Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3851

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-11-2017
Datum publicatie
07-11-2017
Zaaknummer
16/5548 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ZW-uitkering terecht herzien en teruggevorderd. Schending inlichtingenverplichting. Niet gemelde werkzaamheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2017-0250
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/5548 ZW, 16/5549 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

8 juli 2016, 15/6288 en 15/6290 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [plaatsnaam] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 1 november 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Kaya. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.J.F. Bär.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft ten aanzien van zijn ziekmelding per 23 september 2013 van 2 januari 2014 tot en met 23 oktober 2014 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling heeft het Uwv bij besluit van 23 september 2014 vastgesteld dat appellant vanaf 24 oktober 2014 geen recht meer heeft op een uitkering ingevolge de ZW, omdat appellant op 23 september 2014 meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.

1.2.

Op 25 september 2014 is in het kader van het project [naam project] een werkplekcontrole uitgevoerd bij de Stichting [naam stichting] . Bij deze controle is appellant werkend aangetroffen. Naar aanleiding hiervan is een nader onderzoek ingesteld door de Dienst Handhaving-Uitvoering (DHH) van het Uwv. Op basis van de bevindingen uit dit onderzoek, neergelegd in een rapport van 30 maart 2015, heeft het Uwv aangenomen dat appellant in de periode van 3 februari 2014 tot en met 23 oktober 2014 werkzaamheden heeft verricht waarvan hij geen melding heeft gemaakt bij het Uwv. Voorts heeft het Uwv aangenomen dat hij, met deze in het economisch verkeer op geld waardeerbare werkzaamheden, inkomsten heeft genoten waarvan hij evenmin melding heeft gedaan bij het Uwv en dat hij over die periode geen recht had op ZW-uitkering.

1.3.

Bij brief van 18 mei 2015 heeft het Uwv aan appellant laten weten dat de mogelijkheid bestaat dat aangifte zal worden gedaan van fraude. Voorts heeft het Uwv bij besluit van

18 mei 2015 (primair besluit 1) de uitkering van appellant op grond van de ZW herzien over de periode van 3 februari 2014 tot en met 23 oktober 2014 en een bedrag van bruto

€ 11.429,07 teruggevorderd. Bij afzonderlijk besluit van 21 mei 2015 (primair besluit 2) heeft het Uwv beslist dat appellant de onverschuldigd betaalde ZW-uitkering van € 11.429,07, binnen zes weken moet terug betalen. Bij besluit van 15 juli 2015 is een betalingsregeling vastgesteld van € 20,- per maand.

1.4.

Bij besluit van 19 oktober 2015 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen de brief van 18 mei 2015 niet-ontvankelijk verklaard. Bij afzonderlijk besluit van 19 oktober 2015 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen de herziening en terugvordering ongegrond verklaard. Bij besluit van eveneens 19 oktober 2015 (bestreden besluit 3) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen de invordering en de in dat kader vastgestelde betalingsregeling ongegrond verklaard.

