Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3842

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-10-2017
Datum publicatie
07-11-2017
Zaaknummer
16/2446 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Het medisch onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht. Met de lichamelijke en psychische klachten is voldoende rekening gehouden. Appellante moet in staat geacht worden de eerder geduide functies te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/2446 ZW

Datum uitspraak: 18 oktober 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 9 maart 2016, 15/2434 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.J. Hoogeveen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is werkzaam geweest als medewerkster slagerij voor 32 uur per week en huishoudelijk medewerker voor 7 uur per week. Appellante heeft zich op 29 maart 2014 ziek gemeld met diverse lichamelijke klachten. Op dat moment ontving zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet.

1.2.

Appellante is op 25 februari 2015 in het kader van een eerstejaars Ziektewet-beoordeling (EZWb) gezien door een verzekeringsarts die appellante belastbaar heeft geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst van 27 februari 2015. Vervolgens is door een arbeidsdeskundige geconcludeerd dat appellante in staat is de functies wikkelaar (SBC-code 267050), archiefmedewerker (SBC-code 315132) en inpakker (SBC-code 111190) te verrichten. Het Uwv heeft bij besluit van 26 maart 2015 vastgesteld dat appellante met ingang van 29 april 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld. Dit besluit staat in rechte vast.

1.3.

Op 3 juni 2015 heeft appellante zich opnieuw ziekgemeld, met energetische klachten en concentratieverlies. Zij heeft op 17 augustus 2015 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellante per 21 augustus 2015 geschikt geacht voor de onder 1.2 genoemde functies. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 21 augustus 2015 vastgesteld dat appellante per die datum geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van

2 oktober 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 2 oktober 2015 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat aan het bestreden besluit een zorgvuldig medisch onderzoek ten grondslag ligt. De verzekeringsarts heeft appellante gesproken en lichamelijk en psychisch onderzoek verricht. De conclusies zijn begrijpelijk neergelegd in het rapport van 21 augustus 2015. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft informatie van de behandelend psycholoog bij de conclusie betrokken. De rechtbank heeft geen reden gezien te twijfelen aan de conclusie van de verzekeringsartsen dat er geen veranderingen zijn ten opzichte van de ZW-beoordeling in januari 2015. Appellante stelt meer beperkingen te hebben maar heeft dit niet met objectieve stukken aangetoond. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat appellante per 21 augustus 2015 in staat moet worden geacht de functies genoemd onder 1.2 te verrichten.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat de aangevallen uitspraak onjuist is. De informatie van de psycholoog is niet door de verzekeringsarts bezwaar en beroep beoordeeld terwijl deze juist essentieel was.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na 52 weken ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de EZWb. Het gaat daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste een van de geselecteerde functies (zie de uitspraak van de Raad van 22 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1225).

4.2.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze is verricht. Met de lichamelijke en psychische klachten is voldoende rekening gehouden. Appellante moet in staat geacht worden de eerder geduide functies te verrichten.

4.3.

De stelling van appellante dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen rekening heeft gehouden met het rapport van de psycholoog slaagt niet. GZ-psycholoog i.o. M. de Lange heeft op 25 september 2015 gerapporteerd. Appellante lijdt aan een ongedifferentieerde somatoforme stoornis. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van
2 oktober 2015 blijkt dat de verzekeringsarts van deze brief op de hoogte was. De verzekeringsarts was dus bekend met de diagnose en het behandelplan en heeft dit overtuigend meegenomen in de beoordeling.

4.4.

Nu appellante in hoger beroep geen nieuwe (medische) stukken heeft ingebracht en geen nieuwe gronden of andere gezichtspunten heeft aangevoerd, volstaat de Raad voor het overige met te verwijzen naar de overwegingen van de rechtbank zoals is neergelegd in de aangevallen uitspraak.

5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.4 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van S.L. Alves als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2017.

(getekend) A.T. de Kwaasteniet

(getekend) S.L. Alves

RB