Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:384

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-02-2017
Datum publicatie
02-02-2017
Zaaknummer
14/4605 WSF
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:5844, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevindingen van onderzoek dat (mede) is verricht door een onbevoegde controleur zijn als bewijs ontoelaatbaar. Onvoldoende feitelijke grondslag voor oplegging boete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4605 WSF

Datum uitspraak: 1 februari 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 juli 2014, 13/7279 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.L. Kuit, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kuit. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M.S. Slagter.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 13 juli 2013 heeft de minister de aan appellante toegekende studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) herzien in die zin dat appellante vanaf 1 oktober 2012 is aangemerkt als thuiswonende studerende. De minister heeft het tegen dat besluit door appellante gemaakte bezwaar bij besluit van 6 november 2013 (bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard.

1.2.

De minister heeft bij besluit van 16 augustus 2013 aan appellante een bestuurlijke boete opgelegd. Het door appellante tegen het besluit van 16 augustus 2013 gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep, voor zover gericht tegen de herziening, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister het bezwaar van appellante terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en daarbij overwogen dat appellante op 11 juli 2013 heeft gekozen voor digitale ontvangst van berichten van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) en dat niet is gebleken dat DUO het bericht niet op juiste wijze digitaal bekend heeft gemaakt. Dat appellante niet wist dat er digitaal ook voor bezwaar vatbare besluiten bekendgemaakt zouden kunnen worden, komt voor haar rekening en risico. Appellante had bij het ontbreken van een rechtsmiddelenclausule informatie kunnen inwinnen bij de minister, aldus de rechtbank.

2.2.

Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister ten onrechte de conclusie heeft getrokken dat er grond is voor het opleggen van een bestuurlijke boete enkel vanwege het feit dat de herziening rechtens is komen vast te staan. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor dit deel in stand gelaten, omdat zij van oordeel is dat de bevindingen van het huisbezoek voldoende aantonen dat appellante ten tijde van de controle niet op het adres woonde waaronder zij in de basisregistratie personen stond ingeschreven. Tot slot heeft de rechtbank de opgelegde boete passend geacht.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij niet hoefde te begrijpen dat het bericht van DUO een voor bezwaar vatbaar besluit was omdat de bezwaarclausule ontbrak. Voorts biedt het rapport van het huisbezoek niet voldoende grondslag voor het opleggen van de boete, nu het onzorgvuldig tot stand is gekomen omdat het vooral op aannames is gebaseerd en de controleurs hebben nagelaten om met getuigen te spreken. Tot slot vindt appellante de boete van 50% te hoog.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.1.

Ter zitting van de Raad heeft appellante het standpunt ingenomen dat het haar niet duidelijk was dat het “bericht” van 13 juli 2013 een besluit was. Appellante dacht dat het een algemeen bericht betrof. Het standpunt van appellante wordt niet gevolgd. Op het eerste blad van laatstgenoemd besluit is vermeld dat de hoogte van de aan appellante toegekende studiefinanciering is gewijzigd en dat zij in 2012 een bedrag van € 571,62 en in 2013 een bedrag van € 1.170,- te veel heeft ontvangen, welk bedrag zal worden verrekend met de toe te kennen studiefinanciering. Daarmee is de beslissing onmiskenbaar op rechtsgevolg gericht.

4.1.2.

Voor zover appellante heeft aangevoerd dat het niet duidelijk was dat het besluit van

13 juli 2013 voor bezwaar vatbaar was, kan dit verweer evenmin slagen. Op het besluit van

13 juli 2013 staat vermeld “Lees de toelichting als je het niet eens bent met een beslissing.” Bovendien wordt in het e-mailbericht waarin de notificatie van het besluit wordt gegeven ook de bedoelde toelichting opgenomen. Indien die toelichting niet in het e-mailbericht zou zijn opgenomen had het – zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld – op de weg van appellante gelegen om navraag te doen naar deze toelichting.

4.2.

De minister heeft de bij het bestreden besluit gehandhaafde boeteoplegging gebaseerd op de rechtens onaantastbaar geworden herziening waaraan de resultaten van een onderzoek naar de woonsituatie van appellante ten grondslag zijn gelegd. Dit onderzoek is verricht door twee controleurs in opdracht van een privaat bedrijf waarvan de daar werkzame personen ingevolge een door de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap uitgevaardigd aanwijzingsbesluit van 19 april 2012 (nr. HO&S/399254, Stcrt. 2012, nr. 8364) belast zijn met het toezicht bedoeld in artikel 1.5 van de Wsf 2000. Ter zitting van de Raad heeft de minister desgevraagd verklaard dat een van de controleurs het onderzoek heeft verricht als zelfstandige zonder personeel.

4.3.1.

Zoals is overwogen in de uitspraak van de Raad van 2 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4192, is het toezicht op de naleving van artikel 1.5 van de Wsf 2000 de uitoefening van een overheidstaak en moet met het verlenen van toezichthoudende bevoegdheden aan personen buiten de overheid terughoudend worden omgegaan.

4.3.2.

In zijn uitspraak van 21 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3566, heeft de Raad overwogen dat met de aanwijzing van werknemers van private bedrijven bij het uitoefenen van dat toezicht de grens van wat nog aanvaardbaar is, is bereikt. Niet kan worden aanvaard dat private bedrijven dat toezicht, al dan niet onder voorwaarden, (gedeeltelijk) uitbesteden aan een derde. Dit oordeel is herhaald en nader gemotiveerd in de uitspraak van 3 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4186. Uit deze uitspraken volgt dat bevindingen van onderzoek dat (mede) is verricht door een onbevoegde controleur – zijnde een controleur die niet op basis van een arbeidsovereenkomst bij een eerder bedoeld privaat bedrijf werkzaam is, maar voor dat bedrijf op andere basis werkzaamheden verricht – als bewijs ontoelaatbaar zijn.

4.4.

Nu het onderzoek in deze zaak mede is verricht door een onbevoegde controleur zijn de bevindingen van dat onderzoek onrechtmatig verkregen en als bewijs ontoelaatbaar.

4.5.

Aangezien zonder de bevindingen van het onderzoek onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van de minister dat appellante niet woont op het adres waaronder zij staat ingeschreven in de basisregistratie personen, kon geen boete worden opgelegd.

5. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover daarin de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit in stand zijn gelaten. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht het besluit van 16 augustus 2013 herroepen. Voor het overige moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

6. Aanleiding bestaat de minister te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 990,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarin de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit van 6 november 2013 in stand zijn gelaten;

  • -

    herroept het besluit van 16 augustus 2013 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 6 november 2013;

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

  • -

    veroordeelt de minister in de kosten van appellante tot een bedrag van € 990,-;

  • -

    bepaalt dat de minister aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 122,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van J.C. Borman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2017.

(getekend) J. Brand

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

UM