2. Appellant heeft tegen de drie bestreden besluiten beroep ingesteld. Het beroep tegen bestreden besluit 3 is door appellant ter zitting van de rechtbank ingetrokken. De rechtbank heeft het beroep tegen de bestreden besluiten 1 en 2 bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank –samengevat– overwogen dat uit het onderzoeksrapport van het Uwv van 30 maart 2015 afgeleid kan worden dat appellant meerdere malen heeft verklaard dat hij gedurende de periode waarin hij een ZW-uitkering ontving werkzaamheden heeft verricht voor de Stichting, maar dit niet aan het Uwv heeft meegedeeld. Daarnaast heeft de rechtbank uit het onderzoeksrapport afgeleid dat appellant gedurende de periode dat hij een ZW-uitkering ontving, meerdere malen contact heeft gehad met de ZW-Arbodienst. Tijdens deze contactmomenten met de arts is door appellant of zijn echtgenote steeds aangegeven dat het niet goed met hem gaat, dat hij (amper) buiten komt en niet tot enige dagbesteding komt. De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat de verklaringen van appellant over zijn werkzaamheden die hij heeft verricht voor de Stichting niet overeenkomen met de verklaringen die hij in de periode van 2 februari 2014 tot en met 23 september 2014 heeft afgelegd over zijn gezondheid. De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn standpunt dat aan zijn verklaring van 25 september 2015, afgelegd tijdens de werkplekcontrole bij de Stichting, geen waarde kan worden toegekend, omdat deze is afgenomen zonder de aanwezigheid van een beëdigde tolk. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant ter zitting niet onderbouwd heeft aangegeven welke delen van zijn verklaring niet zouden kloppen. Daar komt bij, zo heeft de rechtbank geoordeeld, dat voorafgaand aan het afleggen van de verklaring aan appellant de cautie is gegeven en het Uwv het besluit tot herziening en terugvordering van de ZW-uitkering niet alleen op deze verklaring heeft gebaseerd, maar ook op andere verklaringen/stukken. De rechtbank heeft vervolgens geconcludeerd dat appellant de inlichtingenplicht niet is nagekomen, waardoor het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat door de tegengestelde verklaringen het recht op ZW niet kan worden vastgesteld en de ZW-uitkering van appellant terecht heeft herzien. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat nu appellant geen dringende redenen heeft aangevoerd en de rechtbank ook ambtshalve niet tot het oordeel is gekomen dat het Uwv geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien, het bedrag van € 11.429,07 terecht is teruggevorderd.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep in essentie gelijke gronden aangevoerd als in beroep. Appellant stelt zich op het standpunt dat hij in de periode in geding ziek was en geen werkzaamheden heeft verricht voor de Stichting. Appellant heeft in goed vertrouwen de Stichting tijdens zijn ziekte aan andere leden overgedragen. Voorts heeft appellant bestreden dat de door hem gevoerde administratie onvoldoende was.

3.2.

Het Uwv heeft zich in verweer, voor zover van belang, op het standpunt gesteld dat de gronden die appellant tegen de herziening en terugvordering heeft aangevoerd dezelfde gronden zijn als in bezwaar en beroep en dat op deze gronden al uitgebreid is ingegaan. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

Op grond van artikel 49 van de ZW is, voor zover hier van belang, de verzekerde verplicht aan het Uwv op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte van een door hem aangevraagde of aan hem toegekende ZW-uitkering.

4.3.

Op grond van artikel 30a, eerste lid, van de ZW herziet het Uwv een besluit tot toekenning van ziekengeld of trekt hij dat in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 49 van de ZW heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van ziekengeld. Op grond van het tweede lid van artikel 30a van de ZW kan het Uwv geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afzien indien daarvoor dringende redenen zijn.

4.4.

Het Uwv heeft op grond van artikel 30a van de ZW gebaseerd beleid neergelegd in de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 (hierna: de Beleidsregels). Artikel 3, tweede lid, van de Beleidsregels luidt: “indien als gevolg van of mede als gevolg van het niet nakomen door de verzekerde van een inlichtingenverplichting of een medewerkingsverplichting ten onrechte tot een te hoog bedrag uitkering is verstrekt, wordt de uitkering ingetrokken of herzien met terugwerkende kracht tot en met de dag waarop de uitkering zou zijn ingetrokken of herzien als de verzekerde wel volledig aan zijn verplichting zou hebben gedaan”.

4.5.

Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 4 juni 2014,

ECLI:NL:CRVB:2014:2011) is intrekking of herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering met terugwerkende kracht in het algemeen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. In uitzonderingsgevallen is van strijd met dat beginsel geen sprake. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan gevallen waarin het toekennen en/of het ongewijzigd voortzetten van de uitkering mede het gevolg is geweest van onjuiste of onvolledige informatieverstrekking door de betrokkene, terwijl de uitvoeringsinstelling een andere (minder gunstige) beslissing zou hebben genomen indien zij destijds wel de juiste feiten had gekend.

4.6.

