dat appellant, ondanks zijn toegenomen beperkingen, per 23 juni 2015 geschikt is tot het verrichten van zijn arbeid. Die arbeid betreft licht energetische functies waar geen zwaardere rug- en heupbelasting aan te pas komt. Het standpunt van appellant dat in twee van de drie functies zijn belastbaarheid wordt overschreden, kan het bestreden besluit niet aantasten, reeds op de grond dat dan een van de geduide functies als passend resteert, hetgeen volstaat. Voorts wordt overwogen dat deze grond door appellant in de zaak

15/5078 ZW eveneens is aangevoerd en door de arbeidsdeskundige in zijn rapport van 25 september 2014 inzichtelijk en met juistheid is weersproken.

5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.5 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en F.M.S. Requisizione en
A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 november 2017.

(getekend) J.S. van der Kolk

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

SS