Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3845

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-11-2017
Datum publicatie
07-11-2017
Zaaknummer
17/233 WIA-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Weigering IVA-uitkering. Bij de vraag of sprake is van duurzaamheid gaat om een inschatting van de toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsbeperkingen. Het bestreden besluit berust op een ontoereikende motivering, omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep wel duurzaamheid voor het eerste jaar heeft aangenomen, maar die duurzaamheid niet heeft aangenomen gedurende het tweede jaar. Aan de mededeling van psychiater dat ondersteuning thuis noodzakelijk is om verdere achteruitgang op zowel psychiatrisch als op sociaal maatschappelijk gebied af te wenden, kan geen concrete en toereikende onderbouwing worden ontleend voor een meer dan geringe kans op herstel, zeker gezien in het licht van het aannemen van de duurzaamheid in het eerste jaar. De Raad draagt het Uwv op het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2017-0251
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/233 WIA-T

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

6 december 2016, 16/6292 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 3 november 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.M.G. van den Heuvel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 7 februari 2017 heeft mr. Van den Heuvel zich teruggetrokken als gemachtigde van appellante. Het hoger beroep is voortgezet door mr. Spiertz, advocaat.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek heeft ter zitting plaatsgevonden op 22 september 2017. Namens appellante is verschenen mr. Spiertz. Het Uwv heeft zich met bericht niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was werkzaam als docente [vak]. Zij is op 16 ovember 2012 voor dat werk uitgevallen na een traumatische gebeurtenis met als gevolg psychische en lichamelijke klachten. Tevens is zij bekend met de status na verwijdering van een nier vanwege een Wilms tumor en rugklachten. Na haar aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 14 november 2014 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100%.

1.2.

In het kader van een herbeoordeling is appellante onderzocht door een verzekeringsarts, die daarbij de beschikking had over de dossiergegevens. In het rapport van 8 december 2015, gelezen in samenhang met het rapport van 10 december 2015, heeft de verzekeringsarts vastgesteld dat de medische prognose van appellante onzeker is en dat de prognose ten aanzien van de functionele mogelijkheden eveneens onzeker is. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat er geen duurzaam benutbare mogelijkheden zijn als rechtstreeks en objectiveerbaar gevolg van ziekte en of gebrek en dat appellante een ernstige psychische stoornis heeft waardoor onvermogen in het persoonlijk en sociaal functioneren bestaat. Een heronderzoek is aan de orde per december 2017.

1.3.

Bij besluit van 13 januari 2016 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante ongewijzigd 100% arbeidsongeschikt is.

1.4.

In bezwaar tegen het besluit van 13 januari 2016 heeft appellante aangevoerd dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, zodat zij in aanmerking komt voor een uitkering ingevolge de Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten
(IVA-uitkering).

1.5.

Bij zijn onderzoek in het kader van de bezwaarprocedure heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gebruik gemaakt van informatie van de behandeld sector, waaronder een verklaring van klinisch neuro-psycholoog dr. E.J.T. Matser van 19 november 2015. Ook had de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beschikking over een medische verklaring van
22 maart 2016 van psychiater dr. C.S. de Kloet, verbonden aan Stichting Centrum ’45. Hierin heeft deze psychiater vermeld dat de behandeling gericht op de huidige psychiatrische problematiek gehinderd werd door stress die de zorgen op sociaal maatschappelijk gebied oproept. Daarbij is de inschatting van de psychiater dat ondersteuning thuis noodzakelijk is om verdere achteruitgang op zowel psychiatrisch als op sociaal maatschappelijk gebied af te wenden. Op grond van heroverweging van de beschikbare medische gegevens, waaronder voornoemde verklaring van psychiater De Kloet, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet kunnen concluderen dat op de datum in geding verbetering van de belastbaarheid is uitgesloten of niet of nauwelijks is te verwachten. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is wat betreft de medische aspecten terecht aangegeven dat de arbeidsongeschiktheid op de datum in geding niet duurzaam is.

1.6.

Bij beslissing op bezwaar van 18 juli 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 13 januari 2016 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat appellante wel volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is te beschouwen, zodat zij niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking voor een IVA-uitkering.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt gehandhaafd dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Volgens appellante heeft de rechtbank een onjuiste conclusie getrokken uit de verklaring van psychiater De Kloet van 22 maart 2016.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In hoger beroep is niet in geschil dat appellante volledig arbeidsongeschikt is. Partijen zijn uitsluitend verdeeld over de vraag of de volledige arbeidsongeschiktheid als duurzaam moet worden aangemerkt, zodat appellante voldoet aan de voorwaarden voor een
IVA-uitkering.

4.2.

Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.

4.3.

In zijn uitspraak van 4 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896, heeft de Raad overwogen dat het bij de vraag of sprake is van duurzaamheid gaat om een inschatting van de toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsbeperkingen. Dit brengt mee dat de inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn. In het geval de inschatting van de kans op herstel berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde. Tot slot geldt dat als van een stabiele of verslechterende situatie wordt uitgegaan voor het eerste jaar, de vaststelling dat in de periode daarna sprake is van een meer dan geringe kans op herstel, concreet en toereikend dient te worden onderbouwd. Ook uit het beoordelingskader vloeit voort dat indien duurzame arbeidsongeschiktheid wordt aangenomen in het eerste ter beoordeling voorliggende jaar, de ruimte voor de verzekeringsarts beperkt is om in het jaar of de jaren daarna aan te nemen dat de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is.

4.4.

Gegeven het beoordelingskader zoals neergelegd in 4.3 moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit op een ontoereikende motivering berust, omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep wel duurzaamheid voor het eerste jaar heeft aangenomen, maar die duurzaamheid niet heeft aangenomen gedurende het tweede jaar. Aan de mededeling van psychiater De Kloet dat ondersteuning thuis noodzakelijk is om verdere achteruitgang op zowel psychiatrisch als op sociaal maatschappelijk gebied af te wenden, kan geen concrete en toereikende onderbouwing worden ontleend voor een meer dan geringe kans op herstel, zeker gezien in het licht van het aannemen van de duurzaamheid in het eerste jaar. Voorts is in de verklaring van dr. Matser van 19 november 2015 vermeld dat bij onderzoek een significante verslechtering werd waargenomen wat betreft de verschillende cognitieve functies (werkgeheugen, recall en recognitie woorden leren, snelheid van visuele informatieverwerking) ten opzichte van de eerdere neuropsychologische onderzoeken in 2012 en 2014.

4.5.

Uit wat onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen, volgt dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. Om te kunnen komen tot een definitieve beslechting van het geschil is er aanleiding om met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv opdracht te geven het in 4.4. geformuleerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 november 2017.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) I.G.A.H. Toma

AB