Voorop wordt gesteld dat het bestreden besluit, waarbij met terugwerkende kracht tot de datum van toekenning van de ZW-uitkering wordt herzien, een belastend besluit is. Bij een belastend besluit tot intrekking of herziening met terugwerkende kracht en tot terugvordering van wat aan uitkering is betaald, rust op het Uwv de verplichting om niet alleen de feiten te stellen waarop hij het bestreden besluit doet steunen, maar ook – in geval van betwisting – die feiten aannemelijk te maken (zie ook de uitspraak van de Raad van 22 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1295).

4.7.

Ter zitting van de Raad heeft appellant verduidelijkt dat in hoger beroep enkel in geschil is de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op de herziening en terugvordering van de ZW-uitkering. Voorts bestrijdt appellant niet langer dat hij de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Hij had, zo heeft hij ter zitting erkend, het Uwv op de hoogte moeten brengen van het oprichten van de Stichting en de (vrijwilligers)werkzaamheden die hij daar verrichtte. Appellant blijft zich echter op het standpunt stellen dat hij slechts een beperkt aantal uren vrijwilligerswerk verrichtte, dat hij geen inkomsten hieruit verkreeg en dat aan zijn verklaringen afgelegd tijdens de werkplekcontrole geen waarde toegekend mag worden nu deze niet zijn afgenomen in de aanwezigheid van een beëdigde tolk.

4.8.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er geen aanleiding is om de verklaring die appellant op 25 september 2015, tijdens de werkplekcontrole bij de Stichting, heeft afgelegd buiten beschouwing te laten wegens het ontbreken van een beëdigde tolk. De overwegingen van de rechtbank worden onderschreven. Hieraan wordt het volgende toegevoegd. Uit het rapport van de DHH blijkt dat appellant vanwege zijn matige beheersing van de Nederlandse taal, met behulp van een vriend/klant, zijn verklaring heeft afgelegd. In beroep noch in hoger beroep heeft appellant aannemelijk gemaakt dat deze verklaring onjuistheden bevat. Evenmin is het belang van de vriend/klant, om de verklaring van appellant onjuist te vertalen, aannemelijk gemaakt.

4.9.

Voorts wordt geoordeeld dat de resultaten van het onderzoek van de DHH een voldoende onderbouwing zijn voor het standpunt van het Uwv dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden en inkomsten uit arbeid heeft gehad. Uit deze gegevens blijkt, mede uitgaande van de door appellant afgelegde verklaring, dat hij in de in geding zijnde periode de Stichting [naam stichting] heeft opgericht, een huurovereenkomst voor een pand aan de [straatnaam] te [plaatsnaam] heeft afgesloten en op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Appellant heeft verklaard dat hij zeven dagen per week in het pand aanwezig was, van maandag tot en met vrijdag van 13.00 uur tot 24.00 uur en in het weekend van 13.00 uur tot 03.00 uur. Voorts heeft hij verklaard dat hij snacks en drank inkocht en via een automaat verkocht, dat hij schoonmaakwerk verrichtte en dat hij regelde dat de leden, die

€ 30,- per maand betaalden, zich konden bezig houden met play-station, film en televisie kijken. Dit alles terwijl hij de artsen van het Uwv voorhield dat hij vanwege psychische klachten niet tot activiteiten kon komen, hij amper buiten kwam en geen arbeid kon verrichten. Deze gegevens zijn door appellant niet overtuigend betwist.

4.10.

Gelet op wat in 4.2 tot en met 4.9 is overwogen heeft het Uwv terecht de ZW-uitkering over de periode 2 januari 2014 tot en met 23 oktober 2014 herzien en het onverschuldigd betaalde ziekengeld teruggevorderd. Appellant heeft geen gronden aangevoerd tegen de hoogte van de terugvordering.

4.11.

Van een dringende reden om van terugvordering af te zien is niet gebleken. Het hoger beroep slaag niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en F.M.S. Requisizione en

A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 november 2017.

(getekend) J.S. van der Kolk

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

KS