Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3859

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-11-2017
Datum publicatie
13-11-2017
Zaaknummer
16/5773 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvraag als alleenstaande. Voldaan aan voorwaarde voor voeren gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/5773 PW

Datum uitspraak: 7 november 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 28 juli 2016, 16/4197 en 16/4198 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. W. Hoebba, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2017. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. C.J. Telting.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft, na melding op 6 januari 2016, op 20 januari 2016 een aanvraag ingediend om bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Appellant heeft daarbij opgegeven dat hij woont op het adres [adres] en dat hij daar woont gezamenlijk met [naam] ( [X] ).

1.2.

Naar aanleiding van de aanvraag heeft de afdeling handhaving van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) onderzoek gedaan naar, voor zover van belang, de woon- en leefsituatie van appellant. In dat kader heeft de DWI op 25 februari 2016 met appellant een gesprek gevoerd en aansluitend een huisbezoek afgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van de DWI van 8 maart 2016.

1.3.

Bij besluit van 14 maart 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 juni 2016 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellant een gezamenlijke huishouding voert met [X] . Appellant kan daarom niet worden aangemerkt als zelfstandig subject van bijstand.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt in dit geval van 6 januari 2016 (datum melding) tot en met 14 maart 2016 (datum afwijzingsbesluit).

4.2.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de PW is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant en [X] in de te beoordelen periode hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. In geschil is of in die periode ook sprake was van wederzijdse zorg tussen appellant en [X] .

4.4.

Wederzijdse zorg kan blijken uit een bepaalde mate van verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars zorg voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

4.5.

Appellant heeft op 25 februari 2016, voor zover van belang, verklaard dat hij sinds 2011 woont op het opgegeven adres, dat hij de helft van de huur betaalt die [X] hoort te betalen, dat hij sinds juli 2015 geen inkomen heeft en geen huur betaalt. Tevens heeft appellant verklaard dat hij en [X] samen geen boodschappen doen, maar dat hij wel kookt van het eten van [X] voor hen beiden. Niet iedere dag, maar meestal wel. Voorts heeft appellant verklaard dat hij het huis schoon houdt. De kleine dingen voor levensonderhoud kan hij in de woning van [X] gebruiken. Als appellant iets heeft, kan [X] dat gebruiken, en andersom. Appellant brengt [X] ergens heen als dat nodig is. Appellant gebruikt de wasmachine van [X] en ook haar wasmiddel. Als zij hun kleding wassen, dan kunnen zij was bij elkaar doen. Tijdens het huisbezoek is vastgesteld dat de verzorgingsartikelen in de badkamer niet van elkaar gescheiden zijn. Appellant heeft tijdens dat huisbezoek - desgevraagd - verklaard dat er in de keuken geen scheiding is tussen levensmiddelen van hem en van [X] en dat er ook in de koelkast geen scheiding is tussen wat van hem is en wat van [X] , alsook dat zij alles over en weer vrij kunnen gebruiken.

4.6.

Deze verklaring biedt voldoende grondslag voor de conclusie dat in de te beoordelen periode sprake was van wederzijdse zorg als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de PW. Appellant woonde om niet in bij [X] en mocht levensmiddelen, de wasmachine en het wasmiddel van [X] gebruiken. Appellant kookte voor beiden, hield het huis schoon en gaf met zijn auto een lift aan [X] als dat nodig was. Appellant en [X] gebruikten spullen van elkaar en deden de was voor elkaar. Anders dan in de door appellant genoemde uitspraak van 3 maart 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:645), is in dit geval wel sprake van zorg van voldoende gewicht en omvang over en weer om van wederzijdse zorg te kunnen spreken. De stelling van appellant dat sprake is van een zuiver commerciële huurrelatie en dat hij geen zorg aan [X] verleende vindt geen steun in zijn eigen verklaring.

4.7.

Uit 4.5 en 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 november 2017.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) S.A. de Graaff

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

HD