Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3865

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-11-2017
Datum publicatie
13-11-2017
Zaaknummer
17/894 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ten onrechte intrekking bijstand op de grond dat appellante niet heeft meegewerkt aan huisbezoek. Aanwezigheid redelijke grond maar niet gehandeld volgens protocol huisbezoek sociale zekerheid gemeente Groningen.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 53a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2017/2240
USZ 2017/433
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/894 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 20 december 2016, 16/2451 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

Datum uitspraak: 7 november 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G. Bakker, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2017. Namens appellante is verschenen mr. Bakker. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.L. Doek.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving met ingang van 1 januari 2012 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellante samenwoont met [naam V] (V) hebben medewerkers van de Dienst Sociale Zaken en Werk van de gemeente Groningen (medewerkers) een onderzoek ingesteld naar de woonsituatie van appellante. In dat kader hebben de medewerkers onder meer dossieronderzoek verricht, kennisgenomen van een interne rapportage waarin is vermeld dat V is vertrokken van het adres waarop hij stond ingeschreven en waarnemingen bij de woning van appellante aan de [adres] te [woonplaats] (uitkeringsadres) verricht. Vervolgens hebben de medewerkers op 15 maart 2016 een onaangekondigd huisbezoek aan de woning op het uitkeringsadres afgelegd. Van het onderzoek is op 16 maart 2016 een Rapport Fraude Controle (rapport) opgemaakt. Uit het verslag van het huisbezoek dat in het rapport is opgenomen blijkt dat appellante de medewerkers van de gemeente, nadat zij van hen een bedenktijd had gekregen, toestemming heeft verleend voor het afleggen van een huisbezoek, maar dat dit huisbezoek op verzoek van appellante voortijdig is afgebroken.

1.2.

Bij besluit van 30 maart 2016, na bezwaar met aangepaste motivering gehandhaafd bij besluit van 18 mei 2016 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 15 maart 2016 ingetrokken. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante onvoldoende medewerking heeft verleend aan het huisbezoek en daarom de op haar rustende inlichtingen- en medewerkingsverplichting heeft geschonden. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat een redelijke grond bestond voor het afleggen van een huisbezoek op 15 maart 2016. Het geschil is beperkt tot de gang van zaken tijdens het huisbezoek, met name wat betreft de handelwijze van de medewerkers. Volgens appellante hebben de medewerkers bij het huisbezoek gehandeld in strijd met gedragscodes volgens het Protocol Huisbezoeken Sociale Zekerheid van de gemeente Groningen van 8 oktober 2013 (Protocol). Zo hebben de medewerkers volgens appellante haar tijdens het huisbezoek gevraagd of zij de kasten en lades zelf mochten openen, terwijl dit volgens het Protocol uitsluitend een bevoegdheid van de klant is. In het Protocol is hierover immers het volgende opgenomen: “Open zelf nooit deuren en kasten maar vraag de klant deze handelingen te verrichten”. Het verslag van het huisbezoek van 16 maart 2016 bevat volgens appellante in dit opzicht een onjuiste weergave van de werkelijke gang van zaken.

4.2.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit het verslag van het huisbezoek blijkt dat de medewerkers appellante toestemming hebben gevraagd om met haar te kijken in alle vertrekken van de woning en dat zij de daaropvolgende vraag van appellante of dit ook inhield het kijken in kasten en laden, bevestigend hebben beantwoord. Daaruit kan niet worden afgeleid dat de medewerkers appellante hebben voorgehouden dat zij de kasten en lades zelf wilden openen. Van belang is dat het verslag is opgemaakt door één van de twee medewerkers die het huisbezoek hebben afgelegd, een specialistisch medewerker handhaving, voorheen sociaal rechercheur, zodat er in beginsel van mag worden uitgegaan dat in het verslag van het huisbezoek de werkelijke gang van zaken is weergegeven. Geen aanknopingspunten bestaan voor het oordeel dat de werkelijke gang van zaken anders is geweest.

4.3.

Voorts heeft appellante aangevoerd dat de medewerkers in strijd met het Protocol appellante niet hebben gevraagd naar de reden waarom zij haar toestemming voor het huisbezoek introk en dat zij appellante vervolgens ook geen hersteltermijn van tien minuten hebben opgelegd om daarvan terug te komen. In het Protocol is hierover namelijk het volgende vermeld: “Indien de toestemming wordt geweigerd of ingetrokken, vraag dan naar de reden waarom de klant weigert om te kunnen bepalen of dat wellicht een geldige dringende reden is. Wijs de klant nogmaals op de eventuele gevolgen voor het recht op uitkering als toestemming wordt geweigerd/ingetrokken en leg een hersteltermijn van tien minuten op.”

4.4.

Uit het verslag van het huisbezoek blijkt niet dat de medewerkers aan appellante hebben gevraagd waarom zij de medewerkers geen toestemming wilde geven om in kasten en lades te kijken. Evenmin blijkt uit dit verslag dat de medewerkers appellante een hersteltermijn van tien minuten hebben opgelegd toen appellante de toestemming voor het huisbezoek introk. Namens het college is erkend dat niet expliciet uit het verslag blijkt dat deze gedragscodes in acht zijn genomen. Volgens het college kan uit de context van dat verslag wel worden afgeleid dat bij appellante weerstand bestond tegen het huisbezoek. Dit doet echter niet af aan het feit dat de medewerkers tijdens het huisbezoek relevante gedragscodes niet in acht hebben genomen en aldus hebben gehandeld in strijd met het Protocol. Dit betekent dat de beroepsgrond slaagt.

4.5.

Uit 4.4 volgt dat, nu het Protocol niet is nagekomen, appellante niet kan worden tegengeworpen dat zij onvoldoende medewerking heeft verleend aan de voortzetting van het huisbezoek. Dit betekent dat het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Omdat aan het primaire besluit hetzelfde, niet te herstellen gebrek kleeft, zal de Raad tevens zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit te herroepen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellante. Deze worden begroot op € 495,- in bezwaar, € 990,- in beroep en € 990,- in hoger beroep, in totaal dus

€ 2.475,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 18 mei 2016;

- herroept het besluit van 30 maart 2016 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van

het besluit van 18 mei 2016;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.475,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en M. Hillen en M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 november 2017.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) J.M.M. van Dalen

HD