Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3877

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-11-2017
Datum publicatie
09-11-2017
Zaaknummer
16/341 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een WIA-uitkering. Uit de aanwezige medische gegevens volgt niet dat appellant binnen vijf jaar na afloop van de wachttijd toegenomen arbeidsongeschikt is geworden uit dezelfde oorzaak, als bedoeld in artikel 48 van de Wet WIA.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/341 WIA

Datum uitspraak: 8 november 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

3 december 2015, 15/1207 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Wortel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 september 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wortel en tolk M. Kada. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 5 november 2009 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van 6 januari 2010 geen recht meer had op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Het door appellant gemaakte bezwaar tegen dat besluit is bij beslissing op bezwaar van 1 februari 2011 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij uitspraak van 17 oktober 2011 het door appellant tegen het besluit van 1 februari 2011 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 21 februari 2014 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

1.2.

Appellant heeft op 16 april 2014 opnieuw een WIA-uitkering aangevraagd. Het Uwv heeft bij besluit van 25 april 2014 vastgesteld dat appellant geen recht heeft op een

WIA-uitkering. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 23 januari 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van 6 september 2014 en 11 december 2014 van verzekeringsartsen (bezwaar en beroep) en van 7 oktober 2014 en van 22 januari 2015 van arbeidsdeskundigen (bezwaar en beroep) ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft overwogen dat het medisch onderzoek van de verzekeringsartsen van het Uwv zorgvuldig is geweest. Daarbij heeft zij in aanmerking genomen dat informatie van de behandelaars van appellant bij de beoordeling is betrokken. De rechtbank heeft in de gronden van het beroep geen aanleiding gezien te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. Daartoe heeft zij overwogen dat uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt dat zij rekening hebben gehouden met de psychische en lichamelijke klachten van appellant. De in beroep overgelegde medische informatie heeft de rechtbank geen aanleiding gegeven voor het oordeel dat in verband met die klachten onvoldoende beperkingen zijn aangenomen. Zij heeft geen reden gezien om een onafhankelijke deskundige in te schakelen. In dit verband heeft zij overwogen dat met name de e-mail van 9 juli 2015 van GGZ-agoog A. Haddouch daartoe geen aanleiding geeft, omdat een agoog geen arts is. Uitgaande van de juistheid van de aangenomen beperkingen, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor het oordeel dat appellant het werk in de geselecteerde functies niet kan verrichten. Met onder meer de in beroep overgelegde rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is naar het oordeel van de rechtbank voldoende toegelicht dat deze functies in overstemming zijn met de belastbaarheid van appellant.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de uit zijn psychische klachten voortvloeiende beperkingen onderschat zijn. Hij heeft erop gewezen dat in een brief van

10 mei 2011 van het Centrum voor Transculturele Geestelijke Gezondheidszorg (NOAGG) wordt gesproken over een recidiverende depressie en niet meer over een milde depressie. Daaruit blijkt volgens hem dan ook dat zijn psychische gesteldheid na 6 januari 2010 is verslechterd. Appellant ziet zich gesteund door het bij een eerdere zitting van de Raad door het Uwv ingenomen standpunt, dat deze brief van het NOAGG de aanwezigheid van een depressieve stoornis bij appellant bevestigt, maar niet op de toenmalige datum in geding zag. Anders dan op 10 mei 2011 is deze diagnose volgens hem ook geen voorlopige diagnose meer. Appellant heeft in dit verband gesteld dat agoog Haddouch in zijn e-mail van 9 juli 2015 heeft vermeld dat de diagnose recidiverende depressie ook op 7 oktober 2014 nog gold. Zijns inziens is ten onrechte geen waarde gehecht aan deze e-mail. De daarin vermelde diagnose is namelijk door een psychiater (A. Besamusca-Fiklschot) gesteld. Haddouch heeft deze informatie slechts doorgegeven. Appellant heeft gesteld dat de rechtbank ten onrechte geen onafhankelijke deskundige heeft ingeschakeld.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In dit geding gaat het om de vraag of appellant gelet op artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van de Wet WIA, op grond van toegenomen arbeidsongeschiktheid recht heeft op een WIA-uitkering. Daartoe is vereist dat hij binnen vijf jaar na 6 januari 2010 meer dan 35% arbeidsongeschikt is geworden en de arbeidsgeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid.

4.2.

Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die zij daaraan ten grondslag heeft gelegd, worden onderschreven. Wat appellant heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onjuiste inschatting heeft gemaakt van de belastbaarheid van appellant. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft overtuigend en navolgbaar uiteengezet dat de belastbaarheid van appellant in 2014 niet wezenlijk verschilt ten opzichte van de eerdere beoordeling. Alleen in verband met slaapmedicatie die appellant is gaan gebruiken vanwege hoestklachten, is een lichte urenbeperking aangenomen. Bij de eerdere WIA-beoordeling zijn verschillende beperkingen als gevolg van psychische klachten aangenomen. Daarbij is uitgegaan van een milde depressie. Dat sindsdien andere diagnoses zijn gesteld, is bij de beoordeling betrokken. Het Uwv heeft terecht gesteld dat een andere diagnose niet zonder meer meebrengt dat meer beperkingen moeten worden aangenomen. Uit het bij een eerdere zitting door een vertegenwoordiger van het Uwv ingenomen standpunt over de brief van 10 mei 2011 van het NOAGG, volgt niet dat het Uwv ervan uit is gegaan dat na 6 januari 2010 sprake is geweest van een ernstige depressie. Zoals appellant zelf al heeft opgemerkt, was de daarin genoemde diagnose recidiverende depressie op dat moment een voorlopige. De ernst ervan wordt bovendien niet benoemd. Uit de e-mail van Haddouch blijkt ook niet dat de diagnose ernstige depressie (op de datum in geding) is gesteld. Deze vermeldt enkel dat appellant op 15 mei 2013 is onderzocht en dat dezelfde diagnose van toepassing is op 7 oktober 2014. Niet gebleken is echter dat de diagnose ernstige depressie voor die tijd (en ook daarna) is gesteld. Ook overigens zijn in de medische stukken geen aanknopingspunten te vinden voor een ernstige depressie van appellant in de periode in geding. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zijn beoordeling mede gebaseerd op informatie van vlak na de datum in geding van GZ-psycholoog L. Loukili van het NOAGG. Deze psycholoog had volgens het rapport van de verzekeringsarts maandelijks gesprekken met appellant. Loukili heeft in zijn brief van 11 augustus 2014 de diagnose ernstige depressie niet vermeld, maar de diagnose dysthyme stoornis en narcistische persoonlijkheidsstoornis. Geconcludeerd wordt dat wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, onvoldoende is voor twijfel aan de juistheid van het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank heeft dan ook terecht geen aanleiding gezien om een onafhankelijke deskundige te benoemen.

4.3.

De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de toetsing ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant.

5. Gelet op wat in 4.2 en 4.3 is overwogen volgt uit de aanwezige medische gegevens niet dat appellant binnen vijf jaar na afloop van de in 1.1 vermelde wachttijd toegenomen arbeidsongeschikt is geworden uit dezelfde oorzaak, als bedoeld in artikel 48 van de Wet WIA. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en A.I. van der Kris en P.J. Stolk als leden, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 november 2017.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) B. Dogan

RB